Archief Megilla

Aanmelden

 woensdag 14 februari 2007

 26 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 7

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Waarom twee verklaringen

De Gemara verklaart waarom de Megilla volgens Rabban Sjim’on ben Gamliël twee verklaringen nodig had, voor de regel dat Poeriem op de tweede Adar gevierd wordt. Op basis van het vers 9:21: ieder jaar” kan men denken: ieder jaar de eerste Adar, en op basis van het tweede vers (9:29): …deze tweede brief” kan men denken dat in beide maanden Adar gevierd moet worden.

De tweede brief volgens R. Eliëzer  de zoon van R. Jossi

Rabbi Eliëzer de zoon van R. Jossi baseert zich voor wat betreft deze tweede brief op Rav Sjmoeël bar Jehoeda, die gezegd heeft dat men eerst Poeriem alleen in Sjoesjan vierde en dat deze tweede brief verkondigde dat men het overal moest vieren.

De gebeurtenissen van Poeriem staan ook in de analen van de Koningen van Perzië en Medië

En een andere verklaring voor deze tweede brief: op de eerste brief, waarin Koningin Ester aan de Geleerden verzocht jaarlijks de wonderlijke overwinning te herdenken, maakten de Geleerden bezwaar, uit angst voor de woede der volken. In een tweede brief schreef zij hen dat de zaak al bekend was, want alle gebeurtenissen waren opgeschreven in de analen van de koningen van Perzië en Medië, dus iedereen kon dat lezen.

De beslissing om het Boek Ester in de Bijbel op te nemen

Aanvankelijk wilden de Geleerden het verhaal van Poeriem niet in de Bijbel opnemen, omdat zij meenden dat een vers uit Spreuken (22:20): Zeker heb ik dit voor jou driemaal opgeschreven” betekent dat Koning Salomo geboden heeft  dat er maar driemaal een verslag van de oorlog tegen Amalek in de Bijbel mag voorkomen, n.l. in Ex. 17:8-16, Deut. 25:17-19 en I Sam.15-22. Dus er was geen plaats in de Bijbel voor een vierde verslag. Totdat zij vers Ex. 17:4 vonden waar staat: Schrijf dit ter nagedachtenis in een boek.”  Dat verwijst naar het Boek Ester.

De heiligheid van de vijf rollen

De Gemara vermeldt een meningsverschil tussen de Tannaïem over de heiligheid van de vijf rollen: Het Hooglied, Ruth, Klaagliederen, Kohelet en Ester. Sommigen menen dat bepaalde rollen niet heilig zijn en dus niet in de Bijbel thuis horen, andere menen dat dit geldt voor andere rollen. Gebaseerd hierop meent Sjmoeël dat de schrijvers van Boek Ester niet geïnspireerd werden door de Roeach HaKodesj [G-ddelijke inspiratie] en dat daarom de handen van iemand, die de rol aanraakt, niet tamee worden. [Sjammai en Hillel hebben o.a. ingesteld, die wie een Tora-rol aanraakt met zijn handen, diens handen worden tamee en zijn handen maken vervolgens troema ook tamee en dus ongeschikt voor consumptie.]

De status van Kohelet

De Gemara vermeldt een meningsverschil in een Baraita over de status en heiligheid van Kohelet. R. Sjim’on ben Menasia meent dat het niet met Roeach HaKodesj [G-ddelijke inspiratie] geschreven is. De andere Geleerden bewijzen uit twee verzen dat dit wel het geval is, n.l.: [I Koningen 5:12] En hij [Salomo] deed drieduizend uitspraken.” Kohelet staat hier los van en moet dus wel onder de invloed van de Roeach HaKodesj geschreven zijn. En verder [Spreuken 30:6]: Voeg niets toe aan deze woorden.”  [Salomo verbiedt iedere toevoeging aan zijn geschreven woorden, want zij zijn uniek omdat zij geschreven zijn onder de invloed van de Roeach HaKodesj (Rasji).]

Het bewijs dat de Megilla geschreven werd met Roeach Hakodesj

Een Baraita brengt vier Tannaïem die op basis van verzen uit de Megilla bewijzen dat de Megilla geschreven werd onder invloed van de Roeach HaKodesj. Er staat geschreven [Ester 6:6]: Haman dacht;” en [2:15] Ester vond gunst in de ogen van ieder die haar zag;” en [2:22]: Het werd bekend aan Mordechai;” en [9:10]: Zij staken hun handen niet uit naar de eigendommen van de koning.” Hoe konden de schrijvers van de Megilla dit alles weten zonder inspiratie van de Roeach HaKodesj?

Sjmoeël heeft nog een beter bewijs: vers 9:27 zegt: De Joden stelden vast en namen op zich, voor hunzelf  en voor hun nakomelingen … om deze twee dagen te vieren.” aKodDit betekent dat het Hemelse Gerechtshof hier een besluit nam en zonder Roeach HaKodesj konden de samenstellers van de Megilla dat niet weten.

De Gemara concludeert dat dit bewijs beter is dan de andere vier, omdat de schrijvers van de Megilla datgene wat in de aangehaalde verzen geschre­ven staat, ook langs logische redenering geconcludeerd konden hebben.

De Gemara brengt nog twee bewijzen van de heiligheid van het Boek Ester: En deze dagen worden herdacht en gevierd in ieder geslacht....” [Dit is een profetische uitspraak, die niet zonder Roeach HaKodesj kan zijn gemaakt (Rasji).] En het vers gaat verder: …en de herinnering aan Poeriem zal niet wijken van de Joden en hun nakomelingen.” [Alleen als de Megilla geschreven werd met Roeach HaKodesj konden de schrijvers dit geweten hebben.]

Giften aan de armen

De Megilla zegt [9:22]: … om ze te vieren als dagen van feestmaaltijd en vreugde  en het zenden van geschenken van ieder aan zijn naaste en giften aan de armen.” Een Baraita leert hieruit: men moet twee geschenken, bestaande uit twee verschillende soorten voedsel geven aan één vriend, maar twee giften aan twee armen.

Daf 7b

R. Jehoeda de Prins zond eens op Poeriem aan R. Osjaja een kalfspoot en een fles wijn. R. Osjaja schreef hem terug dat R. Jehoeda hiermee aan de mitswa van twee geschenken aan een vriend” voldaan had. [Dus drank telt hier mee als voedsel (Rasji en Prie Chadasj O.Ch. 695:4 en zo paskent de Sj.A.O.Ch 695:4 en de Misjna Beroera 695:20, dat men één voedsel en één drank mag sturen. Het moet voedsel en drank zijn, die klaar zijn voor consumptie, zonder verdere bereiding. De Chajei Adam 155:31 schrijft dat men geschenken moet sturen die overeenkomen met de status van de ontvanger.]

Rabba stuurde eens een mand met dadels een een kopje zoet geroosterd graan naar Mari bar Mar en deze laatste zond terug een mand met gember en een kopje pepers. Rabba klaagde: ik zond hem zoetigheid en hij zendt mij bittere dingen terug. Abbajjé kritiseerde hem: als hoofd van Poempedita had hij iets beters moeten sturen dan datgene wat een eenvoudige boer stuurt aan zijn vrienden. [Hieruit kan men concluderen dat ieder ook geeft naar zijn eigen status.]

De feestmaaltijd

Abbajjé bar Avin en R. Chanina bar Avin wisselden het Poeriem-feestmaal bij elkaar af, het ene jaar bij de een, het volgend jaar bij de ander. [Het is dus beter de maaltijd met vrienden te eten dan alleen.]

Rawa heeft gezegd: Men moet zoveel [wijn of andere sterke drank] drinken tot men zo dronken is, dat men het verschil niet meer weet tussen ‘vervloekt is Haman’ en ‘gezegend is Mordechai.’ [Er zijn vele verklaringen op deze uitspraak van Rawa. O.a. dat er een lied is, dat op Poeriem gezongen wordt, waarbij men als refrein om de beurt ‘vervloekt is Haman’ en ‘gezegend is Mordechai’ zingt en dat men zoveel moet drinken, tot men hiermee in de war raakt. Volgens de SjA.O.Ch. 692:2 moet zoveel wijn drinken dat men het verschil niet meer weet. Volgens anderen is het voldoende als men door de wijn in slaap valt, want ook dan weet men het verschil niet meer. Verderop wordt bewezen dat dronken­schap verboden is.]

Rabba en Rav Zeira aten de Poeriem-feestmaal samen. Ze werden zo dronken dat Rabba Rav Zera sloeg en zwaar ver­wondde. De volgende dag bad Rabba voor de genezing van R. Zeira. Het volgende jaar nodigde Rabba opnieuw R. Zeira uit. Maar die antwoordde: Niet elke keer gebeurt er een wonder” [zodat ik genees na een dergelijke aanslag]. [De commentatoren leren hieruit, dat het verboden is om zoveel te drinken dat men dronken wordt.]

De Gemara vermeldt vervolgens dat men de mitswa van het Poeriem-feestmaal niet ’s avonds kan doen, maar dat het overdag moet gebeuren [Sj.A.O.Ch. 695:1].

Het verschil tussen Sjabbat en Jom Tov

Misjna Er is geen verschil tussen Sjabbat en Jom Tov, behalve de bereiding van voedsel. [D.w.z. alle ver­boden melachot voor Sjabbat gelden ook op Jom Tov, behalve wanneer die werkzaamheden nodig zijn voor de voedselbereiding voor die feestdag. De overeenkomst geldt echter niet voor de straf op overtreding. Wie melacha doet op Sjabbat wordt gestraft met steniging, wie dat doet op Jom Tov krijgt 39 zweepslagen (Rasji).]

Gemara Tot de voedselbereidingen horen niet die voorbereidingen die vóór Jom Tov gedaan kunnen worden. Een Baraita vermeldt dat Rabbi Jehoeda meent dat ook die voorbereidingen zijn toegestaan op Jom Tov.

En verder mag men alleen bereiden wat voor jou is, dat wil zeggen wat jij eet op die Jom Tov, zoals blijkt uit Ex. 22:12: …geen enkele melacha mag worden gedaan, behalve dat wat iedereen eet, dat mag voor jou gedaan worden.” Je mag eten klaarmaken voor jou, maar niet voor de heidenen, voor jou, maar niet voor je dieren. En het woordje dat wijst op directe bereiding, niet op voorbereidingen die vóór Jom Tov gedaan kunnen worden.

Misjna Er is geen ander verschil tussen Sjabbat en Jom Kippoer,  dan de opzettelijke overtreding van de verboden. Op Sjabbat worden die gestraft door de mensen [een Beit Din veroordeelt tot steniging] en op Jom Kippoer worden die  gestraft met kareet [uitroeiing door de Hemel].

Gemara Dus er is geen verschil tussen betalingen voor overtredingen op Sjabbat of Jom Kippoer. [Als men Sjabbat of Jom Kippoer overtreedt en tegelijkertijd iets doet waarvoor men een boete moet betalen, dan zijn de regels daarvoor hetzelfde.]

Een Baraita vermeldt dat dit de mening van Rabbi Nechoenja weergeeft: Wie Sjabbat of Jom Kippoer overtreedt en bovendien iets doet waarvoor hij een boete moet betalen, die wordt in beide gevallen met de dood gestraft, en in beide gevallen is hij vrijgesteld van betaling van de boete. [Bijvoorbeeld: iemand verbrandt op Sjabbat (of J.K.) het eigendom van iemand anders. Dan is hij voor het verbranden op Sjabbat de dood schuldig, en hij zou de schade aan die ander moeten betalen, maar omdat hij gedood wordt, hoeft hij niet te betalen.]

Een Misjna (Makkot 23a) leert: Wie gegeseld wordt door een Beit Din, is vrijgesteld van kareet. Aldus R. Chananja ben Gamliël. Dit lijkt in strijd met onze Misjna en Rabbi Jochanan zei dan ook hierover: Maar zijn collega’s zijn het niet met hem eens.” Als iemand ook op Jom Kippoer door een Beit Din gestraft kan worden en daarmee zijn Hemelse straf kwijtgescholden krijgt, dan is er geen verschil meer tussen Sjabbat en Jom Kippoer, want op beide dagen wordt hij dan gestraft door een aards Beit Din. Dus de beide Misjnajot lijken met elkaar strijdig.

De Gemara verwerpt dit: Onze Misjna is van R. Jitschak, die zegt in een Baraita dat wie een overtreding begaat waarop kareet staat, geen geseling krijgt.

Rav Asji heeft een andere verklaring voor de schijnbare strijdigheid van de beide Misjnajot: Op Sjabbat is de voor­naamste straf door een Beit Din, op Jom Kippoer met kareet. [Maar als men door getuigen gewaarschuwd is, wordt men gegeseld en dan is men vrijgesteld van kareet (Rasji).]