Archief Joma

Aanmelden

woensdag 2  augustus 2006

8 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 56

Door Zwi Goldberg

Bereira

Op de vorige daf hebben we gelezen van de verklaring van Rav Dimi, namelijk dat we bang zijn dat iemand, die geld gestort heeft in de collectebus voor verplichte zondoffers, overlijdt voordat zijn offer gebracht is en dat we dan we al het geld in de doos moeten weggooien.

De Gemara vraagt: Maar we hebben geleerd in Gittin 28a dat als iemand vanuit het buitenland geld stuurt om in zijn naam een zondoffer te brengen, wij mogen aannemen dat hij nog steeds in leven is. Dus waarom zijn wij hier wel bang dat hij oveleden is?

De Gemara antwoordt: Het probleem is voor het geval dat wij zeker weten dat hij dood is. Als hij sterft voordat al het geld in de collectebus gebruikt is voor zondoffers, dan moet al dat geld worden weggegooid. Daarom verbiedt Rabbi Jehoeda collectebussen voor verplichte zondoffers.

De Gemara stelt voor: We kunnen dan vier zoez nemen [de waarde van een vogel] en verklaren dat die van de overledene zijn en die in de zee gooien en de rest van het geld in de collectebus is dan bruikbaar. [Dit achteraf vaststellen met terugwerkende kracht heet Bereira.] Dus waarom verbiedt R. Jehoeda die collectebus?

De Gemara antwoordt: R. Jehoeda gelooft niet in het principe van bereira. [D.w.z. hij vertrouwt daar niet op en dus is al het geld verboden (Rasji).]

De Gemara vraagt: Hoe weten wij dat R. Jehoeda niet vertrouwt op bereira?

De Gemara antwoordt: We leren dat van de volgende Baraita: Als iemand wijn koopt van een Koetie  op vrijdag middag vlak voor Sjabbat [en hij heeft geen voorwerp waar hij de troema en ma’aser kan indoen], dan verklaart hij dat de twee loegien[1] die hij na Sjabbat zal afscheiden van deze honderd log, met terugwerkende kracht vanaf nu troema zijn, enz. Dan mag hij de wijn nu onmiddellijk drinken, mits hij ervoor zorgt dat hij voldoende wijn overlaat voor de troema. Dit zijn de woorden van R. Meïr. [Deze verklaring is volgens het principe van bereira.] Maar Rabbi Jehoeda, Rabbi Jossi en Rabbi Sjim’on verbieden hem de wijn te drinken, totdat hij de troema en ma’aser daadwerkelijk heeft afgescheiden. Dus R. Jehoeda hecht geen waarde aan bereira.

De Gemara werpt tegen: Nee, deze drie Tannïem maken bezwaar tegen bereira omdat zij bang zijn dat de wijnzak zal openscheuren, nadat hij ervan gedronken heeft en voordat hij daadwerkelijk de troema en ma’aser heeft afgescheiden en dan heeft hij tewel[2] gedronken. Dus daar is het een praktisch bezwaar dat alleen voor die wijn geldt, en niet een principiëel bezwaar dat voor iedere bereira geldt.

De Gemara antwoordt: R. Jehoeda’s bezwaar tegen bereira blijkt uit een andere Baraita. Het is verboden op Sjabbat verder dan 2000 amma buiten zijn woongebied te gaan naar alle richtingen. Maar iemand mag vóór Sjabbat bepalen dat hij in één bepaalde richting 4000 amma wil gaan, maar dan mag hij naar de tegenovergestelde richting zijn woongebied helemaal niet verlaten. Hij maakt dan een eroev. De Baraita zegt nu: Rabbi Jehoeda zegt dat iemand niet vóór Sjabbat mag verklaren dat hij op Sjabbat retroactief zal vaststellen in welke richting hij zijn eroev zal maken. Rabbi Jehoeda verbiedt dit omdat hij geen waarde hecht aan bereira. En daarom verbiedt Rabbi Jehoeda de collectebus voor verplichte zondoffers.

De Gemara vraagt: Nu wij weten dat R. Jehoeda de collectebus verbiedt wegens bereira [en niet omdat hij bang is dat de collectebussen verwisseld worden] is het duidelijk dat dit niets te maken heeft met zijn mening dat er geen twee gouden standaards waren in de Heichal. Waarom verbiedt hij dat dan? Waarom schrijven we niet op iedere standaard waarvoor hij dient?

De Gemara antwoordt: De Kohen Gadol heeft een zware dag en is misschien wat zwakjes en zal daarom niet op de etiketten letten.

De Gemara vraagt: Maar in de ene schaal zit veel bloed, van de stier, en in de andere schaal zit weinig bloed, van de bok. Dus dan kan de Kohen Gadol het verschil toch zien?

De Gemara antwoordt: Hij is te zwak om dat te zien.

De Gemara vermeldt een geval waarin een chazan op Jom Kippoer de beide standpunten van de Geleerden en R. Jehoeda door elkaar haalde, toen hij vertelde over de procedure van de dienst op Jom Kippoer. Hij zei: „De Kohen Gadol verlaat het Kodesj HaKodasjiem en zet de schaal met bloed van de bok op de tweede gouden standaard [dit is volgens de Geleerden, die in de Misjna zeggen dat er twee gouden standaards in de Heichal waren] en daarna neemt hij de schaal met bloed van de stier op [van de standaard], en zet het bloed van de bok op de gouden standaard. [Dit is volgens Rabbi Jehoeda, die meent dat er maar één standaard is].

Rawa zei hem dat hij moest zeggen: „Hij zet het bloed van de bok neer en neemt het bloed van de stier op.” [Dat volgt de mening van de Geleerden].

De sprenkeling van het bloed tegen het parochet

Onze Misjna vertelt hoe de Kohen Gadol vervolgens van het bloed van de stier tegen het parochet [gordijn tussen Heichal en Kodesj HaKodasjiem] spat vanaf de buitenkant, d.w.z. vanaf de Heichal. Ook daar sprenkelt hij eenmaal naar boven en zevenmaal naar beneden. En hetzelfde herhaalt de Kohen Gadol met het bloed van de bok, ook dat sprenkelt hij eenmaal naar boven tegen het parochet aan de kant van de Heichal en zevenmaal naar beneden. Dit wordt afgeleid van het vers in Leviticus 16:16, waar staat dat zoals de Kohen Gadol gespat heeft tegen het deksel van de Ark in het Kodesj HaKodasjiem, zo moet hij spatten in het Heiligdom.

En het vers gaat verder en zegt dat de Kohen Gadol hetzelfde moet doen in de Tent der Samenkomst die zich bij hen bevindt, te midden van hun onreinheid. Dat wil zeggen dat deze hele procedure ook gevolgd moet worden als de Joden onrein zijn en dat ook dan Hasjem bij hen zal wonen.


 

[1] log [mv. loegien] – inhoudsmaat met het volume van zes eieren, ± 0,3 liter.

[2] tewel – product uit Israël, waarvan troema en ma’aser moet worden afgescheiden en dat verboden is om te eten of te drinken, wanneer dat niet gebeurd is.