Archief Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 71

Door Zwi Goldberg

De verwijdering van de lepel en de schep (vervolg)

De Gemara haalt een Baraita aan, die leert van een vers in Wajjikra 16:23 dat de Kohen Gadol de lepel en de schep uit het Kodesj Kodasjiem haalt, die hij daar eerder op de dag had achtergelaten. De Baraita zegt dat de hele Jom Kippoer-dienst in de juiste volgorde beschreven staat in Tora, behalve dit vers, dat niet in de juiste volgorde staat, namelijk dat dit plaats vond op een later moment.

Rav Chisda legt uit wat de reden hiervan is: wanneer de dienst in de volgorde van de Tora-verzen zou worden gehouden, zou de Kohen Gadol maar driemaal in het mikwe gaan, maar we hebben een traditie dat hij vijf keer in het mikwe moet op Jom Kippoer. Iedere keer dat hij van kleren verwisselt, moet hij in het mikwe en moet hij tweemaal zijn handen en voeten heiligen [wassen], eenmaal ervoor en eenmaal erna. Om tot vijf onderdompelingen en tien heiligingen te komen moet de Kohen Gadol eenmaal extra zijn witte kleren verwisselen voor de gouden kleren, om de rammen buiten te offeren, waarna hij weer zijn witte kleren aandoet, om de lepel en de schep te halen.

Rawa geeft een andere verklaring waarom het vers niet in de juiste volgorde staat: Vers 23 luidt: „En Aharon zal naar de Tent der Samenkomst komen; dan zal hij de linnen kleren, waarin hij gekleed was toen hij het heiligdom binnenging, uittrekken, en ze daar neerleggen.” Welnu, iemand kan alleen de kleren uittrekken waarin hij gekleed is. Dus de woor­den „ waarin hij gekleed was” betekenen dat hij daarin al eerder gekleed was. [Dus het uittrekken van de linnen kleren, nadat hij de lepel en de schep uit het Allerheiligste verwijderd heeft, is de tweede keer dat hij ze uittrekt. Dus er moet een dienst in de gouden kleren tussenin geweest zijn (Rasji)].

De Gemara maakt bezwaar tegen de uitspraak van de Baraita, dat de hele Jom Kippoer-dienst, behalve vers 23 in de juiste volgorde staat, want vers 25 beschrijft de verbranding van de offerdelen van de chataat-stier en de chataat-bok, terwijl in vers 27 staat dat de resten van die dieren buiten het kamp verbrand worden. Maar we hebben eerder geleerd, dat die twee handelingen gelijktijdig gebeurden, want wie het ene zag, kon het andere niet zien. De Gemara concludeert dat de Baraita bedoelt dat de hele dienst tot vers 23 in de juiste volgorde beschreven staat.

De ontmoeting tussen de Kohen Gadol en degene die de bok voor Azazel begeleidt

De man die de bok voor Azazel begeleidt, blijft in de woestijn in de laatste hut tot de avond en de volgende dag (Rasji) brengt hij aan de Kohen Gadol verslag uit. Maar zijn verslaggeving is afhankelijk van waar hij de Kohen Gadol ontmoet. Wanneer hij hem bij de Kohen Gadol thuis spreekt, zegt hij: „Ik heb de opdracht van Hem, die het leven geeft, uitgevoerd.” Maar als hij de Kohen Gadol op straat tegenkomt, dan geeft hij hem alle eer voor het publiek en zegt: „Ik heb uw opdracht uitgevoerd!”

De Gemara geeft nog enkele voorbeelden van begroetingen en verzen die met het leven te maken hebben.

De beledigde Kohen Gadol

De Misjna vertelt dat wanneer de Kohen Gadol zijn dienst beëindigd had, hij naar huis ging en daar een feest voor zijn vrienden gaf. Een baraita vertelt de volgende gebeurtenis. Eens kwam de Kohen Gadol na  afloop van Jom Kippoer uit de Tempel, begeleid door vrienden en anderen die hem hiermee eer bewezen. Totdat zij Sjamaja en Avtalion tegenkwamen, de Tora-leiders van die generatie, die allebei van niet-Joodse afkomst waren maar tot het Jodendom waren toegetreden. De volgelingen van de Kohen Gadol sloten zich nu aan bij deze twee Tora-giganten. Toen Sjamaja en Avtalion afscheid wilden nemen van de Kohen Gadol, merkte die schamper op dat de afstammelingen van de volken van de wereld in vrede zouden verder gaan [een verwijzing naar hun niet-Joodse afkomst]. Waarop zij antwoordden dat het beter was dat de afstammelingen van de volken van de wereld, die de praktijk van Aharon volgden [die vrede nastreefde], door vrede begeleid zouden worden, dan dat een afstammeling van Aharon [de Kohen Gadol], die niet die vrede nastreeft [maar die hen beledigde] niet door vrede begeleid wordt.

Daf 71b

Misjna De Kohen Gadol doet dienst in acht kledingstukken [behalve als hij op Jom Kippoer de witte linnen kleren moet dragen] en een gewone Kohen in vier, [namelijk] een hemd, een broek, een tulband en een gordel; bovendien heeft de Kohen Gadol een chosjen [borstschild], een efod [sierkleed], een mantel en een tsiets [voorhoofds­plaat]. In deze acht kleren gekleed konden de Oeriem WeToemiem geraadpleegd worden. Zij werden alleen geraadpleegd voor een koning, voor de het hoofd van het Sanhedrin of voor de gemeenschap.

[Nergens in Tora, noch in de Misjna of Gemara staat een aanwijzing wat de Oeriem WeToemiem waren. De meeste Risjoniem veronderstellen dat het een stuk perkament was, waarop de onuitsprekelijke Naam geschreven stond.]

Gemara Een Baraita leert over het verschillende aantal draden waar de verschillende linnen kleren en kleden van het Beit HaMikdasj uit gemaakt waren: voorwerpen, waarvan Tora zegt dat ze gemaakt zijn van sjeesj [linnen] uit zes samen ge­vloch­ten draden, anderen uit twaalf tot achtentwintig draden. De Gemara leidt van Sjemot 39:27-28 af dat alles wat van sjeesj ge­maakt is, uit zes linnen draden bestaat [sjeesj betekent in het Hebreeuws ook ‘zes’].

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat sjeesj linnen is? [De Tora gebruikt verschillende woorden voor linnen en in Ester 1:6 wordt het woord gebruikt in de betekenis van marmer. Sjaisj is wit marmer.]

De Gemara antwoordt: Vers 28 zegt dat „de linnen broek van de Kohaniem gemaakt was getweernd linnen.” Voor het eerste woord ‘linnen’ gebruikt Tora het woord bad, dat duidt op linnen. Voor het tweede woord ‘linnen’ gebruikt Tora sjeesj. Dus sjeesj is linnen en geen marmer.

Een andere verklaring: In Jechezkel 44:18 staat dat de kleren van de Kohen van pischtan zijn gemaakt. Pischtan is linnen.

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat wat Tora ‘getweernd’ noemd, uit acht draden bestond?

De Gemara antwoordt: Dat leren we uit een vergelijking tus­sen de verzen Sjemot 39:24 en Sjemot 26:31. Dit laatste vers beschrijft hoe het parochet van drie soorten wol en linnen ge­maakt was, van sjeesj, en sjees bestaat uit zes draden [zie boven] dus vier koorden van zes draden elk is 24 draden. Uit de beschrijving van Sjemot 39:24 blijkt dat de granaat­appelen aan de zoom van mantel van de Kohen Gadol, die van drie soorten getweernd materiaal gemaakt zijn, ook uit 24 draden moet bestaan, dus ieder getweernd koord bestaat uit acht draden.

Een ander antwoord: We leren dat van de gordel van de Kohen Gadol. Die was ook gemaakt van sjeesj/linnen en drie soorten wol, elk van zes draden, dus totaal 24 draden.