Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 1 augustus 2006

7 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 55

Door Zwi Goldberg

Hij sprenkelt als een matslief

De Gemara gaat op deze daf verder met de beschrijving van de dienst door de Kohen Gadol op Jom Kippoer.

Nadat hij het reukwerk verbrand heeft, komt de Kohen Gadol uit het Kodesj HaKodasjiem en neemt de schaal met bloed van de stier aan van de Kohen die daarin heeft staan roeren, opdat het bloed niet zou stollen, en daarmee gaat hij opnieuw het Kodesj HaKodasjiem binnen, om daar van het bloed te spatten, zoals er geschreven staat in Leviticus 16:14: „En dan neemt hij van het bloed van de stier en dan zal hij met zijn vinger op de voorzijde van het kaporet [deksel van de Ark] spatten en tegen de voorkant zal hij spatten, zeven maal van het bloed met zijn vinger.”

De Misjna op daf 53b zegt dat de Kohen Gadol het bloed van de zonde-stier nam en dat in de richting van de Ark sprenkelde, eenmaal naar boven [of erop] en zevenmaal naar beneden [of eronder]. Maar hij richtte niet op de Ark maar als een matslief.

De Gemara vraagt: Wat is matslief?

De Gemara (Rav Jehoeda) antwoordt: Hij sprenkelt zoals een beambte van het gerechtshof iemand geselt, de eerste klap op de schouders en iedere volgende zweepslag lager dan de vorige. Zo ook sprenkelt de Kohen Gadol iedere volgende sprenkeling lager dan de vorige. Een Baraita leert dat het bloed de kaporet niet raakt, maar hij sprenkelt in de richting van de rand van de kaporet, en het valt op de vloer. Hij sprenkelt de eerste keer men zijn handpalm naar boven en daarna zeven keer met zijn handpalm naar beneden.

De Gemara stelt vast dat de bron voor de uitspraak van de Baraitas, dat het bloed de Ark niet raakt, Leviticus 16:15 is, waar betreffende de bok tot zondoffer staat dat het bloed ervan gespat moet worden zoals dat van de stier en bovendien: „…En hij zal het sprenkelen op het deksel en vóór het deksel.” Daar er bij de stier in het vorige vers al staat dat het op het deksel gesprenkeld moet worden, betekent het hier in dit vers wat anders, namelijk dat het de Ark niet mag raken.

Het tellen van de spattingen

Opdat hij zich niet zou vergissen in het aantal spattingen, telde de Kohen Gadol als volgt (volgens Rabbi Meir): Als hij naar boven spatte, zei hij: „Eén.” Bij de zeven volgende spattingen naar beneden, telde hij: „Eén en één – één en twee – één en drie – tot één en zeven.” Een Baraita leert dat de Kohen Gadol volgens Rabbi Jehoeda de woorden omdraaide en zei: „Eén – één en één – twee en één – drie en één – enz tot zeven en één. En beide methoden zijn toegestaan volgens beide Tannaiem.

De Gemara vraagt: Waarom telt hij zo?

R. Elazar antwoordt: opdat hij zich niet zal vergissen in het aantal spenkelingen, maar als hij niet zo telt en zich niet vergist heeft, is het ook in orde.

R. Jochanan antwoordt: Het vers Lev. 16:14 [zie hierboven] noemt tweemaal het woord „spatten”. Dit tweede woord lijkt overbodig maar komt ons vertellen dat hij bij iedere spatting naar beneden de eerste spatting naar boven moet noemen. [Dus het tellen is een verplichting van Tora en als de Kohen Gadol niet geteld heeft en bij iedere telling de eerste telling niet genoemd heeft, is zijn spenkeling ongeldig volgens R. Jochanan.]

De gouden standaard in de Heichal en de tweede spatting

Onze Misjna op daf 53b vertelt, dat nadat de Kohen Gadol het bloed van zijn stier, dat ook verzoening doet voor de overige Kohaniem, gespat heeft in het Kodesj HaKodasjiem, hij naar buiten komt en de schaal met het bloed van de stier op een gouden standaard in de Heichal zet. Daarna slacht hij de bok tot zondoffer, vangt het bloed ervan op in een schaal en gaat daarmee weer het Kodesj HaKodasjiem binnen en spat met dit geitenbloed eveneens eenmaal naar boven en zevenmaal naar beneden, net als met het bloed van de stier en telt daarbij precies op dezelfde manier. Deze spatting doet verzoening voor de rest van het volk. Daarna verlaat de Kohen Gadol het Kodesj HaKodasjiem weer met de schaal met de rest van het bloed, en dan zet hij die schaal op een tweede gouden standaard in het Heiligdom. Aldus de woor­den van de Misjna. Maar Rabbi Jehoeda zegt: er was daar maar één gouden standaard. De Kohen Gadol neemt de schaal met bloed van de stier weg en plaats de schaal met het bloed van de bok op die ene standaard daarvoor in de plaats.

 

Daf 55b

De Gemara veronderstelt dat R. Jehoeda bang was dat de standaards onderling verwisseld zouden worden. Rabbi Jehoeda had ook bezwaar tegen een collectebus in de Tempel voor verplichte vogeloffers. Uit angst voor verwisseling met een collectebus voor vrijwillige vogeloffers?

De Gemara vraagt: Men kan toch op de ene standaard schrijven dat die voor het stier is en op de andere voor de bok?

De Gemara antwoordt: R. Jehoeda vertrouwt daar niet op. Misschien let de Kohen daar niet op.

De Gemara werpt tegen: Maar een Misjna in traktaat Sjekaliem (6:5) leert dat er 13 collectebussen waren in het Beit HaMikdasj, waarop geschreven stond waarvoor zij dienden, volgens R. Jehoeda. Dus hij heeft geen bezwaar tegen het etiketteren van de collectebussen en dus moet zijn bezwaar wat anders zijn.

Rav Dimi verklaart dat de we bezorgd zijn dat iemand geld doet in de collectebus voor verplichte zondoffers en ver­vol­gens sterft, dan moet zijn geld in zee gegooid worden. Maar we weten niet welk geld van hem is, dus dan moet al het geld in de collectebus in zee gegooid worden. Daarom wilde R. Jehoeda geen collecte bus voor verplichte offers.