Archief Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 70

Door Zwi Goldberg

Waarom de Kohen Gadol uit zijn hoofd uit Tora voorleest

De Gemara vraagt waarom de Kohen Gadol verklaart dat er nog meer in de Tora staat, dan wat hij daaruit heeft voor­gelezen, namelijk wat hij nu uit zijn hoofd gaat voorlezen en waarom hij dat niet ook uit de Tora-rol voorleest.

De Gemara antwoordt, dat we het publiek niet willen laten wachten totdat de Tora-rol van Wajjikra 23 naar Bamidbar 29 is opgerold. En om te voorkomen dat men zou denken dat het gedeelte dat hij uit zijn hoofd leest, niet in Tora staat, verklaart de Kohen Gadol dat dit er eveneens in staat.

De reden dat we geen tweede sefer Tora brengen, zoals wij tegenwoordig overal in de synagoge doen, is dat daaruit door twee verschillende mensen wordt gelezen, en dan is daar geen bezwaar tegen, maar hier, op Jom Kippoer in de Tempel, zou alleen de Kohen Gadol uit beide rollen lezen en dan lijkt het alsof de eerste rol pasoel is, want we laten nooit voor dezelfde persoon uit twee verschillende Tora-rollen lezen.

Een andere verklaring is om te voorkomen dat er tweemaal een beracha gezegd zou moeten worden.

De acht berachot

De Misjna leert dat de Kohen Gadol acht berachot zegt na de Tora-lezing. De Gemara licht toe, dat de eerste van die berachot dezelfde is als die welke iemand die in de synagoge is opgeroepen, zegt na het lezen van Tora (‘Al haTora). De volgende drie berachot zijn die, welke wij in de Sjemonee Esree zeggen, namelijk retsei, modiem en het laatste deel van de middelste beracha op Jom Kippoer. De overige berachot zijn speciale berachot voor die gelegenheid.

Een Baraita vertelt ten slotte dat iedereen die een sefer Tora thuis had, dat meenam en daaruit las, om het aan iedereen te laten zien. Daarmee tonen wij aan hoe trots wij zijn op onze Tora en hoe wij bereid zijn daar veel aandacht en geld aan te besteden om die te verfraaien.

De andere korbanot

Misjna De Misjna bespreekt de volgorde van de rest van de dienst van die dag: Wanneer de Kohen Gadol Tora gelezen heeft in de linnen kleren [zoals op daf 68 al verklaard was, had de Kohen Gadol de keuze om uit Tora te lezen in zijn witte linnen dienstkleren of in zijn eigen kleren], dan heiligt [wast] hij nu zijn handen en voeten, kleedt zich uit, gaat in het mikwe, komt daar weer uit en droogt zich af [dit is de derde keer dat hij in het mikwe gaat].

Dan brengt men hem zijn gouden kleren, die hij aantrekt, waarna hij zijn handen en voeten opnieuw heiligt. Hij voert dan de dienst van zijn ram en van de ram van het volk uit [zoals beschreven staat in Wajjikra 16:24, d.w.z. hij slacht ze, vangt hun bloed op, gooit dat op het buiten-altaar en verbrand de offerdelen], en van de zeven schapen [voor de moesaf-dienst, zie Bamidbar 29:8]. Aldus Rabbi Eliëzer, maar R. Akiwa zegt: die zeven schapen werden gebracht bij de ochtenddienst, en de stier als brandoffer en de bok [van Bamidbar 29:11] werden gebracht mij de middagdienst.

Daarna heiligde hij weer zijn handen en voeten, deed zijn gouden kleren uit, ging [voor de vierde maal] in het mikwe, kwam eruit en droogde zich af. Dan bracht men hem zijn witte linnen kleren, die hij aantrok, waarna hij opnieuw zijn handen en voeten heiligde.

Daarna ging hij het Heiligdom binnen en haalde daar de lepel [waarop hij eerder op de dag het ketoret had gebracht] en de kolenpan [waarop hij het ketoret had verbrand, en die hij beide, de lepel en de pan, in het Heiligdom had achtergelaten en die hij nu mee naar buiten nam].

Hij heiligde opnieuw zijn handen en voeten,  kleedde zich uit, ging [voor de vijfde keer] in het mikwe, kwam daar weer uit en droogde zich af, trok zijn gouden kleren aan en heiligde opnieuw zijn handen en voeten.

Daarna ging hij het Heiligdom binnen om daar het ketoret van de namiddag-dienst te verbrandden en om de Menora aan te steken. Daarna ging hij weer naar buiten.

Hij heiligde opnieuw zijn handen en voeten, kleedde zich uit, trok zijn eigen kleren aan, waarna men hem naar zijn huis begeleidde. Daar gaf hij een feest voor zijn vrienden, voor het feit dat hij heelhuids uit het Heiligdom was gekomen [want Tora waarschuwt dat de Kohen Gadol niet zomaar het Heilige der Heiligen binnen mag gaan, maar alleen op Jom Kippoer, en dan alleen nog voor de juiste dienst, en dat alles op straf van de dood].

Het offer van de zeven schapen, de stier en de bok

De Misjna noemt een meningsverschil tussen R. Eliëzer en R. Akiwa over het tijdstip waarop de zeven schapen, de stier en de bok geofferd werden. De Gemara gaat wat dieper op die discussie in. Het blijkt dat er verschillende versies zijn van hun mening in Baraitot en Toseftot over de volgorde waarop de offers gebracht werden.

Daf 70b

De Gemara vraagt wat de reden is dat R. Eliëzer zegt dat de moesaf-offers samen met de middag-offers gebracht worden?

De Gemara antwoordt: R. Eliëzer meent dat de offers gebracht moeten worden in de volgorde dat zij in Tora genoemd worden. Dus eerst de offers die in Wajjikra genoemd worden, en dan die welke in Bamidbar genoemd worden. [Dus hij begint met het ochtend-tamied (daar begint de dag altijd mee), dan de dienst van de Dag, zoals die in Wajjikra 16 genoemd wordt, waarna de ram van het volk geofferd word, die eveneens in Wajjikra 16:24 genoemd wordt. Daarna volgt de verbranding van het chataat (vs. 25). Hij gaat dan naar binnen en verwijdert de lepel en de kolenpan (vs. 23, maar dat is de laatste dienst van de Dag). Pas daarna komt de moesaf-dienst, die in Bamidbar genoemd wordt, en daarna het namiddag-tamied.]

De Gemara vraagt: En wat is de redenering van R. Akiwa?

De Gemara antwoordt:  Er staat geschreven in Bamidbar 28:23: „Behalve het ochtend-brandoffer, dat tot bestendig brandoffer is, zul je deze [moesaf-offers van Pesach] offeren [samen met het ochtend-tamied]. Rabbi Akiwa leidt hiervan af dat ook de moesaf van Jom Kippoer samen met het ochtend-tamied gebracht moet worden.