Archief Joma

Aanmelden

zondag 30 juli 2006

5 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 53a

Door Zwi Goldberg

Het leggen van het reukwerk op de kolen

Een Baraita verklaart het dispuut tussen Chazal en de Saduceeërs betreffende de juiste tijd waarop het reukwerk op de kolen gelegd moet worden. De Tora (Lev. 16:12-13) leert dat de Kohen Gadol met de gloeiende kolen en het reukwerk van elkaar gescheiden het Heilige der Heiligen moet binnengaan en daar het reukwerk op de kolen moet leggen. De Saduceeërs daarentegen menen dat hij het al op de kolen moet leggen voordat hij het Heilige der Heilgen binenngaat.  De Baraita leert ook dat als er geen ma'alee asjan is toegevoegd aan het reukwerk of als één van de ingrediënten daaruit is weggelaten, men de doodstraf verdient. De ma'alee asjan is een kruid dat bewerkstelligt dat de rook van het reukwerk recht omhoog gaat.

Rav Sjesjet en Rav Asji geven een verklaring voor de reden waarom de Kohen Gadol strafbaar is voor het verbranden van kruiden waaraan iets ontbreekt, in plaats van voor een nodeloze binnenkomst in het Kodesj Hakodasjiem (immers, als het reukwerk ongeldig is, hoeft de Kohen Gadol het Allerheiligste niet binnen te gaan, want het enige wat hij daar moet doen is dat reukwerk verbranden).

Rav Sjesjet verklaart dat het onopzettelijk binnengaan in het Allerheiligste niet strafbaar is, maar het opzettelijk verkeerd samenstellen van het reukwerk wel.

Rav Asji geeft een andere verklaring: Zelfs al ging hij met opzet het Allerheiligste binnen met twee stel reukwerk, één deficiënt en één in orde, dat is hij strafbaar voor het foutieve reukwerk, maar niet voor zijn binnenkomen.

De Baraita noemt twee Tora-verzen op als bron voor de verplichting om ma'alee asjan  aan het reukwerk toe te voegen: Leviticus 16:2: „En Hasjem sprak tot Mosjé: zeg tegen Aharon je broer, dat hij niet op ieder moment het Heiligdom mag binnenkomen, achter het gordijn, behalve als hij komt met een wolk van reukwerk, dan zal Ik verschijnen boven de Ark” en Leviticus 16:13: „Opdat de wolk van het reukwerk de deksel van het getuigenis zal bedekken.” Waarom heeft de Baraita twee verzen nodig?

De Gemara antwoordt: om ons te laten weten dat ook de wortel van de ma'alee asjan gebruikt mag worden en niet alleen het blad.

Een andere verklaring: Het ene vers leert ons dat de toevoeging van het ma'alee asjan verplicht is en het andere vers leert ons dat zonder die toevoeging het ketoeret ongeldig is.

Een andere verklaring: het ene vers waarschuwt ons het ma'alee asjan niet weg te laten, en het andere vers vertelt wat de Hemelse straf is als het toch gebeurt.

De Gemara vraagt wanneer beide verzen gezegd werden, vóór of na de dood van de beide zonen van Aharon?

Een Baraita antwoordt: De waarschuwing was ervoor gegeven, de straf erna.

Hoe weten wij dat de waarschuwing vooraf was gegeven, vóór de dood van de beide zonen van Aharon? Het vers Lev. 16:2 werd gezegd na de dood van de beide zonen van Aharon (zie vers 1)?

De Gemara verklaart: Het vers zegt: „Dan zal Ik in een wolk van rook verschijnen.” In de toekomstige tijd, dus Hasjem was nog niet verschenen, want G-ds Heerlijkheid was tijdens de inwijding van de Tent der Samenkomst aan Mosjé en Aharon verschenen en onmiddellijk daarna brachten Nadav en Avihoe hun verkeerde reukwerk. Dus zij waren al gewaarschuwd.

Waarom werden Nadav en Avihoe gestraft?

Wanneer hen de straf op de overtreding nog niet was meegedeeld, waarom werden Nadav en Avihoe dan gestraft [Volgens de Halacha kan iemand pas ter dood veroordeeld worden wanneer hij van te voren gewaarschuwd werd dat zijn daad strafbaar is en wat de straf daarop is]?

Rabbi Eli'ezer leert in een Baraita: Zij werden gestraft omdat zij in aanwezigheid van hun leraar Mosjé een halachische beslissing namen. Het vers (Lev. 1:7) zegt: „De zonen van Aharon de Kohen zullen vuur op het altaar leggen.” Zij verklaarden hieruit dat zij dat moesten doen, zonder eerst hun leermeester te raadplegen. Daarvoor werden zij gestraft.

Hij gaat zoals hij gekomen is

De Misjna op daf 52b zegt dat de Kohen Gadol het Heilige der Heiligen verlaat zoals hij daar is binnenge-komen.

De Gemara vraagt: Hoe weten wij dat hij achteruit loopt?

R. Sjmoeël bar Nachmani antwoordt: Er staat geschreven in II Kronieken 1:13: „En Salomo kwam naar de bama die in Givon Jeruzalem was.” Welnu, Salomon startte inJeruzalem, reisde naar Givon, bracht daar zijn offers en keerde terug naar Jeruzalem. Het vers leert ons dat hij ging zoals hij kwam, d.w.z. hij ging terug zoals hij gekomen was, met zijn gezicht gericht naar de bama in Givon. En hetzelfde hoort de Kohen Gadol te doen als hij het reukwerk offert en hetzelfde horen de Levieten te doen als zij muziek gespeeld hebben en hetzelfde horen de Israëlieten te doen. Allen wendden hun gezicht naar opzij en gingen achterwaarts weg, na beëindiging van hun dienst. En zo ook hoort een student afscheid te nemen van zijn leermeester.

De Gemara vertelt hoe onze grote Geleerden van elkaar afscheid namen, door achteruit te lopen, totdat de ander uit hun gezichtsveld was verdwenen.