Archief Joma

Aanmelden

dinsdag 6 augustus 2006

12 Menachem Av 5766

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 61a

Door Zwi Goldberg

De sjechita van de bok vóór het spatten van het bloed van de stier

De Misjna op daf 53b leerde dat de bok geslacht moet worden nadat het bloed van de stier in het Heilige der Heiligen gespat is.

Oella zegt: Als de Kohen Gadol de volgorde omdraait en de bok slacht voordat hij het bloed van de stier gespat heeft, moet hij een nieuwe bok slachten na het spatten.

De Gemara werpt tegen: Maar onze Misjna zegt dat wanneer de Kohen Gadol het bloed van de bok spat vóór dat van de stier, hij na het spatten van het bloed van de stier nogmaals het bloed van de bok moet spatten. Maar als hij eerst het bloed van de bok gespat heeft, moet hij toch eerst die bok geslacht hebben, dus is die bok geslacht voordat het bloed van de stier gespat is, en dan zegt Oella, moet hij opnieuw een bok slachten. Maar daar zegt onze Misjna niets over?

De Gemara antwoordt: Volgens Oella heeft de Misjna het over de spattingen in de Heichal. [Dus de Kohen Gadol heeft eerst de stier geslacht en het bloed in het Heilige der Heiligen gespat en daarna, correct de bok geslacht en diens bloed gespat in het Heilige der Heiligen. Maar daarna, volgens de interpretatie van Oella, heeft de Kohen Gadol eerst het bloed van de bok in de Heichal gespat en daarna het bloed van de stier. En dan moet het bloed van de bok nogmaals gespat worden, maar er hoeft dan geen nieuwe bok meer geslacht worden.

Iedere kappara [verzoening] is onafhankelijk

Onze Misjna zegt: ieder van de drie groepen spattingen [die in het Allerheiligste, die tegen het parochet en die op het Gouden Altaar] zijn een zelfstandige handeling en worden niet beïnvloed door wat daarop volgt, want ieder doet apart verzoening.

Een Baraita haalt een machloket aan over de vraag welk deel van de avoda verzoening doet  voor verontreiniging van de Tempel [doordat iemand in toema het Tempel-terrein betreedt of, terwijl hij daar al was, in aanraking komt met een sjerets], en welke avoda verzoening doet voor andere averot [overtredingen]. Een soortgelijk meningsverschil geldt betreffende de vraag of Kohaniem en Jisraëliem verzoening krijgen door dezelfde avoda:

R. Jehoeda meent dat de bok die geslacht wordt, verzoening doet voor toemat haMikdasj en dat de bok die wordt wegezonden verzoening doet voor de overige averot, zowel voor de Kohaniem als voor de Jisraëliem.

R. Sjim’on zegt: alleen de bloedspattingen verkrijgen verzoening voor toemat haMikdasj, en wel het bloed van de bok voor de Jisraëliem en het bloed van de stier voor de Kohaniem. En de zondebekentenissen doen verzoening voor de andere overtredingen, en wel die op de bok die wordt weggezonden voor de Jisraëliem en die op de stier voor de Kohaniem. [Dus de stier doet volgens R. Sjim’on verzoening voor alle averot van alle Kohaniem, gedeeltelijk via de zondebelijdenis en gedeeltelijk door de bloedspattingen.]

Nadere verklaring van de discussie tussen de Tanna Kamma en R. Elazar en Rabbi Sjim’on

Een Baraita geeft een meer gedetailleerd verslag van het meningsverschil in onze Misjna tussen de Tanna Kamma enerzijds en Rabbi Elazar en Rabbi Sjim’on betreffende het bloed dat verloren gaat tijdens het spatten. Er zijn drie series spattingen, 1. in het Heilige der Heiligen, 2. in de Heichal tegen het Parochet en 3. tegen het Gouden Altaar. Volgens de Tanna Kamma moet de Kohen Gadol, nadat hij een nieuw dier geslacht heeft, de serie spatting die hij onderbroken heeft helemaal overdoen, maar de serie spattingen die hij voltooid heeft, zijn geldig en hoeft hij niet meer over te doen. Volgens R. Elazar en R. Sjim’on gaat hij verder waar hij gebleven was en hoeft hij niets over te doen.

Wanneer het spatten voltooid is, wordt de rest van het bloed tegen de basis van het Buitenaltaar gegooid, maar dit is niet essentiëel [d.w.z. dat wanneer de rest van het bloed verloren gaat nadat alle spattingen binnen gedaan zijn, maar voordat het tegen de basis van het buitenaltaar gegooid is, dan is alles toch geldig en er hoeft dan geen nieuw bloed te komen].

R. Jochanan zegt dat zij dat allen afleiden van hetzelfde vers, namelijk van Exodus 30:10: „En Aharon zal… eenmaal per jaar met het bloed van het zondoffer …verzoening doen.” De Tanna Kamma (dat is Rabbi Meïr) interpreteert het woord ‘eenmaal’ als volgt: G-d zegt: Ik heb je gezegd maar één zondoffer  te gebruiken, niet twee. Maar R. Elazar en R. Sjim’on menen dat het vers als volgt moet worden uitgelegd: G-d zegt: Ik heb je gezegd maar één spatting te doen en niet twee spattingen.

De log olie van de metsora

Een metsora die genezen is, moet op de achtste dag van zijn reinigingsproces o.a. een schaap als schuldoffer brengen en een log olijfolie offeren. De Kohen die de offers uitvoert, giet de olie in de handpalm van een andere Kohen, doopt zijn rechter wijsvinger in de olie in de handpalm van die andere Kohen en spat daarmee zevenmaal tegen het parochet, neemt vervolgens nog wat olie uit de handpalm van die andere Kohen en smeert dat op het rechter oor, de rechter duim en rechter grote teen van de metsora en wat er van de olie over is, giet hij op het hoofd van de metsora.

Rebbi vertelt nu in een Baraita dat Rabbi Ja’akov gezegd heeft, dat R. Elazar en R. Sjim’on het alleen oneens zijn met R. Meïr betreffende de bloedspattingen op Jom Kippoer, d.w.z. dat die volgens hen niet overgedaan hoeven te worden als het bloed halverwege de spatting verloren gaat, maar dat zij het met hem eens zijn, dat als de olie voor de metsora halverwege het proces verloren gaat, de hele procedure wel van begin af aan met een nieuw log olijfolie moet worden over­gedaan.

De Gemara werpt tegen: Een Baraita zegt dat ze ook datzelfde meningsverschil hadden over de log olie.

De Gemara antwoordt: Correctie: Rabbi Ja’akov zei ook dat zij datzelfde meningsverschil hadden over de log olie.