Archief Megilla

Aanmelden

 maandag 12 februari 2007

 24 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 5

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De wetten van vervroegde Megilla lezing

Een Baraita: Ook al wordt de Megilla op een andere dag dan de 14de Adar gelezen, de verplichting om Poeriem te vieren geldt alleen op de 14de Adar. [Ook als Poeriem op Sjabbat valt en iedereen het op vrijdag of donderdag leest, viert men voor het overige Poeriem op die Sjabbat.]

Rav heeft gezegd dat als de Megilla op de juiste tijd gelezen wordt, men het privé mag lezen en een minjan [quorum van 10 man] niet nodig is, maar wanneer de lezing van de Megilla niet op de juiste tijd gelezen wordt, mag men het alleen in een minjan van 10 man lezen. Rav Assi echter heeft gezegd: de Megilla moet altijd gelezen worden in een minjan. [De Sj.A.O.Ch. 690:18 zegt: Wanneer de Megilla op de 14de of de 15de Adar gelezen wordt, moet men tien mensen bij elkaar zoeken om voor te lezen. Als dat niet kan, mag men het individueel lezen.” De Misjna Beroera vult aan: Wanneer de Megilla niet op zijn juiste tijd gelezen wordt, moet men zeker 10 mensen verzamelen.”]

De Gemara vraagt: Heeft Rav echt gezegd dat als de Megilla niet op de juiste tijd gelezen wordt, dat men dan tien man nodig heeft? Er wordt verteld dat Rav ook gezegd heeft, dat als Poeriem op Sjabbat valt, vrijdag de juiste tijd is. Hoe kan Rav dat zeggen? Als Poeriem op Sjabbat valt, is Sjabbat de juiste tijd!

De Gemara antwoordt: Dit is wat Rav bedoelt: als de Megilla op een andere tijd gelezen wordt, dan is dat de juiste tijd, en dan mag men het privé lezen.

De Gemara vraagt: Wanneer is het dan niet de juiste tijd, dat men het in een minjan van tien moet lezen?

De Gemara antwoordt: Rav bedoelt dat hij het niet eens is met Rebbi, die zegt dat als Poeriem op Sjabbat valt, de grote steden het lezen naar donderdag verschuiven. Volgens Rav is dan vrijdag de juiste tijd om het te lezen en niet donderdag.

Misjna [We hebben geleerd dat grote, niet-ommuurde steden op de 14de lezen en de lezing niet mogen verschuiven. De Misjna vraagt nu:] Wat is een grote stad?  Iedere stad waarin 10  werkloze mannen zijn. Als er minder dan tien zijn, is het een dorp en mogen ze de lezing naar een dag van verzameling [maandag of donderdag] verschuiven.

De lezing van de Megilla mag wel vervroegd worden, maar niet verlaat.

De volgende gebeurtenissen worden verlaat, maar niet vervroegd:

– Het houtoffer van de Kohaniem  [zie Ta’aniet 26a en 28a];

De vasten van Tisja BeAv;

– Het chagiga-offer [dit is het feest-offer dat iedere Jood moet brengen op elk van de drie feesten; wanneer de eerste dag van het feest op Sjabbat valt, wordt dit offer uitgesteld naar zondag].

Hakeheel – de verzameling van het volk aan het eind van ieder zevende jaar, waarbij de koning voor het volk uit het Boek Dewariem leest.

Als de lezing van de Megilla naar voren geschoven wordt, mag men op de dag dat de Megilla gelezen wordt wel grafredes houden, vasten en tsaddaka geven aan de armen [maar geschenken aan vrienden en de feestmaaltijd houdt men op de 14de of 15de Adar].

Rabbi Jehoeda heeft gezegd: Alleen dorpen die [het hele jaar door] gewend zijn om op maandag en donderdag naar de grote stad te gaan [om hun geschillen aan het Beit Din daar voor te leggen], mogen de lezing van de Megilla naar voren schuiven, maar als zij dat niet gewend zijn, moeten zij het op de juiste datum lezen [d.w.z. op de 14de Adar].

Gemara Een Baraita ligt toe wat de Misjna bedoelt met de 10 werkloze mannen: Tien mannen die in de synagoge zitten. [D.w.z. tien mannen die door de gemeente onderhouden worden, om in de synagoge aanwezig te zijn op de tijden dat er gedawwend moet worden (Rasji).]

De Gemara vraagt: Waarom mag de lezing van de Megilla wel vervroegd, maar niet verlaat worden?

De Gemara antwoordt: Omdat er staat geschreven [Ester 9:27]: Het zal niet voorbij gaan” [d.w.z. dat de 14de (of 15de Adar voor de ommuurde steden) niet ongevierd voorbij mag gaan].

R. Abba heeft gezegd: we tellen altijd 12 maanden in een jaar, en niet de dagen. [Bijvoorbeeld als iemand zweert een jaar lang geen wijn te drinken, dan moet hij dat volhouden tot dezelfde datum het volgende jaar, ook al is dat niet dezelfde datum voor het zonnejaar, want een jaar telt twaalf maanden en niet 365 dagen (Rasji.).]

Gebeurtenissen die niet vervroegd worden

De Misjna zegt dat de vasten van Tisja BeAv, de hout-offers, het chagiga [feestoffer] en de hakeheel niet vervroegd worden. De Gemara verklaart dat dit voor Tisja BeAv zo is omdat we de gedenking van een ramp niet vervroegen. En voor de feesten geldt, dat zolang het hun tijd nog niet is, we een mitswa nog niet kunnen doen.

Een Baraita zegt: We kunnen het Chagiga-offer en heel de tijd van het chagiga-offer uitstellen.

De Gemara vraagt: Wat betekent heel de tijd van het chagiga-offer”?

De Gemara (R. Osjaja) antwoordt: [Op Jom Tov moet zowel een chagiga-offer als een reïa-offer gebracht worden. Het chagiga-offer mag op Jom Tov geslacht worden, want het wordt op Jom Tov gegeten en valt dus onder de werk­zaam­heden ten behoeve van de feestmaaltijd, die zijn toegestaan. Het reïa-offer wordt echter volledig verbrand en daarom:] Wanneer een feest op Sjabbat valt, wordt het chagiga uitgesteld naar zondag en de reïa wordt altijd uitgesteld tot na het feest.

De Gemara werpt tegen: Als het zo is als R. Osjaja zegt, dan volgt de Baraita de mening van Sjammai, want die heeft gezegd in een Misjna [Beitsa 19a]: Beit Sjammai zegt: We mogen sjelamiem-offers op Jom Tov brengen, maar we mogen er niet op leunen, maar we mogen dan geen ‘ola [brand-offer] brengen [want we mogen op Jom Tov alleen die werkzaamheden verrichten die dienen ter voorbereiding van eten]. Maar Beit Hillel zegt: we mogen zowel sjelamiem- als ‘ola-offers brengen en we mogen er ook op leunen. [Voordat iemand een offer brengt, moet hij eerst zijn handen op de kop van het offerdier leggen en daar met al zijn kracht op leunen. Op Jom Tov mag men zijn dieren niet laten werken, en daar hoort ook het leunen op een dier toe. Volgens Beit Sjammai kan dat leunen ook de dag vóór het offeren gebeuren en is het dus niet nodig en dus verboden op Jom Tov zelf. Beit Hillel meent dat het leunen vlak voor het slachten moet gebeuren, dus moet het op de feestdag zelf gebeuren. En wat betreft het reïa-offer, dat een brand-offer is, zegt Beit Hillel: dat wordt op het altaar geconsumeerd door Hasjem en dat mag dus ook gebracht worden op Jom Tov.]

Een ander antwoord (van Rawa): Het betekent dat als Jom Tov op Sjabbat valt en alle offers dus uitgesteld moeten worden, ze de hele chol hamo’eed gebracht mogen worden, maar daarna niet meer, want een Misjna [Chagiga 9a] zegt: Als iemand zijn offers niet op de eerste dag van Jom Tov gebracht heeft, mag hij ze gedurende het hele feest brengen, zelfs op Sjemini Atsèret, maar daarna niet meer.

Een derde verklaring voor de Baraita (van Rav Asji): Als een feestdag op Sjabbat valt, mogen de offers de hele week daarna gebracht worden, zelfs met Sjawoe’ot, dat maar op één dag gevierd wordt, mag men nog zes dagen daarna de offers brengen, [en men mag ze niet op die Sjabbat brengen] zoals blijkt uit de Misjna in Chagiga 17a.

Daf 5b

Bomen planten op Poeriem

R. Elazar zei: Rebbi wilde Tisja BeAv opheffen, maar de Geleerden waren het er niet mee eens.

R. Abba: Dat was in een jaar dat Tisja BeAv op Sjabbat viel en omdat het toen moest worden uitgesteld naar zondag, wilde hij het alleen dat jaar helemaal afschaffen.

R. Elazar zei: Rebbi plantte een boom op Poeriem.

De Gemara vraagt: Hoe kan dat? Het Boek Ester zegt (9:19) dat men die dag vierde met vreugde, met een feestmaal als een Jom Tov. Blij zijn wil zeggen dat men geen grafrede mag houden op Poeriem, een feestmaal wil zeggen dat men die dag niet mag vasten en Jom Tov wil zeggen dat de verboden van Jom Tov ook op Poeriem gelden. Dus mag men geen bomen planten op Poeriem!?

De Gemara antwoordt:  Rebbi plantte op de 15de Adar.

De Gemara werpt tegen: Rebbi woonde in Tiberias, een stad waarvan Chizkia niet zeker was of die ommuurd was in de tijd van Jehosjoea bin Noen en daarom las hij de Megilla daar op de 14de en op de 15de Adar. En verder staat er in Megillat Ta’aniet dat Poeriem de 14de en de 15de gevierd wordt, en dat het op beide dagen verboden is een grafrede te houden. En Rawa heeft verklaart dat dit betekent dat iedereen, ongeacht of hij op de 14de of op de 15de leest, zich op beide dagen  moet onthouden van grafredes, vasten en werk. Dus hoe kon Rebbi een boom planten?

De Gemara antwoordt:  Op beide dagen is het verboden te vasten en een grafrede te houden, maar het werkverbod geldt maar voor één dag.

Een andere verklaring voor het gedrag van Rebbi: De Joden hebben alleen de verboden van grafredes en vasten op Poeriem geaccepteerd, maar Israël heeft nimmer het werkverbod op Poeriem geaccepteerd. Dit blijkt dat het feit dat in vers 9:19 weliswaar sprake is van „blij zijn, een feestmaaltijd als op Jom Tov houden” maar drie verzen verder (9:22) staat er alleen: „....om daarvan dagen van vreugde en van feestmaal te maken.” Daar wordt de Jom Tov niet meer genoemd, omdat die dag niet algemeen als Jom Tov geaccepteerd werd. Dus Rebbi kan best op Poeriem zelf de boom geplant hebben.

Een derde verklaring: Zelfs al was het in de tijd van Rebbi nog de gewoonte om niet te werken op Poeriem, een vreugde-boom planten is toegestaan, want er staat in een Misjna [Ta’aniet 12b] dat wanneer alle 13 vastendagen voor regen niet geholpen hebben, dat men dan o.a. niet meer moet planten, en een Baraita verklaart dat dit niet geldt voor een boom die uit vreugde geplant wordt, omdat een nieuwe koning gekroond wordt. Dus als Rebbi een boom uit vreugde geplant heeft, was dat geoorloofd.

Criteria voor een ommuurde stad

We hebben hierboven geleerd dat Chizkia onzeker was of Tiberias een ommuurde stad was in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen en daarom las hij op de 14de en op de 15de.

De Gemara vraagt: Maar er staat toch geschreven [Jehosjoe’a 19:35) dat o.a. Rakas een ommuurde stad was en wij weten dat Rakas Tiberias is. Wat was dan zijn twijfel?

De Gemara antwoordt: Tiberias grenst aan het water [het meer van Galilea] en Chizkia wist niet of het water als muur beschouwd kon worden.

De Gemara werpt tegen: Maar in Leviticus 25:30-31 is duidelijk sprake van een stad met een muur rondom en Tiberias heeft geen muur rondom.

De Gemara antwoordt: Die verzen gaan over de verkoop van een huis in een ommuurde stad en daar is het duidelijk, maar Chizkia twijfelde of dit ook geldt voor het lezen van de Megilla. Wordt daar onderscheid gemaakt tussen ommuurde en niet-ommuurde steden omdat de niet-ommuurde steden open waren, en dat was Tiberias aan één kant, of omdat de ommuurde steden beschermd waren en dat was Tiberias dankzij het meer.