Archief Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma 72

Door Zwi Goldberg

De draden van de kleren van de Kohaniem (vervolg)

Vraag: Hoe weten we dat de me’iel [mantel] gemaakt is van 12-voudige koorden?

Antwoord: Er staat geschreven [Sjemot 28:31]: „En je zult de me’iel[1] van de efod[2] maken van keliel techelet.” Zoals het parochet [3] gemaakt was van techelet – zes gevlochten hemelsblauwe draden – zowas ook het techelet van de mantel van zes draden gemaakt. Keliel wil zeggen: gevlochten en men heeft minstens twee snoeren nodig om te vlechten, dus tweemaal zes is twaalf draden [kennelijk vertaalt de Gemara het woord keliel hier met ‘gevlochten’].

Het aantal draden van het parochet

We hebben op daf 71b al geleerd hoe wij weten dat het parochet was gemaakt van koorden die uit 24 draden waren samen­gesteld.

De chosjen en de efod waren elk gemaakt van 28 draden

Er staat geschreven [Sjemot 28:15]: „En je zult een chosjen misjpat[4] maken zoals de efod gemaakt is, van goud, van techelet, van argaman [purperrood?], tola’at sjani [karmozijnkleurige wol?] en getweernd sjeesj [linnen]. De laatst genoemde vier materialen bestonden uit zes draden, zoals blijkt uit het woord sjeesj, totaal dus 24 draden, plus vier gouddraden, maakt samen 28.

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat het goud uit vier draden bestond?

De Gemara antwoordt: In Sjemot 38:3 staat letterlijk: „En men plette de gouden platen en sneed de draden.” Het woord ‘draden’ duidt op minstens twee draden en als men twee draden snijdt, krijgt men vier draden.

Het scheuren van de priesterkleren

Rachava (in naam van Rav Jehoeda): Men krijgt zweepslagen als men de priesterkleren scheurt, want er staat ge­schre­ven [Sjemot 28:32]: „Het [me’iel] zal een boord voor een opening rondom hebben… zij zal niet ingescheurd worden.” Je moet dit lezen als een gebod: „Je mag het niet inscheuren.”

Het chosjen mag niet losgemaakt worden van het efod

Wie het chosjen losmaakt van het efod wordt gekastijd, want er staat [Sjemot 28:28]: „Het chosjen zal niet worden losgemaakt van de efod.”

De draagbomen van de Ark

R. Elazar: Wie de draagbomen uit de ringen van de Ark verwijdert, wordt gekastijd, want er staat geschreven [Sjemot 25:14-15]: „En je zult de draagbomen doen in de ringen aan de zijkant van de Ark… zij zullen er niet uit wijken.”

Het staande cederhout

Er staat geschreven [Sjemot 26:15]: „En je zult de planken van het Misjkan maken van staand cederhout.” Dat wil zeggen dat de planken moeten staan, zoals zij groeien.

Bovenstaand vers kan ook gelezen worden als: „ En je zult de planken van het Misjkan maken van cederhout, zij staan.” Hierop gebaseerd geeft de Gemara nog een andere betekenis: nu het Misjkan niet meer bestaat en de balken begraven zijn [Sota 9a], zou je kunnen denken dat die houten planken in de loop van de vele eeuwen zijn weggerot. Het vers vertelt ons echter dat zij nog (be-) staan en blijven bestaan.

Daf 72b

Bigdei hesarad

Sjemot 35:19 zegt: „De bigdei haserad om dienst te doen in het Heiligdom.” Opperrabbijn onderwijzer vertaalt het met „de gevlochten kleden.” Rasji schrijft daar dat het de kleden waren, waarmee de Ark en de andere voorwerpen uit het Heiligdom bedekt en ingepakt werden tijdens het transport door de woestijn.

Rav Chama bar Chanina verklaart dat zonder de priesterkleren er geen rest [saried] van overlevenden van het volk zou zijn. [Zonder priesterkleren is er geen Tempeldienst en zonder Tempeldienst worden de zonden van Israël niet vergeven en zonder vergiffenis zou Israël allang niet meer bestaan.]

Een andere verklaring voor het woord serad: het niet-geweven deel van een overigens geweven kledingstuk op het weefgetouw. Dit ongeweven gedeelte werd aan de rest van kleding vastgenaaid. De priesterkleding was weliswaar geweven op het weefgetouw, maar de mouwen waren aan de rest van de kleding vastgenaaid.

De Ark

Rachava zei in naam van Rav: Betsalel maakte drie kisten voor de Ark. De middelste was van cederhout, negen tefachiem hoog [Sjemot 25:10 zegt: anderhalve amma hoog, en een amma is zes tefachiem]. De binnenste kist die van goud was, was acht tefachiem hoog [de cederhouten kist had een bodem van een tefach dik en had dus een inwendige hoogte van acht tefachiem]. De buitenste gouden kist was tien tefachiem en nog iets hoog. [Op de middelste kist lag het kaporet – deksel – dat een tefach dik was en die viel binnen de buitenste kist (zie diagram 1). De boden van de buitenste kist had een dikte van ‘iets’.

Andere maten: Een Baraita zegt dat de buitenste kist elf tefachiem plus iets hoog was. Dit is volgens de mening dat de bodem van de buitenste kist een tefach dik was en het ‘iets’ is de hoogte van de gouden krans (of kroon) rondom de deksel, die in 25:11 genoemd wordt (zie diagram 2).


De drie kronen

Rabbi Jochanan zei: er waren drie kronen in de Tempel, één rondom het gouden binnen Altaar, en die was er vanwege de verdienste van Aharon, en zijn navolgelingen verkregen die kroon; één rondom de Tafel, vanwege de verdienste van David en zijn nakomelingen verkregen die kroon. De derde kroon, om de Ark is de kroon van Tora. Ieder die Tora leert, heeft er recht op.

Over Tora-geleerden

De Ark was van binnen en van buiten van goud. Dat betekent, zegt Rawa, dat een Tora-geleerde wiens binnenste niet is als zijn uiterlijk, geen echte Tora-geleerde is. Abbajjé zei: zo iemand is afschuwelijk.

Wee de Tora-geleerden die Tora leren, zonder de vrees voor de Hemel!

Wee degene die een poort naar een binnenplaats bouwt, zonder binnenplaats [wie Tora leert, zonder daarmee zijn vrees voor de Hemel op te bouwen].

De vrees voor Tora is puur en duurt eeuwig. Eerst moet men trouwen en daarna Tora leren. [Een getrouwde man heeft geen onzuivere gedachten want zijn behoeften zijn bevredigd.]

Borduurwerk en kunstweverswerk

In Sjemot 26:36 staat dat het gordijn voor de ingang van de Tent der Samenkomst van borduurwerk gemaakt moest worden, terwijl in vers 26:1 staat dat de tapijten van de Woning van kunstweverswerk waren. Dat wil zeggen: eerst werd het patroon ontworpen en daarna werden de kleuren daarop volgens het ontwerp geborduurd.

Een andere verklaring: Het borduurwerk was aan één kant, het kunstweverswerk had een patroon aan twee kanten van het kleed [aan de ene kant een leeuw, aan de andere kant een adelaar (Rasji)].


 

[1] me’iel – mantel.

[2] efod – het veelkleurige bovenkleed, een soort omgekeerd schort.

[3] Parochet – het gordijn dat het Heiligdom scheidde van het Heilige der Heiligen

[4] chosjen misjpat – een borstschild voor de rechtspraak.