Archief Joma

Aanmelden

woensdag 26 juli 2006

Rosj Chodesj Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 49

Door Zwi Goldberg

Holacha met de linker hand

Rav Sjesjets soepele beslissing onderaan de vorige daf, dat het brengen van het bloed van de sjechita naar het Altaar met de linkerhand is toegestaan, wordt afdoende bestreden met behulp van een Baraita, waar staat dat als een niet-kohen of een Kohen  het bloed opvangt, vervoert of gooit met zijn linkerhand, het pasoel is.

Het vervolg van Rav Pappa’s vragen

9e en laatste vraag: Wat is de wet als een gewone Kohen het ketoret opschept en het in de handen van de Kohen Gadol legt?

De Gemara antwoordt: We hebben geen antwoord.

De chafina van een andere Kohen Gadol

Vraag (R. Jehosjoea ben Levi): Wanneer de Kohen Gadol de chafina opschepte met zijn handen en in de lepel gelegd heeft en voordat hij het kon verbranden, sterf hij, mag dan zijn opvolger het Heilige der Heilige binnengaan met dit ketoret en het daar verbranden of moet hij het opnieuw opscheppen?

Rabbi Chanina antwoordt dat een ouderen ook al met dat probleem zaten. [Bedoelt hij met die ouderen R. Jehosjoea ben Levi?]

De Gemara vraagt: Was R. Jehosjoea ben Levi werkelijk ouder dan R. Chanina?

R. Jehosjoea ben Levi antwoordt: Rabbi Chanina gaf mij eens toestemming een geneeskrachtige drank – kersensap –te drinken op Sjabbat [dus kenenlijk was R. Chanina ouder dan R. Jehosjoea].

De Gemara vraagt: In het algemeen geldt dat het door de Rabbijnen verbo­den is geneesmiddelen in te nemen voor een lichte ongesteldheid op Sjabbat, maar iemand die ernstig ziek is mag men geneeskrachtig voedsel of drinken gebruiken en iemand die in levensgevaar is mag zeker geneesmiddelen gebruiken. Dus wat was eigenlijk R. Jehosjoe’s vraag aan R. Chanina?.

De Gemara antwoordt: R. Jehosjoea wilde weten of kersensap inderdaad geneeskrachtig is en of het daarom toege­staan was om de kersen uit te persen op Sjabbat. Rabbi Chanina was namelijk een expert in medische aangelegen­heden.

De Gemara vraagt: Als R. Chanina dus ouder was dan R. Jehosjoea ben Levi, wat  bedoelde hij dan met de opmerking dat een oudere generatie ook al met dat probleem zat?

De Gemara antwoordt: Daar bedoelde hij zichzelf mee.

De Gemara werpt tegen: Maar R. Chanina heeft zelf gezegd dat als de Kohen Gadol de chataat-stier slacht en dan sterf, dat dan zijn opvolger niet dat bloed van dat chataat mag gebruiken, maar een nieuw chataat moet slachten en ook dat de tweede Kohen Gadol  niet de ketoret mag gebruiken die de eerste Kohen Gadol heeft opgeschept, maar dat hij zelf zijn eigen handen moet volscheppen.  Dus hoe kan R. Chanina zeggen dat hij met het zelfde probleem zat als R. Jehosjoea ben Levi, namelijk of de plaatsvervangende Kohen Gadol de chafifa vanzijn voorganger mag gebruiken?

De Gemara antwoordt: Rabbi Chanina bedoelde te zeggen dat R. Jehoesjoea kennelijk dezelfde mening had als R. Chanina’s oudere collega’s die het niet eens waren met R. Chanina’s beslissing.

De Gemara vraagt: Wat is nu het antwoord op R. Jehoesjoea ben Levi’s vraag?

De Gemara (Rav Pappa) antwoordt: Het hangt er vanaf of de Kohen Gadol ook nadat hij het Heilige der Heiligen is binnengegaan, zijn handen vult met ketoret [verderop is er een discussie over de vraag of de Kohen Gadol het ketoret in het Heilige der Heiligen uit de lepel op de kolen mag gooien, of dat hij het eerst, in het Heilige de Heiligen terug in zijn hand moet nemen en dan op de kolen gooien]. Als de tweede Kohen Gadol het binnen in zijn handen neemt, dan is het in orde, anders niet.

Rav Hoena werpt tegen: De handen van de tweede Kohen Gadol zijn niet even groot als die van de eerste Kohen Gadol dus als de eerste Kohen Gadol buiten reeds chafifa gedaan heeft, mag de tweede Kohen Gadol dat niet meer gebruiken.

De Gemara antwoordt: We leren van onze Misjna dat er inderdaad een tweede chafifa is, want daar staat: Een grote Kohen Gadol naar zijn grote maat en een kleine Kohen Gadol naar zijn kleine maat, en dat was de vereiste maat. Die woorden en dat was de vereiste maat, nadat al gezegd is dat ieder naar zijn maat opneemt, duiden op de tweede chafifa.

De Gemara werpt tegen: Misschien betekent het dat de Kohen Gadol een andere maat mag nemen of dat hij juist precies die maat moet nemen.

Daf 49b

Een Baraita geeft het uiteindelijke antwoord: De Baraita leert: Als de Kohen Gadol eenmaal binnen in het Heilge der Heilgen is, legt hij de schep met kolen op de grond en de lepel met ketoret pakt hij met zijn vingertoppen of volgens sommigen met zijn tanden  beet en de inhoud daarvan gooit hij in zijn gekromde handen. En dan gooit hij het op een hoop op de kolen, zodat het langzaam in rook opgaat. 

De Gemara concludeert dat dit een van de moeilijkste handelingen was in de Tempel.

En we leren hier dus van dat de Kohen Gadol zijn handen vult met reukwerk voordat hij het Heiligdom binnengaat en dat hij dat nogmaals doet als hij in het Heilige der Heiligen is.

Kan de tweede Kohen Gadol het bloed van de stier van de eerste Kohen Gadol gebruiken?

De Gemara vraagt: Mag een tweede Kohen Gadol het bloed van de stier van de eerste Kohen Gadol gebruiken, wanneer die eerste Kohen Gadol sterft na het slachten van de stier en voordat hij het bloed op het altaar heeft kunnen gooien? Dat wil zeggen, er staat geschreven in Leviticus 16:3: „Hiermee zal Aharon naar het Heiligdom komen: met een stier als zondoffer…” Betekent dit: alleen met een stier, en niet met zijn bloed, of betekent het: met de stier of met zijn bloed?

Twee paar Amoraïem discussiëren hierover:

Rabbi Chanina zegt dat het niet mag, het betekent „en niet met zijn bloed;” Reisj Lakisj zegt dat het wel mag, en het betekent „of met zijn bloed”.

Rav Ami  zegt dat het niet mag, Rabbi Jitschak zegt dat het wel mag [zelfde redenering].

Rav Ami vraagt aan R. Jitschak: Als je gelijk hebt, zou de Misjna  in Pesachiem (89a) niet zeggen dat men zich voor het Pesach-offer kan inschrijven of terugtrekken totdat het geslacht is, maar totdat het bloed ervan gespat is op het altaar, want volgens jouw mening wordt het bloed ook nog „stier” genoemd?

R. Jitschak antwoordt: Pesach is anders.

Mar Zoetra valt R. Jitschak aan: Een Misjna (Bechorot 12a) leert: Men mag een eerstgeboren ezel niet lossen met … een geslacht lam … Dus kennelijk is een geslacht lam geen „lam” meer.

De Gemara antwoordt: De wet voor de lossing van de eersteborene is anders.