Archief Megilla

Aanmelden

 vrijdag 9 februari 2007

 21 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 2

Door Zwi Goldberg

 

volgende daf

Inleiding tot Traktaat Megilla

Traktaat Megilla gaat in de eerste plaats over Megillat Ester, de geschiedenis van de wonderbaarlijke redding van het Joodse volk van de boze plannen van Haman, die het Joodse volk wilde vernietigen. Het behandelt behalve de  voor­schriften voor het lezen van Megillat Ester, wanneer dat gelezen moet worden en door wie en hoe het gelezen moet worden en wie daar naar moet luisteren,  ook allerlei andere voorschriften voor de viering van het Poeriem-feest, zoals de voorgeschreven feestmaaltijd, het geven van geschenken aan vrienden en tsaddaka aan de armen.

Daarnaast worden ook voorschriften gegeven voor het lezen van Tora op Poeriem en op andere dagen van het jaar.

Het traktaat gaat ook in op allerlei aggadische en homolitische interpretaties van het Boek Ester en behandelt parallel daaraan een heleboel andere onderwerpen, die soms nauw soms slechts zeer zijdelings te maken hebben met het hoofdonderwerp, zoals in zovele andere traktaten van de Babylonische Talmoed. Zo worden ook voorschriften gegeven voor het lezen van Tora en Haftara, voorschriften voor de Sjemoné Esré en in het laatste hoofdstuk voorschriften met betrekking tot de synagoge en het lezen van Tora op andere feestdagen.

Misjna

De Megilla wordt nimmer vóór de 11de en nimmer na de 15de Adar gelezen.

Bewoners van steden die in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen ommuurd waren, lezen het op de 15de Adar. [De stad Sjoesjan, waar het drama zich afspeelden, werd pas op de 15de Adar veroverd en vierde daarom pas op die datum feest. Sjoesjan was een ommuurde stad en alle andere ommuurde steden kregen dezelfde status. De reden dat het criterium de aanwezigheiud van een muur ten tijde van Jehosjoe’a is en niet die ten tijde van de gebeurtenis zelf, wordt in de Jeroesjalmie verklaard: in de tijd van de gebeurtenis in Perzië lag Jeruzalem in puin en hadden de steden in Israël geen muren. Dus zou Jeruzalem beschouwd moeten worden als een gewone” stad als alle andere steden. Om haar voor die schaamte te bewaren, besloten de Geleerden het criterium te zetten bij die steden die in de tijd dat Jehoesjoe’a het Land Israël veroverde en Amalek, de voorvader van Haman, versloeg, een muur hadden.] Wanneer de 15de op Sjabbat valt, dan lezen zij het op de vrijdag daarvoor.

Dorpsbewoners lezen het op de 14de, of op de voorafgaande maandag of donderdag. [Dit was soms nodig als de dorpsbewoners zelf de Megilla niet konden lezen en daarvoor naar de stad moesten komen. In de grote steden hadden de rechtbanken zitting op maandagen en donderdagen en dat waren de dagen dat de dorpsbewoners zich in de steden verzamelden om daar hun geschillen door de rechtbank te laten beslissen.]

Bewoners van niet ommuurde grote steden lezen het op de 14de Adar, tenzij die valt op Sjabbat, dan lezen zij het op de donderdag daaraan voorafgaand.

Gemara

De bron voor de in de Misjna genoemde datums

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat van die datums, die de Misjna noemt? De Megilla noemt alleen de 14de en de 15de Adar [Ester 9:21]?

De Gemara antwoordt: Dit staat nergens in de Bijbel, maar is zo door de Geleerden ingesteld om de dorpsbewoners in de gelegenheid te stellen de Megilla te horen voorlezen.

De Gemara vraagt: Poeriem, en de datum waarop het gevierd moet worden (14 en 15 Adar), is ingesteld door de Mannen van de Grote Vergadering [waarvan Mordechai lid was]. Hoe konden latere geleerden daar iets aan veranderen? De Misjna in traktaat Edoejot 1:5 zegt: Een rechtbank kan een uitspraak van een andere rechtbank niet verwerpen, tenzij hij groter in wijsheid en aantal is!?

De Gemara antwoordt: De Mannen van de Grote Vergadering hebben deze datums vastgesteld. [Dit kan niet anders, want latere Geleerden hebben niet het recht om iets te veranderen wat de Mannen van de grote Vergadering hebben ingesteld, want er is nooit meer een rechtbank geweest van zoveel (123) leden.]

De Gemara vraagt: Welk vers in het Boek Ester heeft als basis voor die beslissing gediend?

De Gemara antwoordt: Het vers Ester 9:31: „Om deze Poeriem-dagen op hun tijden vast te stellen.” Het meervoud ‘tijden’ wijst erop dat meerdere dagen mogelijk zijn.

De Gemara vraagt: Op grond van het woord ‘tijden’ zou het ook vóór de 11de of na de 15de gelezen kunnen worden?

De Gemara antwoordt: Zoals de woorden op zijn tijd” in vers 9:21 twee datums bedoelen (de 14de en de 15de), bedoelt ‘tijden’ ook twee datums, de 11de en de 12de. En de 13de heeft geen extra basis in de Bijbel nodig, want op die datum werd de strijd door de Joden gevoerd.

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat het niet op de 16de en 17de gelezen mag worden?

De Gemara antwoordt: Er staat geschreven [Ester 9:27]: En zij namen zich voor dat deze twee dagen niet ongevierd voorbij zouden gaan.”

Een andere verklaring voor de 11de en 12de Adar is Ester 9:22, waar staat dat de Joden in de toekomst Poeriem moeten vieren, zoals op de dagen waarin de Joden rustten van hun vijanden.” Het woord ‘zoals’ wijst erop dat er nog twee dagen zijn zoals de genoemde twee dagen.

De auteur van de Misjna

Rabba bar bar Chana zegt dat de Misjna de mening van Rabbi Akiwa weergeeft, want de andere Geleerden zeggen dat de Megilla alleen op de 14de en de 15de gelezen mag worden.

Een Baraita spreekt dit tegen, want Rabbi Jehoeda heeft daar gezegd dat volgens de Geleerden het lezen op de 11de, de 12de of de 13de alleen mocht in de tijd dat de maanden nog door het Beit Din werden vastgesteld, en de Joden nog in hun eigen landen woonden, maar dat dit nu, na de Verwoesting en nadat de kalender vastgesteld is, niet meer mag. Rabbi Akiwa stelt die voorwaarde niet, volgens hem mag het nu ook (Rabbi Akiwa was voornamelijk actief na de Verwoesting), dus geeft de Misjna niet de mening van Rabbi Akiwa weer, maar die van de Geleerden.

Daf 2b

Bewoners van ommuurde steden lezen op de 15de

De Gemara vraagt: Hoe weten we dat bewoners van ommuurde steden op de 15de lezen?

Rawa antwoordt:  Er staat geschreven (9:19) dat de bewoners van niet-ommuurde steden het op de 14de vierden, dus blijft er voor de ommuurde steden alleen de 15de over [dit zijn de enige datums die in de Megilla genoemd worden (Rasji)].

De Gemara vraagt: Misschien vierde alleen Sjoesjan het op de 15de, maar vierden de andere ommuurde steden geen feest?

De Gemara werpt tegen: Wonen daar dan geen Joden? En verder, Mordechai zond de opdracht om Poeriem te vieren op de 14de en de 15de Adar naar alle provincies waarover Koning Achasjveros regeerde (9:20-21) en die regeerde van Hodoe tot Koesj. Daar waren ongetwijfeld meer ommuurde steden.

De Gemara stelt nog een aantal andere mogelijke dagen voor, waarop misschien de Megilla in de ommuurde steden gelezen zou mogen worden, maar het wordt allemaal verworpen op basis van de constructie van de diverse verzen in de Megilla.

Nogmaals de auteur van de Misjna

De Gemara vraagt: Het vers waaruit we hebben afgeleid op welke dagen de Megilla gelezen wordt (Ester 9:19), gaat over de dagen waarop het Poeriem-feest gevierd moet worden, niet over het lezen van de Megilla. Hoe weten we dat de gedenking van de gebeurtenissen, door middel van de lezing van de Megilla ook op die dagen plaats vindt?

De Gemara antwoordt: Er staat geschreven (9:28): Deze dagen zullen gevierd en herdacht worden.” Dus we geden­ken (door de Megilla te lezen) op de dagen dat we feestvieren.

Rabbi Jehosjoe’a ben Korcha is het er niet mee eens dat de status van een stad bepaald wordt door het feit of die stad in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen een muur had of niet. Volgens hem moet dat bepaald worden door de status van die stad in de tijd van Achasjveros. Hoe komt de Tanna erbij om die status te laten afhangen van de status in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen?

De Gemara antwoordt dat dit berust op een gezera sjawa: in Ester 9:19 is sprake van ‘niet-ommuurde steden’ en in Dewariem 3:5 is sprake van ‘niet-ommuurde steden’ die door Jehosjoe’a in de tijd van Mosjé werden veroverd. Dus een ‘niet-ommuurde stad’ is een stad die in de tijd van Jehoesjoe’a bin Noen een niet-ommuurde stad was.

De Gemara vraagt: Was Sjoesjan dan een ommuurde stad in de tijd van Jehosjoe’a?

De Gemara antwoordt: Dat weten we niet, maar in die stad vochten de Joden een dag langer, zo staat er geschreven, en daarom is Sjoesjan een uitzondering en wordt die beschouwd als een ommuurde stad.

Medina oemedina, we-ier wa-ier

Er staat geschreven (Ester 9:28): „Medina oemedina, we-ier wa-ier – land en land, stad en stad [doorgaans vertaald met: ieder land en iedere stad”].  Wat betekent dat?

Antwoord: De woorden land en land” maken onderscheid tussen ommuurde steden [waar de landsregering zetelde] in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen en in de tijd van Achasjveros. De woorden stad en stad” maken onderscheid tussen de stad Sjoesjan en andere steden. Dit is de mening van de Tanna.

Rabbi Jehosjoe’a ben Korcha zegt echter: land en land” maakt onderscheid tussen steden die ommuurd waren in de tijd van Achasjveros en steden die toen niet ommuurd waren. En de woorden stad en stad” leert dat het land rondom een ommuurde stad de datum van de ommuurde stad aanhoudt en dus op de 15de viert. Dus ook de dorpen in de directe omgeving van de ommuurde stad vieren het op de 15de.

Wat is directe omgeving”?

Alles wat binnen een afstand van een mil [ongeveer een kilometer] ligt. Dit is de afstand tussen Chamsan en Tiberias.

Vijf letters ingesteld door de Profeten

Rabbi Jeremia zegt dat vijf letters door de Profeten zijn ingesteld, namelijk de letters mem, noen, pee, tsadi en kaf. [Deze letters hebben twee vormen, een vorm die in het begin of midden van een woord gebruikt wordt en een vorm die aan het eind van een woord gebruikt wordt, de zogenaamde sluit-letter. De gewone” letter mem – î – is open van onderen, de sluit-letter mem – í – is rondom gesloten.]

De Gemara vraagt: Met welk recht konden de Profeten nieuwe letters invoeren? En bovendien, de letters stonden in de Stenen Tabletten zodanig ingegraveerd, dat zij aan beide zijden van de Tabletten waren te lezen, dat wil zeggen dat zij door de hele dikte van de steen waren gegraveerd. En Rav Chisda heeft gezegd dat de letters samech  en mem door een wonder op hun plaats werden gehouden [de letter samech heeft bijna dezelfde vorm als de sluit-letter mem, alleen rond van onderen: ñ].  Dus kennelijk bestonden die letters al?

De Gemara antwoordt: Ja, ze bestonden al, maar hun betekenis en functie was vergeten en de Profeten hebben dat hersteld.