Archief Megilla

Aanmelden

 15 februari 2007

 27 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 8

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Eden en beloftes

Misjna Het enige verschil tussen iemand die gezworen heeft geen profijt te hebben van zijn vriend en iemand die gezworen heeft dat hij niets van zijn vriend zal eten[1],  is dat de laatste over het grondgebied van zijn vriend mag lopen en dat hij vaatwerk, dat niet voor voedsel gebruikt wordt, van hem mag lenen. [Van vaatwerk dat men niet gebruikt voor voedsel kan hij wel profijt hebben,  want dat heeft niet met voedsel te maken.]

Gemara Dus voorwerpen die wel voor voedselbereiding gebruikt worden, mogen ze geen van beide lenen.

De Misjna zegt dat de één wel en de ander niet over het grondgebied van zijn vriend mag lopen. [Het lopen over iemands grondgebied was in het algemeen gratis en kon daarom niet in geld of voedsel worden omgezet. Dus degene die zich alleen het voedsel van zijn vriend ontzegd had, mocht wel over diens grond lopen.]

De Gemara vraagt: Maar waarom mag de moedar hanaä  dan niet over zijn grond lopen als dat gratis is?

Rawa antwoordt: De Misjna geeft de mening van R. Eliëzer weer, die meent dat zelfs dingen die gratis zijn, verboden zijn voor de moedar hanaä. [De andere Geleerden zijn het daar niet mee eens en menen dat iets dat gratis voor iedereen beschikbaar is, niet verboden is aan de moedar hanaä.]

Misjna Er is geen ander verschil tussen eed-offers en gift-offers dan dat men in geval van een eed-offer verantwoordelijk is voor de veiligheid van het dier, terwijl men dat in het geval van een gift-offer niet is.  [Het verschil tussen de twee soorten offers is, dat iemand die een eed-offer doet, zweert dat hij een bepaald soort dier zal offeren, bijvoorbeeld een schaap, en als hij uiteindelijk een dier aanwijst dat geofferd zal worden en het raakt verloren, dan moet hij een ander dier offeren, terwijl iemand die een gift-offer doet, zweert dat hij een bepaald dier, dat hij heeft aangewezen, zal offeren, bijvoorbeeld het schaap Veronica. Als dat schaap Veronica verloren gaat, hoeft hij geen ander schaap te offeren, want alleen dat schaap Veronica heeft hij gezworen te offeren, niet een ander schaap.]

Gemara Dus de offerdienst mag niet nodeloos worden uitgesteld. [Tora zegt (Deut. 23:22) dat men de uitvoering van een eed niet mag uitstellen. Het moet binnen een bepaalde tijd gebeuren. De Misjna zegt dat dit ook geldt voor een gift-offer. (Zie Rosj Hasjana 4-5).]

De Gemara brengt een Misjna uit traktaat Kinniem 1:1 die ook zegt dat de eigenaar van een eed-offer verantwoordelijk is voor het dier en de eignaar van een gift-offer niet.

De wetten voor een zav

Misjna Het enige verschil tussen een zav die twee vloeiingen had en een zav die er drie had, is dat de laatste een offer moet brengen. [Een zav is iemand die ten gevolge van een geslachtsziekte een op een zaadlozing gelijkende afscheiding heeft. Na één zo’n afscheiding wordt hij tamee als iemand die een zaadlozing had, en hij maakt dan voedsel tamee. Na twee afscheidingen binnen twee dagen maakt hij door aanraking ook andere mensen tamee. Hij maakt ook alles tamee waarop hij zit of ligt. Als hij driemaal zo’n afscheiding heeft gehad, moet hij na zeven reine dagen twee vogels offeren (Zie Lev. 15:14).]

Gemara  Er is dus geen verschil voor wat betreft datgene waarop hij zit of ligt [als hij bovenop een stapel van tien matten ligt, is ook de onderste mat tamee en die maakt andere mensen bij aanraking ook tamee] en dat hij zeven dagen rein moet zijn [waarna hij in het mikwe moet]. Hoe weten we dit?

De Gemara vraagt: R. Simai antwoordt (Baraita): In Leviticus 15:2 staat tweemaal het woord zav en in het volgende vers staat het driemaal.

Een andere verklaring: In Lev. 15:15 staat: En de Kohen zal verzoening doen voor G-d van zijn afscheiding.” Dit woordje van duidt op een beperking, namelijk dat sommige zav’s een offer moeten brengen en andere niet. Als hij drie afscheidingen heeft gehad, moet hij een offer brengen, na twee niet. (Andersom kan niet, want als hij na twee al verplicht is een offer te brengen, is hij dat zeker na drie al verplicht.)

En beide verklaringen zijn nodig, want met alleen de verklaring van R. Simai kan men denken dat het verschil alleen zit in de graad van toema maar niet dat de één wel en de ander geen offer moet brengen. En met alleen de tweede verklaring weten we nog niet na hoeveel afscheidingen de zav zijn offer moet brengen.

De Gemara vraagt: Nu we van het woordje van in vers 15:15 iets geleerd hebben, wat leren we van het woordje van in vers 15:13: Wanneer de zav gereinigd is van zijn toema, telt hij zeven dagen voor zijn reiniging, enz.” ?

De Gemara antwoordt (Baraita): Dat betekent dat de zav onmiddellijk rein is, als zijn afscheiding gestopt is, hij hoeft niet eerst in het mikwe voordat hij zeven reine dagen begint te tellen. En hij hoeft niet genezen te zijn van zijn ziekte om rein te zijn van zijn afscheiding en om de zeven dagen te kunnen tellen. [Als de zav ook tsara’at heeft, hoeft hij niet daar ook van te zijn genezen.] En verder leert het dat de zav die twee afscheidingen gehad heeft, zeven reine dagen moet tellen, voordat hij in het mikwe gaat.

De Gemara vraagt: Maar waarom hebben we hiervoor dat vers nodig? Als een zav van twee afscheidingen reeds alles, waarop hij zit of ligt, tamee maakt, dan moet hij toch al zeven reine dagen tellen [dan hebben we toch geen andere bron nodig die ons dat leert]?

Daf 8b

De Gemara antwoordt: Het feit dat de zav zijn stoel of bed, waarop hij ligt, tamee maakt, wil nog niet zeggen dat hij daarom zeven reine dagen zou moeten tellen, want een vrouw die een zava ketana is maakt wel alles tamee waarop zij zit, maar zij hoeft geen zeven reine dagen te tellen voordat zij in het mikwe mag, maar slechts één dag. [Een zava ketana is een vrouw die buiten haar menstruatie-periode een eenmalige afscheiding heeft gehad.] Dus zonder het vers zouden wij niet geweten hebben dat een zav die twee afscheidingen binnen twee dagen had, wel zeven reine dagen moet tellen.

Rav Pappa vraagt: Waarom leren de woorden ‘van zijn afscheiding’ in het ene geval dat ook een zav die twee afscheidingen had, zeven reine dagen moet tellen en in het andere geval dat een zav die twee afschedingen had niet een offer moet brengen? [In het ene geval leren de woorden ‘van zijn afscheiding’ dat de zav met twee afscheidingen erbij is ingebrepen en in het andere geval sluit het hem juist uit. M.a.w. misschien moet in beide gevallen de zav met twee afscheidingen worden uitgesloten.]

Abbajjé antwoordt: Wanneer het vers niet ‘van zijn afscheiding’ had gezegd, zouden we niet op de gedachten gekomen zijn dat de zav van twee afscheidingen ook zeven reine dagen moet tellen. [Dus de bedoeling van die woorden kan alleen zijn dat het ook voor de zav van twee afscheidingen geldt.]

Lijders aan tsara’at

[Een metsora is iemand die lijdt aan tsara’at (doorgaans ten onrecht vertaald met melaatsheid of lepra) welke uitgebreid wordt beschreven in Leviticus hoofdstuk 13.  Een Kohen onderzoekt de patient en als hij twijfelt aan de symptomen, wordt de patient zeven dagen in quarantaine opgesloten, waarna hij hem opnieuw onderzoekt. Wanneer de Kohen de ziekte tsara’at constateert, roept hij dat uit en dat heet de bevestiging en de patient is een bevestigde metsora]

Misjna Het enige verschil tussen een bevestigde metsora en een opgesloten metsora is dat de bevestigde metsora zijn kleren moet verscheuren en zijn haar moet laten groeien. En het enige verschil tussen de reiniging van een bevestigde metsora en de reiniging van een opgesloten metsora is dat de bevestigde metsora, nadat hij rein is veklaard, zijn lichaam moet kaal scheren en twee vogels moet offeren.

Gemara Hoe weten we dat een opgesloten metsora niet hoeft te scheuren en zijn haar niet hoeft laten groeien?

Rav Sjmoeël bar Jitschak antwoordt:  Er staat geschreven (Lev. 13:6): Dan zal de Kohen hem tahor verklaren; dan zal hij zijn kleren wassen en dan is hij gereinigd.” Hij was geen metsora, hij was altijd al rein.

Rawa werpt tegen: Dat staat ook geschreven over een zav (Lev. 15:13): Als de zav rein wordt, …zal hij zijn kleren wassen…en dan zal hij rein zijn.”  En hij was wel een zav en was niet al rein. Dus dat kan niet de bron zijn.

Rawa geeft een ander antwoord: Het valt af te leiden uit Lev. 13:45, waar expliciet staat dat: De metsora die de aandoening in zich heeft, moet zijn kleren scheuren en zijn haar laten groeien.” Dus alleen bij wie het bevestigd is, niet wie uit twijfel is opgesloten.

Abbajjé vraagt: Als het vers Lev. 13:45 betekent dat alleen iemand bij wie tsara’at bevestigd is, zijn kleren moet scheuren en zijn haar moet laten groeien, dan moet ook alleen maar iemand wiens tsara’at bevestigd is buiten het kampement gestuurd worden want Lev. 13:46 zegt: „Alle dagen dat hij de aandoening in zich heeft, zal hij tamee zijn…, buiten het kampement zal zijn verblijfplaats zijn.” Dus iemand bij wie niet bevestigd is dat hij de aandoening in zich heeft, hoeft niet de stad uit te worden gestuurd.

Rawa antwoordt: Er staat: ‘Alle dagen’, om de opgesloten metsora erbij op te nemen.

De Gemara vraagt: [Rawa zei, dat de reden dat een opgesloten metsora niet zijn kleren hoeft te scheuren en zijn haar te laten groeien is, omdat vers 13:45 dat beperkt tot wie de aandiening in zich heeft, d.w.z. bevestigd is. Dus als die woorden er niet bij staan, geldt het ook voor de opgesloten metsora.] In de verzen 14:4-9, die de basis vormen voor de Misjna, dat alleen een bevestigde metsora, als hij rein is, zijn kleren moet wassen en twee vogels moet offeren, staat niet dat hij de aandoening in zich heeft. Hoe weten we dat dan? Misschien moet ook de opgesloten metsora zijn kleren wassen en twee vogels offeren als hij rein verklaard is?

Abbajjé antwoordt: Het vers (14:4 e.v.) dat spreekt over de reinigingsprocedure van de metsora, volgt op vers 3, waar staat dat de Kohen hem genezen verklaart, d.w.z. de aandoening was eerst bevestigd en nu genezen. Bij de opgesloten metsora is de aandoening nooit bevestigd geweest en kan hij daar dus ook niet van zijn genezen.

De talen van heilige boeken, tefillien en mezoezot

Misjna Het enige verschil tussen Bijbelboeken enerzijds en tefillien en mezoezot anderzijds is dat Bijbel­boeken in iedere taal geschreven mogen worden, terwijl tefillien en mezoezot alleen in Hebreeuws geschreven mogen worden. Rabban Sjim’on ben Gamliël heeft gezegd: de Geleerden staan geen andere vreemde taal voor Bijbelboeken toe dan Grieks.

Gemara Dus zowel Bijbelboeken als tefillien en mezoezot moeten met pezen genaaid worden en maken de handen tamee bij aanraking.

Een Baraita: Als de Hebreeuwse Bijbeltekst in het Aramees geschreven wordt, of de Aramese tekst [van b.v. Daniël] in het Hebreeuws, of als de Bijbel in het oud Hebreeuwse Ivri schrift geschreven wordt, maakt het de handen niet tamee. Dus deze Baraita is strijdig met de Misjna.

______________________

[1] Volgens Tora kan iemand zweren dat hij geen profijt van iets of iemand zal hebben en daar dan geen gebruik van zal maken. Dan moet hij zich aan die eed houden. Zo iemand heet een moedar hanaä. Als hij moedar hanaä van iemand is, mag hij niet van die ander zijn bezittingen gebruik maken en als hij moedar van zijn voedsel is, mag hij niets van hem eten. Maar hij mag ook geen geld of iets anders van die ander aannemen, want dat kan in voedsel worden omgezet. Dus er is weinig verschil tussen beide vormen van moedar.