Vroegere dappiem Joma

Aanmelden

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Joma

Door Zwi Goldberg

Inleiding

Traktaat Joma gaat over de dag van het jaar (Joma is Aramees voor ‘De Dag’), namelijk Jom Kippoer. Het is de meest bijzondere dag van het Joodse jaar en dat was het ook in de tijd van de Tempel. Het traktaat gaat hoofdzakelijk over de dienst (avoda) van de Kohen Gadol op deze dag,  in de tijd dat het Beit HaMikdasj nog bestond. Het was alleen op Jom Kippoer dat een Jood het Heilige der Heiligen kon binnengaan en dan nog wel alleen de Kohen Gadol. Alleen op Jom Kippoer kon het volk Israël verzoening verkrijgen voor zijn zonden van het afgelopen jaar, dankzij de dienst van de Kohen Gadol. Het belang van deze dienst komt tot uiting in het feit dat wij tot vandaag deze tempeldienst citeren tijdens het Moesaf-gebed op Jom Kippoer, waarbij onze lippen compenseren voor de afwezigheid van de stieren die geofferd werden, zoals de Profeet Hosjea zegt (14:3): „Laat onze lippen compenseren voor de afwezige (offer-) stieren.” En zoals onze gebeden compenseren voor de daadwerkelijke offerdienst, die wij niet meer kunnen brengen, zo heeft studie van voorschriften voor deze dag zeker de verdienste dat wij die dienst en dus ook de gebeden beter zullen begrijpen.

Voor een goed begrip van het traktaat volgt hier een beknopte beschrijving van de offers die op die dag gebracht werden.

Behalve het dagelijks mincha-offer (een issaron fijn meel, verhit in kokend water, gebakken in een oven en gefrituurd in een pan) ’s ochtends en ’s middags, en de begeleidende plengoffers bij het ola’ [brandoffer], werden er uitsluitend dieroffers gebracht.

Op Jom Kippoer werden, behalve de dagelijkse offers, twee categorieën speciale offers gebracht: het chataat of schuldoffer en het ‘ola of brandoffer.

Het chataat of schuld-offer

Er zijn twee soorten chataat, het „binnen chataat” en het „buiten chataat.” Van alle offers werd het bloed op het buitenaltaar gespat. Het enige uitzondering op die regel is het „binnen chataat”. Het werd in de heichal – Heiligdom – op het gouden binnen-altaar aangebracht, dat gebruikt werd voor het dagelijkse kruidenoffer, en soms werd het bloed gespat in het Kodesj Hakodasjiem – het Heilige der Heiligen of het Allerheiligste, dat wil zeggen, de ruimte achter het Parochet  – voorhang – waar in de eerste Tempel de Heilige Ark stond. De offerdelen – emoriem – van dit binnen-chataat worden op het buitenaltaar verbrand en de rest van het offerdier werd buiten Jeruzalem verbrand.

Het bloed van het „binnen-chataat”  werd net als dat van de andere offers op het buitenaltaar aangebracht en wel op de vier hoorns van het altaar. De emoeriem werden op het buitenaltaar verbrand en de rest van het vlees van dit offerdier werd door de Kohaniem opgegeten op de binnenplaats van de Tempel. Er bestaan privé schuldoffers en publieke schuldoffers. Het privé schuldoffer werd gebracht als straf door iemand die een overtreding begaan heeft, waarop, wanneer de overtreding met opzet zou zijn begaan, de straf van kareet – uitroeiing door de Hemel – staat. De moessaf-offers van de feestdagen behoren tot de publieke chata’ot [meervoud van chataat]. Hiertoe behoort ook het moessaf-offer van Jom Kippoer.

Het ‘ola of brandoffer

Het brandoffer wordt in zijn geheel op het buitenaltaar verbrand en het bloed ervan wordt tegen de onderkant van de vier hoeken van het altaar gespat. Er werden op Jom Kippoer verschillende brandoffers gebracht.

De avoda – offerdienst

Iedere offerdienst heeft zijn eigen procedures en dat wordt de avoda genoemd, hetgeen letterlijk „dienst” betekent. Alle onderdelen van iedere avoda moeten worden uitgevoerd, maar niet alle onderdelen zijn even essentiëel. De enige onderdelen die van essentiëel belang zijn, en zonder hetwelke het offer ongeldig is, is de bloed avoda. Dit bestaat uit vier handelingen:

a) De sjechita – het slachten;

b) de kabbala – de opvang van het bloed in een klie sjaret – een heilige schaal;

c) de holacha – het brengen van het bloed naar het altaar

d) de zerika – het gooien van het bloed tegen het altaar. Het bloed van het buiten-chataat wordt met de vingers op de vier hoeken van het altaar aangebracht, het bloed van het binnen-altaar wordt op de vier horens van het gouden binnen-altaar aangebracht en gespat in het Heilige der Heiligen.

Wanneer een van deze vier handelingen ontbreekt, is het offer ongeldig.

Nadat het bloed op het altaar is aangebracht, worden de emoeriem [de offerdelen] op het altaar gebracht om te worden verbrand. Dit zijn de harde vetdelen in het lichaam, het vet op de maag, op de nieren en op lendenen, de nieren zelf, het diafragma en een deel van de lever. En bij een schaap ook de staart. Het ‘ola wordt in zijn geheel verbrand.

Daarna mogen de Kohaniem het vlees van het offerdier eten [behalve dus van het ‘ola] en daarmee verkrijgt de eigenaar verzoening van zijn zonden.

Voor een beschrijving van de avoda op Jom Kippoer in de Tempel, zie Rambam, Hil. Avodat Jim Kippoer, hfd. 4.

DIAGRAM VAN DE TWEEDE TEMPEL

Dit diagram beeld de plattegrond van de Tweede Tempel uit volgens de mening van R. Eliëzer ben Ja’akov in Traktaat Middot, volgens de verklaring van Rasji en naar het voorbeeld van Artscroll Traktaat Joma.

1.     Har HaBajit – de Tempel berg

2.     Soreg – een latten afrastering

3.     Cheil – wordt besproken op daf 16a

4.     Twaalf traptreden van de cheil naar de vrouwen-binnenplaats

5.     Toegangspoort tot vrouwen-binnenplaats

6.     Ezrat Nasjiem - vrouwen-binnenplaats

7.     Kamer van het klein Sanhedrin bij toegangspoort

8.     Kamer van het klein Sanhedrin bij de toegang tot het Binnenplein van het Heiligdom

9.     Gallerij boven de Vrouwen-binnenplaats

10.  Kamer voor Naziers (zonder dak)

11.  Lisjkat Ha’etsiem - houtopslag kamer

12.  Lisjkat Hametsora’iem - kamer voor metsora’iem

13.  Lisjkat beit sjemanja - olie- en wijn-opslagkamer

14.  Vijftien traptreden van vrouwen-binnenplaats naar de Israëlieten-binnenplaats

15.  Sja’ar Nikanor - Nikanor Poort, hoofdingang naar het geheiligde Binnenplein van de Tempel

16.  Lisjkat Pinchas Hamalbiesj - Kamer van Pinchas de kleermaker

17.  Lisjkat ‘Os’ei Chwitien - kamer voor degenen die de chawitien bereiden

18.  Lisjkat klei sjier - kamers voor muziekinstrumenten (onder de Israëlieten-binnenplaats, met de ingang van­uit de vrouwen-binnenplaats

19.  Ezrat Jisraël - Israëlieten-binnenplaats

20.  Hoge stap (1 amma hoog) van Israëlieten-binnenplaats naar het Binnenplein van de Kohaniem, met daarboven de doechan waarop de Levieten stonden als zij zongen

21.  Ezrat Kohaniem - het Binnenplein van de Tempel, de binnenplaats van de Kohaniem

22.  Lisjkat Beit HaÈven - Kamer van het Stenen Huis

23.  Lisjkat HaGaziet - de Kamer van de Gehouwen Steen (zetel van het Groot Sanhedrin)

24.  Lisjkat Parhedrin

25.  Lisjkat Hagola - de kamer van de Diaspora

26.  Lisjkat hamèlech - de zoutkamer

27.  Lisjkat haparva - Parva-kamer met een mikwe op het dak

28.  Spoelkamer

29.  Helling naar het altaar

30.  Het buitenaltaar

31.  Twee tafels - een marmeren voor offerdelen en een zilveren voor het heilige vaatwerk

32.  De Kijor - het wasbekken

33.  Taba’ot -slachtringen

34.  Spoeltafel

35.  Nenasiem - kleine pilaartjes voor het villen van de offers

36.  Beit Hamokeed - het vuurhuis met vier kamers

37.  Lisjkat hatelaiem - kamer van de lammeren

38.  Kamer van de toonbroden gemaakt werden

39.  Kamer waarvandaan een tunnel leidde naar een mikwe

40.  Lisjkat Hachotamot - kamer waar de Chasjmoneeërs de stenen van het altaar deponeerden, nadat dat door de Grieken ontheiligd was

41.  Sja’ar hakorban - de offerpoort

42.  Sja’ar hanitsoets - de stralenpoort

43.  Sja’ar hamajim - de waterpoort met een mikwe op het dak

44.  Kamer van de familie Avtinas

45.  Sja’ar hakorban - de offerpoort

46.  Sja’ar hadlaka - vuurpoort

47.  Twaalf traptreden van het Binnenplein naar de Voorkamer

48.  ‘Olam - de Voorkamer

49.  Beit Hachalifot - Kamer van de messen (met achteruitgang)

50.  Kodesj (Heichal) - het Heiligdom

51.  Het Binnenaltaar

52.  De Sjoelchan voor de Toonbroden

53.  De Menora

54.  Parochet - gordijn(nen)

55.  Kodesj Hakodasjiem - het Heilige der Heiligen

56.  Diverse kamers op drie verdiepingen

57.  Trap naar bovenverdieping

58.  Afvoerkanaal  vanaf het dak

59. Een ruimte van elf amma tussen het Tempel-gebouw en de westelijke muur (Kotel hama’aravie)