Archief Megilla

Aanmelden

 zaterdag 10 februari 2007

 Sjabbat 22 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 3

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De Aramese vertaling van de Bijbel

Rabbi Jeremia heeft gezegd: De Targum [= vertaling, de Aramese interpretatieve vertaling] van de Tora werd gedaan door Onkelus de proseliet en hij had dat geleerd van Rabbi Eliëzer en Rabbi Jehosjoea.

Jonatan ben Oeziël maakte de Targum van de Profeten en hij had dat geleerd van Chaggai, Zecharja en Malachi. [Jonatan was een student van Hillel en leefde vele jaren later dan de profeten. Echter, hij leerde de Targum van zijn leraren, die het bij traditie hadden geleerd van de profeten (Maharsja)]

Het Land Israël was geschokt wegens deze vertaling van Jonatan, en een stem uit de Hemel protesteerde ertegen omdat daarmee geheimen werden onthuld, maar Jonatan antwoordde dat hij het niet voor zijn eigen eer had vertaald, maar opdat er geen meningsverschillen over zouden ontstaan binnen Israël. [Daar vele verzen voor meerdere uitleg vatbaar zijn, gaf hij er een verklaring voor, om te voorkomen dat verschillende verklaringen tot verschillende stromingen binnen Israël zou leiden (Rasji).]

Jonatan wilde ook de Ketoeviem – de overige geschriften van de Bijbel – vertalen in het Aramees, maar een Hemelse stem weerhield hem daarvan.

De Gemara vraagt: Waarom mocht Jonatan de Geschriften niet vertalen?

De Gemara antwoordt: Omdat die aanwijzingen bevatten voor het einde der dagen en de komst van de Masjiach [Het Boek Daniël bevat deze informatie (Rasji). De vandaag bestaande vertaling van de Geschriften werd gedaan door latere Tannaïem [zie Tosafot 21b], die alle Geschriften vertaald hebben, behalve het Boek Daniël.]

De Gemara vraagt: Is het echt waar dat Onkelus de Targum van de Tora geschreven heeft? Het volgende vers lijkt dat tegen te spreken [Nechemja 8:8]: Zij lezen in de rol van G-ds Tora, verduidelijkt, met wijsheid, en zij verklaarden het bij het lezen.” De Gemara verklaart het vers: Zij lezen in de rol van G-ds Tora,” dat heeft op het lezen van de Tora-tekst betrekking; „verduidelijkt,” dat slaat op de Targum; met wijsheid,” dat slaat op de verdeling van de tekst in ver­zen; en zij verklaarden het bij het lezen,” dat heeft betrekking op de zangtekens. [De zangtekens geven aan waar een zin begint en eindigt.] Welnu, het vers noemt de Targum, en het vers is lang voor Onkelus geschreven, dus de Targum bestond al lang voor Onkelus!?

De Gemara antwoordt: De Targum van Tora was inderdaad al vóór Onkelus geschreven, maar vergeten en Onkelus heeft dat hersteld.

De Gemara vraagt: Waarom was er geen bezwaar toen de Tora vertaald werd, maar wel toen de Profeten vertaald werden?

De Gemara antwoordt: In Tora staan geen geheimen die niet geopenbaard kunnen worden, maar in de profeten wel. En de Gemara geeft als voorbeeld Zecharja 12:11: Op die dag zal de rouw groot worden in Jeruzalem, zoals de rouw van Hadadrimon in de vallei van Megiddon.” De Targum vertaalt dat als volgt: Op die dag zal er een grote rouw zijn in Jeruzalem zoals de rouw van Achav ben Omri, die door Hadadrimon ben Tavrimon gedood werd in Ramot Gilad en als de rouw over Josjia, de zoon van Ammon, die gedood werd door Par’o de kreupele in de vallei van Megiddo.” [Deze incidenten worden vermeld in I Koningen 22:36, resp. II Koningen 23:29. Er is een meningsverschil in traktaat Soekot 52a of deze rouw de dood van Masjiach ben Joséf betreft of de dood van de jétser hara, de slechte neigingen in de mens.]

De Gemara analyseert een ander vers (Daniël 10:7): Alleen ik, Daniël zag het visioen, maar de mannen bij mij zagen het visioen niet, maar een grote angst overviel hen en zij vluchtten en verborgen zich.”

De Gemara vraagt: Wie waren die mannen?

De Gemara antwoordt: De Profeten Chaggai, Zecharja en Malachi. Aan de ene kant waren zij groter als Daniël, want zij waren profeten en Daniël niet, maar aan de andere kant was Daniël groter, want hij zag het visioen en zij niet.

De Gemara vraagt: Wanneer de profeten het visioen niet zagen, waarom waren zij dan bang en vluchtten zij?

De Gemara antwoordt: Hun beschermengelen zagen het visioen. En hiervan leren we, dat als iemand ogenschijnlijk zonder reden bang wordt, dan heeft zijn mazal de oorzaak van zijn angst gezien.

Over het lezen van Megillat Ester

De Gemara vraagt: Het vers (Ester 9:28) zegt: En op die dagen zal het herdacht en gevierd worden in iedere generatie en in iedere familie…”.  Wat betekent dat: In iedere familie” ?

De Gemara antwoordt: Het betekent dat iedereen, zelfs de Kohaniem en de Levieten moeten stoppen met de uitvoering van hun mitswot en hun dienst en moeten luisteren naar het lezen van de Megilla.

De school van Rebbi leerde hiervan, dat als de Tempel-dienst al gestaakt moest worden om te luisteren naar het voorlezen van Megillat Ester, dan moet men daarvoor zeker ook stoppen met Tora-leren [dus kennelijk beschouwden zij de Tempeldienst als belangrijker dan Tora-leren].

De Gemara werpt tegen: Maar er staat  geschreven [Jehosjoea 5:13] dat Jehosjoea zich ter aarde wierp in Jericho voor een engel en dat de engel hem verweet dat hij het dagelijkse namiddagoffer niet gebracht had en Tora-studie had nage­laten. Desgevraagd antwoordde de engel dat hij was gekomen wegens de laatste misdaad. En het vers vervolgt, dat Jehosjoea die nacht in de vallei overnachtte. Rabbi Jochanan verklaart: daar leerde hij Tora. Hieruit volgt dat Tora-studie belangrijker is dat de Tempeldienst. Dat is strijdig met de conclusie van de school van Rebbi.

Daf 3b

De Gemara antwoordt: In het geval van Jehosjoea had de hele Gemeente Israël die nacht geen Tora geleerd, daarom werd dat zo zwaar opgevat, maar Rebbi heeft het over Tora-studie van een enkeling.

De Gemara werpt tegen: De Misjna in Mo’eed Katan 3:8-9 leert dat vrouwen op Rosj Chodesj, Chanoeka en Poeriem wel klaagliederen mogen zingen en individueel mogen huilen, maar dat.zij niet gezamelijk en georganiseerd mogen huilen. Echter, Rabba bar Hoena heeft gezegd: als een Tora-geleerde is overleden en begraven wordt, mogen vrouwen zelfs op Chanoeka en Poeriem gezamelijk en georganiseerd huilen. Dus zelfs Tora van een enkeling weegt zwaarder dan het lezen van de Megilla?

De Gemara antwoordt: Dat is geen Tora-leren, dat is eerbied bewijzen aan Tora en dat gaat ook bij een enkeling voor, maar het leren van Tora door een enkeling moet wijken voor het lezen van Megillat Ester.

De volgorde van belang volgens Rawa

Rawa detailleert de volgorde van belang van een aantal mitswot:

– Megilla lezen gaat voor de offerdienst en voor Tora-studie.

– De verzorging van een meet mitswa – een dode, die geen familie heeft die voor hem zorgt – gaat voor Tora-studie en ook voor de Tempeldienst.

– De begrafenis van een dode en de begeleiding van een bruid uit haar vaders huis gaan voor Tora-studie.

Rawa vraagt nu: wat gaat voor, de verzorging van een meet mitswa of het lezen van de Megilla?

– Misschien het lezen van de Megilla, want dat is de publicatie van het wonder van de redding van Poeriem?

– Of misschien de verzorging van de dode?

Rawa antwoordt: De verzorging van de dode gaat voor, want er is gezegd dat de menselijke waardigheid zelfs Tora-ver­boden opzij zet. [In Dewariem 22:3 staat dat men zich niet mag onttrekken aan het teruggeven van een gevonden voorwerp aan de rechthebbende eigenaar, maar in vers 22:1 staat: Je zult je eraan onttrekken.” Bawa Metsia 30a leert daaruit, dat een Torageleerde van die verplichting ontheven is, omdat dit beneden zijn waardigheid is (Rasji).] Als het een Tora-vebod opzij zet, zet het zeker een positief gebod van de Rabbijnen opzij [zoals het lezen van de Megilla].

Wat behoort tot een ommuurde stad

Rabbi Jehoesjoea ben Levi heeft gezegd: Een ommuurde stad en alles wat daar dichtbij is en alles wat van daaruit te zien is, wordt tot de ommuurde stad gerekend.

Een Baraita licht toe: Wanneer een dorp dicht genoeg bij ligt, zelfs al kan het niet gezien worden vanuit de stad, of een dorp dat wel gezien kan worden, maar dat niet dichtbij ligt, valt onder deze definitie.

De Gemara verklaart de Baraita: Bijvoorbeeld als het dorp en de stad in een vallei liggen met een heuvel tussen hen in, dan is het dorp dichtbij maar toch niet te zien vanuit de stad. En een dorp dat niet dichtbij ligt, maar op een berg ligt, is toch te zien vanuit de stad.

Rabbi Jehoesjoea ben Levi heeft verder gezegd: Een stad waar eerst de huizen gebouwd werden en waar pas naderhand een muur omheen gebouwd werd, wordt beschouwd als een niet-ommuurde stad. Alleen als eerst de muur gebouwd werd en daarna de huizen binnen de muur gebouwd werden, is het een ommuurde stad.

Rabbi Jehoesjoea ben Levi heeft gezegd: Een (niet-ommuurde) grote stad waar niet minstens 10 mannen dagelijks in de synagoge zitten [werklozen, die ’s ochtends bij sjacharit en ’s avonds bij ‘araviet in de synagoge zitten (Rasji)], is geen stad maar een dorp [en zij mogen hun Megilla-lezing vervroegen naar maandag of donderdag].

Een Misjna (op daf 5a) zegt: Wat wordt als een grote plaats beschouwd? Als er tien mannen niet werken.

De Gemara vraagt: Wat is het verschil tussen de uitspraak van Rabbi Jehoesjoea ben Levi en de Misjna?

De Gemara antwoordt: In een grote stad komen veel bezoekers van buiten, die daar tijdelijk verblijven zonder te werken. Maar die tellen niet mee. [Een stad is groter dan plaats en daar komen veel handelslui van buiten (Rasji).]

Een Baraita leert: Een stad die in de tijd van Jehosjoea een muur had, maar die verwoest werd, die stad blijft ‘een ommuurde stad’.