Archief Joma

Aanmelden

donderdag 3 augustus 2006

9 Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 57a

Door Zwi Goldberg

De Sjechina en toema

Onderaan de vorige daf hebben we geleerd dat de Sjechina ook bij ons blijft, als wij onrein zijn. Een Saduceeër zei eens tegen Rabbi Chanina: „Er staat geschreven (Klaagliederen 1:9): Haar onreinheid is aan de zomen van haar kleed te zien [zoals het bloed van een nidda zichtbaar is aan haar kleding]. Dit slaat op het Joodse volk, nu jullie in balling­schap zijn.”

R. Chanina antwoordde hem: „Zoals zijn vrouw die nidda is voor de echtgenoot verboden is, maar hij wel met haar alleen mag zijn, zo ook verblijft G-d bij zijn volk, zoals er geschreven staat (Lev. 16:16): De Tent der Samenkomst die zich bij hen bevindt, te midden van hun onreinheid.”

Een hekeesj via nog een hekeesj

Een Baraita leidde het aantal spattingen en de volgorde daarvan in het Heiligdom af doormiddel van een hekeesj – analogie – met de spattingen van het bloed van de bok in het Kodesj HaKodasjiem, terwijl dit aantal spattingen in het Kodesj HaKodasjiem zelf ook werden afgeleid van een hekeesj [analogie] met de spattingen van het bloed van de stier.

De Gemara vraagt: Mag een tweede hekeesj afgeleid worden van een eerdere hekeesj?

De Gemara antwoordt: De spatting van het bloed van de bok in het Kodesj HaKodasjiem wordt niet alleen afgeleid van een hekeesj maar ook van het vers zelf en daarom wordt het niet beschouwd als een hekeesj. [In het algemeen geldt dat een hekeesj niet mag worden afgeleid van een andere hekeesj, wanneer die eerdere hekeesj de enige bron is. Hier is dat niet het geval.]

De Gemara werpt tegen: Niet iedereen is het met die regel eens, sommigen beschouwen het wel een volledige hekeesj.

De Gemara antwoordt: De onderwerpen van de analogieën zijn verschillend; in het ene geval betreft het de verschillende soorten bloed, in het andere geval de verschillende plaatsen. Dan is het toegestaan.

Een ander antwoord: De wetten voor de Heichal worden in een keer samen geleerd met die voor het Kodesj HaKodasjiem.

De sprenkeling in de Heichal

Een Baraita leert dat wanneer de Kohen Gadol het bloed spat in de richting van het parochet [het gordijn tussen de Heichal en de Kodesj HaKodasjiem], het bloed niet op het parochet komt.

De Gemara vertelt een gebeurtenis waaruit het tegendeel blijkt: In Traktaat Me’ila wordt verteld hoe R. Sjim’on bar Jochai en R. Elazar de zoon van R. Jossi naar Rome reisden, om de keizer verzachting van de harde decreten tegen de Joden te vragen. Zij krijgen daar hulp van een demoon die de dochter van de keizer in zijn macht hield en die de twee geleerden genazen. Uit dank mochten zij iets „moois” uitzoeken in de schatkamer van de keizer en daar vonden zij enkele van de decreten en nog iets:

Rabbi Elazar zei: Ik zag het parochet in Rome vol met bloedspatten van de stier en de bok. Dus kennelijk bereikte het bloed wel het parochet?

De Gemara vraagt: Hoe wist R. Elazar dat de bloedspatten afkomstig waren van de Jom Kippoer spattingen?

De Gemara antwoordt: De druppels zaten in een recht lijn onder elkaar, zoals ze alleen op Jom Kippoer gespat worden.

Een Baraita betreffende de stier voor een vergissing van de gemeenschap: Wanneer het bloed daarvan gespenkeld wordt, bereikt het niet het gordijn. Maar als de druppels wel op  het gordijn vallen, dan is dat in orde.

Rabbi Elazar zei: ik zag hetparochet vol met bloedspatten van de stier voor  gemeenschapsvergissingen en van de bok voor afgoderij.

De Gemara vraagt: Hoe wist R. Elazar dat die druppels daarvan afkomstig waren?

De Gemara antwoordt: De druppels zatren niet in een rechte lijn onder elkaar.

Wanneer het bloed van de stier en van de bok met elkaar vermengd raken

De Gemara vraagt: Wat gebeurt er als het bloed van de stier en van de bok met elkaar vermengd raken [voordat het gespat is (Rasji); na het sprenkelen in het Allerheiligste maar vóór het sprenkelen in de Heichal (andere Risjoniem)]?

De Gemara (Rawa) antwoordt: De Kohen Gadol doet daarmee een eenmalige sprenkeling, eenmaal naar boven en zevenmaal naar beneden en dat geldt voor beide.

R. Jeremia viel Rawa scherp aan: Dat is dwaas. Dan zou de Kohen Gadol de spatting van het bloed van de bok ‘naar boven’ doen voordat hij de spatting van de stier zevenmaal ‘naar beneden’ heeft gedaan, terwijl Tora zegt (Lev. 16:20): „En als hij geëindigd heeft verzoening te doen in het Allerheiligste.” Dat wil zeggen dat eerst de volledige spatting van de stier beëindigd moet zijn, voordat de Kohen Gadol met de spatting van de bok kan beginnen.

R. Jeremia geeft een ander antwoord op de vraag: De Kohen Gadol doet eerst een serie spattingen voor de stier en daarna nog een tweede serie spattingen voor de bok.

De Gemara vraagt: Wat gebeurt er als het bloed met elkaar vermengd raakt nadat het eenmaal naar boven gespat is, maar voordat het zevenmaal naar beneden gespat werd?

Rav Pappa suggereert: Hij spat eerst zevenmaal naar beneden voor de stier, dan zevenmaal naar beneden voor de bok en dan nog één keer naar boven voor de bok.

Rawa antwoordde Rav Pappa: R. Jeremia zou dit nog dwazer vinden, want nu zou de Kohen Gadol de spatting naar beneden doen vóór de spatting naar boven. En Tora zegt: eerst naar boven en dan naar beneden.