Archief Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 69

Door Zwi Goldberg

Profijt hebben van priesterkleren (vervolg)

De Gemara gaat verder met het probleem van het profijt hebben van priesterkleren.

Aan dit probleem zitten twee kanten: a. Het profijt dat de Kohen van de priesterkleren heeft als kleding, en b. in de priesterkleding zit sja’atnez. Mag de Kohen dat dragen als hij geen dienst heeft? Als de Kohen  de kleren onder zijn hoofd legt, als hij gaat slapen, dan profiteert hij van sja’atnez!? [In de Gemara op daf 6a en daf 12a hebben we geleerd dat er een machloket is, of de gordel van de gewone Kohaniem gemaakt was van uitsluitend linnen of van wol met linnen, zoals de gekleurde gordel van de Kohen Gadol op Jom Kippoer. Volgens de mening dat de gordel van de gewone Kohen van wol en linnen was, zou hij nooit met die gordel mogen slapen, want dat is sja’atnez.]

De Gemara vraagt: Mag de Kohen dan wel op de sja’atnez gordel liggen?

Een Baraita antwoordt: Tora verbiedt alleen het dragen van sja’atnez, maar de Rabbijnen hebben ook verboden erop te liggen.

De Gemara antwoordt: Dus sliepen de Kohaniem niet op de opgerolde kleren, maar legden zij die naast hun hoofd!

Een ander antwoord (Rav Asji): De priesterkleding was gemaakt van stijf linnen en de Kohaniem hadden er dus geen profijt van als ze de kleren opgerold onder hun hoofd legden.

Een Baraita geeft uitsluitsel: Alleen buiten de Tempel is het verboden gebruik te maken van de priesterkleren, maar binnen de Tempel mogen de Kohaniem gebruik maken van hun priesterkleren. [Volgens Rambam mag hij dat alleen op de dag dat hij dienst doet, volgens Tosafot alleen na zijn dienst, maar mag hij het niet voor privé gebruiken.]

Megillat Ta’aniet

[Megillat Ta’aniet (de Rol van Vasten) is een samenvatting van alle dagen waarop grote wonderen en overwinningen voor het Joodse volk plaatsvonden tijdens de Tweede Tempel-periode. Deze rol was samengesteld door Chananja ben Chizkia en zijn collega’s tijdens die periode. Deze dagen werden ieder jaar gevierd als kleine feestdagen. Op sommige van deze dagen was het verboden te vasten, maar waren grafreden toegestaan, terwijl op andere van die feestdagen ook grafreden verboden waren. Na de verwoesting van de Tweede Tempel, verloren al deze dagen hun speciale status, behalve Chanoeka en Poeriem.]

Een Baraita in Megillat Ta’aniet leert: De 25e Tewet is de dag van de berg Geriziem [op die berg hadden de Koetiem hun Tempel gebouwd (Rasji)]. Op die dag is het verboden grafreden te houden. Op die dag verkregen de Koetiem  toestemming van Alexander de Grote om de Tempel in Jeruzalem te verwoesten. Toen dit ter ore kwam van Sjim’on Hatsaddiek [Kohen Gadol en een van de laatste overlevenden van de Mannen van de Grote Vergadering], trok hij zijn Hoge-Priesterkleren aan en ging naar Alexander de Grote, vergezeld van enkele notabelen van Israël.  Terwijl zij Alexander van de ene kant naderden, kwam een delegatie van de Koetiem van de andere kant. Toen Alexander Sjim’on Hatsaddiek zag, stapte hij uit zijn rijtuig en boog voor hem. Hij verklaarde: Een beeltenis als van deze man verscheen mij voor iedere strijd die ik voerde en die ik overwon. Hij vroeg aan Sjim’on Hatsaddiek wat de reden van zijn komst was. Die antwoordde: „Wilt u toestaan dat afgodendienaren het huis verwoesten, waarin wij bidden voor u en voor uw rijk, dat het niet verloren zal gaan?” Alexander vroeg daarop: „Wie zijn diegenen die mij misleid hebben?”  Sjim’on Hatsaddiek antwoordde: „Dat zijn die Koetiem die hier voor u staan.” Onmiddellijk werden de Koetiem gedood. Daarop werd hun tempel op de berg Geriziem verwoest.

De Gemara vraagt: Van deze Baraita kunnen wij leren dat de Kohen Gadol Sjim’on Hatsaddiek in zijn priesterkleren de Tempel en zelfs Jeruzalem verliet om zijn missie te volbrengen?

De Gemara antwoordt: Misschien waren het niet de echte priesterkleren, maar leken zij erop. En misschien waren het wel de echte priesterkleren, maar is het in een tijd van nood toegestaan, want er staat in Tehilliem 119:126: „Het is tijd om voor Hasjem te handelen, zij hebben Uw Tora  ongeldig verklaard.”

Verboden te zitten in het Beit HaMikdasj

Onze Misjna vertelt dat wanneer de Kohen Gadol de Tora-rol in ontvangst neemt van de Segan, hij opstaat. Dat leert dat hij tot dat moment gezeten heeft?

Daf 69b

De Gemara vraagt: Maar we hebben immers geleerd dat behalve de koningen uit de dynastie van Koning David, niemand in het Beit HaMikdasj mag zitten?

De Gemara antwoordt: De Ezrat Nasjiem – de Vrouwen-binnenplaats was niet inbegrepen in de heiligheid van het Beit HaMikdasj, en daar gold dus dit verbod niet.

Ezra en de Grote Naam

De Gemara vraagt: Er staat geschreven (Nechmaja 8:6): „En Ezra prees Hasjem de grote G-d.” Wat betekent dat?

Antwoordt Rav: Hij sprak de verboden Naam uit.

Antwoordt Rav Gidel: Hij stelde in dat de beracha in de Tempel zou eindigen met de woorden: „Geprezen is Hasjem, G-d van Israël, van de Wereld tot de Wereld” [d.w.z. van deze Wereld tot de Komende Wereld].

Hoe avoda zara werd opgeheven

De Gemara vertelt hoe de Mannen van de Grote vergadering jammerden dat de Eerste Tempel verwoest was door onbedwingbare afgoderij, dat daardoor de rechtvaardigen gedood waren en het Joodse volk verbannen was. [Wij kunnen ons niet meer voorstellen, hoe een intense aantrekkingskracht de afgodendienst in die tijd op het Joodse volk had. De verklaring hiervoor volgt.] De Geleerden verklaarden dat zij wilden dat het verlangen naar afgoderij zou verdwijnen en dat zij geen beloning meer wilden om dat te overwinnen. Na drie dagen en drie nachten kwam er een vurige leeuw uit het Heilige der Heiligen. De Profeet Zacharja zei: „Dit is de slechte neiging voor afgoderij.” Zij grepen de leeuw en stopten hem in een oven en sloten die af. Zo werd het verlangen naar afgoderij uit de wereld gehaald, Hasjem had het in de macht gegeven van de Geleerden en die hebben het verbannen. [Daarom kunnen wij ons nu niet meer voorstellen hoe dat vroeger aantrekkingskracht had.]

De neiging tot immoreel gedrag

Nu de Mannen van de Grote vergadering de macht hadden gekregen om de neiging tot afgoderij te bedwingen, vroegen zij ook de macht om de neiging tot immoreel gedrag uit te roeien.

Daarop legde de Kwade Neiging hen uit, dat dan de wereld ontvolkt zou worden. Het was gedurende drie dagen aan hen overgeleverd [d.w.z. gedurende die drie dagen was er geen enkele seksueel verlangen meer aanwezig bij mens en dier] en in die tijd waren er geen verse eieren meer te vinden. Zij begrepen dat wanneer zij die Slechte Neiging zouden doden, de wereld ontvolkt zou raken. Zij besloten de Slechte Neiging blind te maken en als gevolg daarvan heeft een man geen seksuele verlangens meer naar zijn naaste familieleden.

De Mannen van de Grote Vergadering

De Gemara vraagt: Waarom werden zij de „Mannen van de Grote Vergadering” genoemd?

De Gemara antwoordt: Zij herstelden de kroon van G-ds glorie. Mosjé zei (Dewariem 10:17): „De grote, de machtige, de ontzagwekkende G-d.” Jeremiahoe zag de soldaten van Newoechadnetsar in de Tempel en vroeg: „Waar is G-ds ontzagwekkendheid?” Hij liet dat woord daarom weg in zijn gebed. Toen Daniël zag hoe het Joodse volk in Babylonië als slaven behandeld werd, vroeg hij: „Waar is G-ds macht?” En hij liet dat woord weg uit zijn gebeden. De Mannen van de Grote vergadering voerden weer in dat men moest zeggen: „HaE-l HaGadol HaGibor weHaNora – de Grote, machtige en ontzagwekkende G-d.”

Moeten wij dat nu ook nog zeggen, nu G-d Zijn gezicht voor ons verborgen heeft, de vreemde volken ons Huis verwoest hebben en ons onderdrukken?

De Gemara zegt dat het antwoord juist het tegendeel is. Dat het G-ds kracht en ontzagwekkende macht is, waarmee Hij Zijn woede beheerst, en die Hem weerhoudt, om de booswichten, die Israël onderdrukken, onmiddellijk te vernietigen. En zonder dat zou Israël niet hebben kunnen bestaan tussen de zeventig volken.

Het overslaan van gedeelten van Tora bij het lezen

De Misjna vertelt dat de Kohen Gadol op Jom Kippoer eerst voorleest uit Wajjikra 16 en daarna uit Wajjikra 23. Maar een Misjna in Megilla 24a zegt dat men bij het voorlezen uit Tora niet iets mag overslaan?

Abbajjé antwoordt: De Misjna in Megilla heeft het over een situatie waar twee verschillende onderwerpen gelezen worden. Dan mag men niet overslaan wat er tussenin staat. Maar onze Misjna heeft het over twee dezelfde onderwerpen en dan mag dat wel.

Abbajjé’s woorden worden gesteund door een Baraita die zegt: Men mag bij het lezen uit Tora van de ene afdeling naar een andere overslaan, wanneer beide onderwerpen hetzelfde zijn. Bij het lezen ujit de Profeten mag men ook overslaan als het verschillende onderwerpen betreft, mits de vertaler niet gestopt is intussen [in de tijd van de Misjna werd datgene wat uit Tora en profeten (Haftara) werd voorgelezen, vertaald voor het publiek in de Aramese volkstaal]. Verder mag men niet van  het ene profeten-boek overspringen naar een ander profeten-boek, behalve binnen de Twaalf Kleine Profeten, daar mag men wel van het ene boek naar het andere overspringen.