Archief Joma

Aanmelden

donderdag 27 juli 2006

2 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 50a

Door Zwi Goldberg

Kan de tweede Kohen Gadol het bloed van de stier van de eerste Kohen Gadol gebruiken? (vervolg)

Na het standpunt van R. Jitschak Nafcha te hebben verdedigd, valt de Gemara zijn tegenstanders aan en twee uitda­gingen worden gepresenteerd tegen de mening dat een geslachte stier geen „stier” meer genoemd wordt:

1. Lev. 4:12 zegt: „Hij zal de hele stier buiten de legerplaats brengen,” en het gaat hier over een geslachte stier.

     De Gemara antwoordt: Bedoeld wordt: het hele kadaver.

2. Lev. 16:27 zegt: „En de stier-zondoffer en de bok-zondoffer, wier bloed in het heiligdom gebracht is…” zijn ook al geslacht.

     De Gemara antwoordt: Hier is het dier nog helemaal compleet, met alles nog erop en eraan. Het meningsverschil gaat over het bloed, namelijk of de tweede Kohen Gadol met het bloed van de chataat-stier van zijn voorganger het Heilige der Heiligen mag binnengaan. Rav Jitschak Nafcha zegt dat dit bloed ook „stier” genoemd wordt, en Rav Ami [zie onderaan vorige daf] bestrijdt dat.

Rav Asji geeft een aanwijzing in Tora dat het bloed van de chataat-stier inderdaad „stier” genoemd wordt. Lev. 16:3 zegt: „Met het volgende zal Aharon het Heiligdom binnenkomen, met een stier.” Welnu, hij pakt de stier niet bij de horens en komt zo het Heiligdom binnen, maar hij komt alleen met het bloed ervan. Dit is een steun voor R. Jitschak Nafcha’s standpunt.

Is de stier van de Kohen Gadol een gemeenschapsoffer?

De Gemara keert terug naar de vraag of de plaatsvervangende Kohen Gadol het bloed van de stier van de eerste Kohen Gadol mag gebruiken.

De Gemara vraagt: Is de stier van de Kohen Gadol niet een privé-chataat waarvan de eigenaar is gestorven zodat men het dier moet laten doodgaan?

Rawin Bar Rav Adda antwoordt: Het is een gemeenschapsoffer, want het wordt geofferd in naam van alle Kohaniem [zie Lev. 16:11, waar staat: voor hem en zijn huishouding. Dit houdt ook alle Kohaniem in]. Als bewijs voor dit standpunt wordt een Misjna uit traktaat Temoera (14a) aangehaald: Een privé-offer mag niet op Sjabbat of in toema gebracht worden, maar een gemeenschapsoffer mag wel geofferd worden op Sjabbat of door een Kohen die tamee is [als er geen enkele andere Kohen beschikbaar is, die tahor is], maar de chataat-stier van de Kohen Gadol mag op Jom Kippoer [dus ook op Sjabbat] en ook in toema geofferd worden. Dus dat is volgens die Tanna een gemeenschapsoffer. En dus laat men het niet sterven.

Rawa verwerpt het bewijs: de regel is dat ieder offer, zowel een privé- als gemeenschapsoffer, dat op een bepaalde vastgestelde tijd gebracht moet worden, Sjabbat en toema opzij schuift.

Abbajjé valt Rawa aan: Een Baraita leert: Als de stier of de bok van Jom Kippoer zoek raakt en een ander dier wordt ervoor in de plaats geofferd en het oorspronkelijke dier wordt vervolgens weer teruggevonden, daarvan zeggen R. Elazar en R. Sjim’on dat het de wei wordt in gestuurd totdat het een diskwalificerend gebrek krijgt, waarna het verkocht mag worden, want het zijn gemeenschapsoffers en die laat men niet sterven. [Een Halacha LeMosjé MiSinai leert dat in vijf gevallen, waarin een chataat ongeschikt is geworden om te worden geofferd, het dier moet worden opgesloten in een hok totdat het vanzelf doodgaat. Eén van die vijf is het geval van een chataat dat zoek raakt, waarna een ander dier ervoor in de plaats geofferd wordt, waarna het oorspronkelijke dier wordt teruggevonden. R. Elazar en R. Sjim’on menen dat dit alleen geldt voor privé-offers.]

Rawa antwoordt: De Baraita heeft het over een stier die geofferd wordt voor een overtreding van de gemeenschap, niet over de stier van de Kohen Gadol op Jom Kippoer; de woorden „van Jom Kippoer” in de Baraita slaan alleen op de bok, niet op de stier.

Abbajjé citeert een tweede Baraita met precies de zelfde bewoordingen, alleen staat daar expliciet: „Als de stier van Jom kippoer of de bok…, enz.” Dus het gaat hier wel om de stier van Jom Kippoer?

Rawa antwoordt: Het is geen gemeenschapsoffer maar een offer van partners. De Kohaniem offeren geen gemeen­schaps­offer. En ook een chataat van partners laat men niet sterven.

De Gemara vraagt: Waarom viel Rawa Rawin Bar Rav Adda dan aan, als hij het met hem eens is, dat de stier van de Kohen Gadol niet hoeft te sterven?

De Gemara antwoordt: Rawa viel hem niet aan omdat Rawin zei dat de stier niet hoefde te sterven, maar omdat hij zei dat dit zo was omdat het een gemeenschapsoffer is. Maar de reden is dat het een partner-offer is.