Archief Joma

Aanmelden

maandag 31 juli 2006

6 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 54

Door Zwi Goldberg

Werd de Heilige Ark verborgen of ging hij in ballingschap?

De Misjna op de vorige daf schrijft dat de Heilige Ark uit het Kodesj HaKodasjiem is weggehaald. Waar is de Ark?

Er worden twee meningen genoemd in een Baraita (R. Eliëzer en R. Sjim’on bar Jochai) die beweren dat de Ark in ballingschap is gegaan, zoals er geschreven staat (II Kronieken 36:10): „En aan het eind van het jaar liet Koning Newoechadnetsar hem [Koning Jehojachiem] naar Babylon komen, samen met de kostbaarhe­den van de Tempel van Hasjem.” [De „kostbaar­heden” is de Ark volgens R. Eliëzer]; of zoals er geschreven staat in Jesjajahoe 39:6: „Zie, de dagen zullen komen dat alles wat in je huis is, dat je vaderen verzameld hebben tot op deze dag, naar Babylonië gebracht zal worden en niets zal er achterblijven.” Dat laatste slaat op de Ark met de Stenen Tafelen met de Tien Geboden, meent R. Sjim’on bar Jochai.

Rabbi Jehoeda ben Lakisj zegt echter dat de Ark verborgen is, want er staat geschreven (I Koningen 8:8): „Zij maakten de draagbomen langer, zodat de uiteinden daarvan zichtbaar waren aan de buitenkant van het binnenste Heilige van het Heiligdom, maar zij waren niet zichbaar van buiten, en zij zijn daar gebleven tot op deze dag.”

De Amora Ulla had een andere traditie. Volgens hem zou R. Sjim’on bar Jochai menen dat de Ark verborgen was, op grond van het vers in I Koningen 8:8, dat eindigt met de woorden: „tot op deze dag.”

Rabba bewijst dat deze woorden niet „voor altijd” betekenen, het moet niet letterlijk worden opgevat. Er staat bijvoor­beeld geschreven [Richteren 1:21] dat de Jeboesieten samen met de Benjaminieten „tot op deze dag” in Jeruzalem wonen, maar ze werden eveneeens verbannen. En in I Kronieken staat dat de Sjimonieten „tot op deze dag” op de Har Seïr wonen, maar zij werden door Sancheriv, de koning van Assyrië in ballingschap meegenomen. Dus de woorden „tot op deze dag” moeten niet letterlijk worden opgevat.

Waar is de Heilige Ark uit het Kodesj Kodasjiem?

Rav Nachman heeft gezegd dat een Baraita leert dat de Ark verborgen is in het Lisjkat Ha’etsiem [zie nr. 11 van het diagram van de inleiding]. De Baraita vertelt dat een Kohen die op een dag in die kamer bezig was, zag dat een van de vloertegels er anders uitzag dan de andere tegels, alsof die eruit gelicht was en weer was teruggelegd. Hij stierf voordat hij het aan anderen kon vertellen.

De zichtbare of onzichtbare draagbomen

Rav Jehoeda merkt op: het hiervoor genoemde vers in I Koningen 8:8 zegt: „Zodat de uiteinden daarvan zichtbaar waren aan de buitenkant…, maar zij waren niet zichbaar van buiten…” Dit is tegenstrijdig. Waren de draagbomen te zien of niet?

Een Baraita geeft het antwoord: De draagbomen van de Ark duwden tegen het voorhangsel, het gordijn tussen het Heiligdom en het Heilige der Heilige, zodat het gordijn daardoor iets bol stond en het silhouet van de punten van de draagbomen zichtbaar waren, zoals de twee borsten van een vrouw, waarvan de lijnen zichtbaar zijn door haar kleding,  maar ze staken er niet doorheen, dus de bomen waren zelf niet zichtbaar. Dit is de betekenis van wat er geschreven staat in Sjier HaSjiriem – het Lied der Liederen [Hooglied] 1:13: „Een bundel mirre is mijn geliefde voor mij, rustend tussen mijn borsten.” Het symboliseert de liefde tussen G-d en Israel, die tot uiting komt in het Heilige der Heiligen.

De intieme band tussen het volk en Hasjem

R. Ketina vertelde dat wanneer het volk van Israël naar Jeruzalem kwam op de feesten, het gordijn door de Kohaniem opzij geschoven werd, om aanhet volk de Cherubijnen op de Ark te laten zien, die elkaar omarmden, zoals een man en een vrouw elkaar omarmen, als symbool van de liefde tussen het volk en Hasjem.

Rav Chisda vraagt hoe dit mogelijk was, als er een algemeen verbond was om naar de Ark te kijken (Numeri 4:20)?

Rav Nachman antwoordt: Dit verbod gold alleen in de woestijn. Het Misjkan was te vergelijken met een kalla vóór haar huwelijk, terwijl het Beit HaMikdasj te vergelijken was met de kalla na haar huwelijk. Vóór het huwelijk is de kalla verboden voor haar aanstaande echtgenoot, na haar huwelijk niet meer.

Rav Chana bar Rav Ketina werpt tegen: Waarom stierf die Kohen dan, die in het Lisjkat Ha’etsiem stond en de plaats van de verborgen Ark wilde onthullen?

Rav Nachman antwoordde hem: Dit was in de Tweede Tempel-periode, toen de vrouw al van haar echtgenoot geschei­den was, en hij wilde haar weer terugnemen, dan keert de bruid terug tot haar aanvankelijke ingetogenheid.

Wanneer werden de Cherubijnen aan het volk getoond?

De Gemara vraagt in welke periode het was, dat de Kohaniem het gordijn tussen de Heichal en het Kodesj Hakodasjiem terugsloegen, om het volk de Cherubijnen te laten zien. In de Eerste Tempel was er een Ark en waren daarop de Cheru­bij­nen, maar er was geen gordijn tussen de Heichal en het Kodesj Hakodasjiem maar een stenen muur, zoals de Gemara op daf 52b al opmerkte. En in de Tweede Tempel was er wel een gordijn maar was er geen Ark meer.

De Gemara antwoordt: Het was in de Eerste Tempel-periode, en de gordijnen die genoemd worden waren die welke voor de toegangsdeuren van het Heiligdom hingen, want voor iedere toegang hingen gordijnen, dertien in totaal, aldus Rav Zeira in naam van Rav

Een ander antwoord (Rav Acha bar Ja’akov): Het gebeurde in de Tweede Tempel-periode, en de Cherubijnen die getoond werden, waren afbeeldingen, die een onderdeel vormden van de muurdecoraties.