Archief Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 68

Door Zwi Goldberg

De Misjna onderaan de vorige daf vervolgt met de beschrijving van de Jom Kippoer-dienst:

De Awoda na het wegzenden van de Bok naar Azazel

Nadat de de Kohen Gadol de bok voor Azazel afgegeven heeft aan de daarvoor aangewezen man, keert hij terug naar de stier en de bok, wier bloed hij gesprenkeld heeft in het Heiligdom. De emoriem daarvan moeten vervolgens verbrand worden op het buitenaltaar en het vlees dat bij andere zondoffers gegeten wordt door de Kohaniem, moet in dit geval verbrand worden buiten Jeruzalem. De Misjna beschrijft wat er gebeurt:

Misjna De Kohen Gadol gaat nu naar de stier en de bok die verbrand moeten worden, hij scheurt ze open en verwijdert de offerdelen [het vet op de diverse organen, de nieren, het middenrif en een deel van de lever], die hij in een schaal doet en op het Altaar verbrandt. Hij verstengelt dan de ledematen van de dode stier en bok en brengt ze naar buiten naar de brand plaats.

[De Tora (Lev. 16:28) zegt dat wie die dieren verbrandt, tamee wordt en ook zijn kleren worden tamee.] De Misjna vraagt: Vanaf wanneer worden zij tamee? Vanaf het moment dat zij Jeruzalem verlaten. Rabbi Sjim’on zegt: vanaf het moment dat het vuur vat krijgt op de grote ledematen.

Gemara De Misjna zegt dat hij (de Kohen Gadol) de emoeriem in een schaal doet en op het altaar verbrandt, maar dat verbranden doet hij pas later.

De Gemara vermeldt verder hoe de stier en bok vóór de verbranding ontleed worden. Een belangrijk verschil met de ontleding van een ola [brandoffer] is dat het ola eerst gevild wordt, voordat het ontleed wordt, maar de stier en bok van Jom Kippoer worden met hun huid eraan ontleed.

Daf 68a

De ontleding en verbranding van de dieren (vervolg)

De Gemara vraagt: Hoe weten wij dat de dieren in stukken gesneden werden met hun huid er nog aan?

De Gemara antwoordt: Leviticus 4:11-12 zegt: „En de huid van de stier en al zijn vlees  en zijn kop en zijn knie­stukken en zijn ingewanden  en zijn mest, de gehele stier zal men naar  buiten brengen…” Dat wil zeggen: de gehele stier, terwijl hij nog heel is. En er staat: „Zijn kop en zijn kniestukken.” Dat staat ook in Leviticus 1:8-9 betreffende een brandoffer en zoals dus het brandoffer pas verbrand wordt, nadat het ontleed is, zo worden ook deze dieren op Jom Kippoer verbrand nadat zij ontleed zijn. En verder zegt Lev. 4:11 dat ook de mest naar buiten wordt gebracht om te worden verbrand en zoals de mest nog in de ingewanden zit, zo moeten de ledematen nog in hun huid zitten.

Toemat begadiem

Een Baraita identificeert de bron voor de uitspraak van de Tanna Kamma dat de stier en de bok hun dragers tamee maken, wanneer zij uit het Beit HaMikdasj verwijderd worden, namelijk Lev. 16:27-28.

Een andere Baraita geeft de bron voor de halacha dat de stier van de Kohen Gadol op Jom Kippoer en de stier voor een gemeenschappelijke vergissing buiten drie kampementen verbrand moet worden, namelijk Lev. 16:27.  En op andere plaatsten is sprake van drie legerkampen  [a. het legerkamp van de Sjechina; b. het kamp van de Levieten en c. het kamp van Israël (Rasji)]. Maar vers 16:27 heeft het alleen over „buiten het legerkamp,” d.w.z. dat zodra de begeleider met de bok buiten het ene kamp is, het binnenste kamp, hetgeen later het Tempelcomplex zou zijn, wordt hij tamee. En daar voor de stier van dit vers hetzelfde geldt als voor die van Jom Kippoer, wordt de man tamee zodra hij buiten Jeruzalem is.

Een Baraita leert op grond van Leviticus 4:12 dat de stier naar buiten het leger gebracht wordt, dus dat is buiten alle drie de kampementen.

De Gemara verklaart dat R. Sjim’on, die het niet eens is met de uitleg van de eerder genoemde Baraitot, deze psoekiem gebruikt om te verklaren  dat de dieren ten oosten van Jeruzalem verbrand werden, net zoals de para adoema ten oosten van Jeruzalem verbrand werd.

De Rabbijnen van onze Misjna echter menen dat de stier en de bok ten noorden van Jeruzalem werden verbrand, buiten de drie kampen.

Daf 68b

Rabbi Jossi zegt: ze werden verbrand op de plaats waar de as van het altaar werd weggegooid.

Rawa zegt dat de Tanna Kamma van de Baraita Rabbi Eliëzer ben Ja’akov is.

Abbajjé weerlegt dat en meent dat het heel goed mogelijk is dat R. Eliëzer ben Ja’akov het met Rabbi Jossi eens is.

Het verbranden van de stier en de bok

Een Baraita leert dat alleen degene die de stier en de bok verbrant, tamee wordt, maar niet degene die het vuur aansteekt [zolang hij zich terug trekt voordat het vuur de grote ledematen bereikt], noch degene die het hout voor het vuur verzamelt, noch degene die de lichaamsdelen op de brandstapel legt, maar alleen degene die tijdens de verbranding het vlees omkeert, het vuur opstookt, er extra hout opgooit.

Volgens de Tanna Kamma wordt hij niet meer tamee als de dieren tot as zijn vergaan. Rabbi Sjim’on zegt: vanaf dat het verteerd is, maar nog geen as is.

De bekendmaking dat de bok de woestijn bereikt had

Het vers in Leviticus 16:22-25 zegt: „Dan zal men de bok wegzenden in de woestijn. … Dan zal hij [Aharon] naar buiten gaan en zijn brandoffer offeren… En het vet van het zondoffer zal hij in rook doen opgaan op het altaar.” Hieruit leiden de Geleerden af dat Kohen Gadol niet eerder verder mag gaan met zijn Jom Kippoer-dienst, dan nadat de bok de woestijn bereikt heeft. (Rasji). De laatste Misjna van dit hoofdstuk  beschrijft hoe aan de Kohen Gadol bekend gemaakt werd dat de bok de woestijn bereikt had, zodat hij verder kon gaan met de dienst.

Misjna Zij zeiden tegen de Kohen Gadol : „De bok heeft de woestijn bereikt.” Hoe wisten zij dat? Er waren uitkijkposten opgezet en die zwaaiden met vlaggen. [Er stonden verschillende uitkijkposten langs de route van de bok en zodra de bok de rots bereikt had, zwaaide de uitkijkpost die dat zag en dat werd weer gezien door een andere uitkijkpost, die het signaal weer doorgaf aan de volgende, enz. (Rasji).] Rabbi Jehoeda zei: Ze hadden een betrouwbare methode om te berekenen wanneer de bok de woestijn bereikt had [en de Kohen Gadol  hoefde niet te wachten totdat de bok de rots bereikt had, maar alleen totdat hij in de woestijn was]. Van Jeruzalem tot de woestijn was een afstand van 3 mil. Men liep met de begeleider van de bok mee van Jeruzalem tot een mil daarbuiten en dan keerden zij weer terug. Dan wachtten nog de tijd die nodig was om een mil te gaan, en zo wisten zij wanneer de bok de woestijn bereikt had.

Rabbi Jisjmaël zei: ze bonden een draad rode wol aan de ingang van het Heiligdom  en als de bok de woestijn bereikt had, werd de draad wit. [Volgens de Tanna Kamma en Rabbi Jehoeda werd de rode draad alleen vroeger aan de deur van het Heiligdom vastgemaakt, maar later niet meer maar werd hij later alleen vastgemaakt aan de horens van de bok en aan de rots, zoals we eerder geleerd hebben.]

We zullen terugkeren naar jou, sjnei se’irei

&

HOOFDSTUK ZEVEN – BA LO

In de laatste Misjna van het vorige hoofdstuk werd gezegd dat de Kohen Gadol, nadat hem verteld was dat de bok de woestijn bereikt had, naar de Ezrat Nasjiem – de binnenplaats voor de vrouwen – ging, om daar uit Tora voor te lezen. De volgende Misjna behandelt dat onderwerp verder.

Misjna De Kohen Gadol komt dan naar de vrouwen-binnenplaats om daar ui t Tora te lezen. Wanneer hij wil, mag hij dat lezen in de witte priesterkleding en als hij wil mag hij zijn eigen witte mantel aantrekken [dus er is geen verplichting om in priesterkleren te lezen Zij eigen mantel hoeft ook niet wit te zijn, maar het is nu eenmaal de gewoonte om op Jom Kippoer in het wit gekleed te gaan]. De sjammasj van de synagoge [die dichtbij de binnenplaats was] bracht de Tora-rol en overhandigde die aan de gabbai van de synagoge, die het op zijn beurt overhandigde aan de segan, en die gaf de Tora-rol aan de Kohen Gadol.  De Kohen Gadol reest de afdeling van Acherei mot [Wajjikra 16:1-34] en Wajjikra  23:26 [tot 32]. Daarna rolt hij de Tora-rol op en plaatst hem onder zijn arm en hij zegt: „Er staat hier nog meer in geschreven,” en hij leest uit zijn hoofd voor uit Bamidbar 29:7-11 [dat gaat over de moesaf dienst van Jom Kippoer]. Daarna zegt hij de beracha [die gezegd wordt na het lezen van Tora: Asjer natan lanoe…] en nog acht andere berachot. De Misjna vemeldt tot slot, dat het verbranden van de stier en de bok te ver weg gebeurt, dat degene die daar getuige van is, niet ook de Kohen Gadol kan zien als hij uit Tora leest.

Gemara We zien aan de woorden van de Misjna dat het lezen uit Tora geen avoda is, want de Kohen Gadol mag dat doen in zijn eigen kleren. En verder blijkt dat hij gebruik mag maken van de priesterkleding, ook als hij geen awoda doet, namelijk als hij uit Tora leest. Betekent dit dat een Kohen in het algemeen privé profijt mag hebben van zijn priesterkleding?

De Gemara antwoordt: Dat is niet noodzakelijk, misschien mag het alleen voor het lezen uit Tora. Dat hoort immers bij de dienst van die dag, ook al is het geen awoda.

Een bewijs dat het wel mag: Een Misjna in Tamied 25b zegt: De Kohaniem mogen niet in hun priesterkleren slapen. Dus kennelijk mogen zij er wel in eten en mogen zij er dus profijt van hebben?

De Gemara werpt tegen: De Kohaniem eten van de offers en dat hoort bij de dienst. Als de Kohaniem van het offervlees eten, verkrijgen de eigenaars van het offerdier verzoening van hun zonden. Dus dat bewijst niets.

De Gemara vraagt: De Misjna zegt dat de Kohaniem er alleen niet in mogen slapen, dus wel in wandelen?

De Gemara antwoordt: Nee dat mag ook niet. Maar de Misjna verbiedt alleen het slapen in priesterkleren, om te vertellen dat ze hun kleren oprolden en onder hun hoofd legden.

Rav Pappa zegt: Dat wil zeggen dat zij het naast hun hoofd legden.