Archief Megilla

Aanmelden

 16 februari 2007

 28 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 9

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De talen van heilige boeken, tefillien en mezoezot (vervolg)

De Misjna zei dat Bijbelboeken in alle talen geschreven mogen worden en de Baraita zegt dat als een Hebreeuwse passage in een Bijbelboek in het Aramees geschreven wordt, dan maakt het de handen niet tamee. Daar alleen wettig geschreven Bijbelboeken de handen tamee maken, beschouwt de Baraita het Aramees kennelijk als een niet-wettige vreemde taal, terwijl de Misjna zegt dat alle vreemde talen wettig zijn.

De Gemara vraagt: De Baraita is in strijd met de Misjna?

Rawa antwoordt: De Misjna bedoelt dat zolang het Bijbelboek in het Asjoeriet-schrift[1] geschreven is, ook al is dat in een vreemde taal, dan is het in orde, en de Baraita bedoelt dat als het in het oude Ivri-schrift1 geschreven is, zelfs al is het Hebreeuws of Aramees, dan is het niet in orde.

Abbajjé werpt tegen: De woorden van Rawa kunnen niet juist zijn, want de Baraita zegt dat het Bijbelboek niet heilig is wanneer het niet met zwarte inkt in Asjoeriet-schrift op perkament geschreven is.

Abbajjé geeft een ander antwoord: De Misjna geeft de mening van de Rabbijnen weer en de Baraita die van R. Sjim’on ben Gamliël (R.Sj.b.G). [Dus volgens de Rabbijnen in de Misjna is een Bijbelboek ook heilig als het in een vreemde taal met vreemde letters geschreven is, en volgens R.Sj.b.G. in de Baraita is het alleen heilig als het in de originele taal en in Asjoeriet-schrift geschreven is.]

De Gemara werpt tegen: De Baraita kan niet de mening van R.Sj.b.G. weergeven, want in de Misjna staat dat volgens R.Sj.b.G. Grieks wel toegestaan is. Echter, de Baraita heeft het alleen over tefillien  en mezoezot.

De Gemara verwerpt ook deze gedachte, want in de tefillien en mezoezot komt geen Aramees voor. Zij komt dus met

Een derde verklaring: De Baraita heeft het over Megillat Ester, dat alleen in de originele taal en in Asjoeriet schrift geschreven moet zijn, en er komen een paar Aramese woorden in de Megilla voor. En de Misjna heeft het over andere Bijbelboeken, die in elke andere taal geschreven mogen zijn.

Vierde verklaring (Rav Asji): De Baraita geeft de mening van R. Jehoeda weer en heeft het over de Boeken van de Profeten en de Geschriften, niet over Tora.

Een Baraita zegt: Tefillien en Mezoezot mogen alleen in Asjoeriet schrift geschreven worden, maar de Rabbijnen staan het volgens R.Sj.b.G. ook in het Grieks toe.

De Gemara vraagt: Hoe kunnen de Rabbijnen nu tefillien en Mezoezot, die in het Asjoeriet schrift geschreven moeten worden, Grieks toestaan?

De Gemara antwoordt: De Baraita moet zijn: Bijbelboeken mogen in iedere taal geschreven zijn, en volgens R.Sj.b.G. staan de Rabbijnen alleen Grieks toe.

De vertaling van de 70

Een Baraita leert: Koning Ptolemeus [van Egypte (Rasji)] verzamelde de 72 oudsten van Israël en zette hen in 72 aparte huizen, zonder hen van te voren te vertellen waarvoor hij hen nodig had. Vervolgens zei hij tegen ieder van hen afzonderlijk en persoonlijk: Vertaal voor mij de Leer van Mozes, jullie leraar, in het Grieks.” De Heilige, gezegend is Hij, plaatste in het hart van elk Zijn raad en elk van hen gaf dezelfde vertaling van de woorden van Tora. [In Tora staan passages en woorden die makkelijk tot misverstand en verkeerde uitleg vatbaar zijn. Ptolemeus wist dat en verwachtte dat de 72 Geleerden die woorden en zinnen daarom zouden veranderen. Hij wilde dat onthullen door onafhankelijke vertalingen, maar G-d plaatste dezelfde ideeën in de hoofden van al de 72 Geleerden. Dus volgens R. Jehoeda hebben de Geleerden alleen toegestaan dat de Tora in het Grieks geschreven wordt (volgens R.Sj.b.G.), omdat die toch al door Ptolemeus vertaald was.]

De Baraita noemt de veranderingen op:

1. In plaats van: In het begin schiep G-d” [Gen.1:1], schreven zij: G-d schiep in het begin.”

2. I.p.v. Laat ons de mens maken” [Gen. 1:26], schreven zij: „Ik zal een mens maken naar beeld en vorm.”

3. I.p.v.: En G-d voltooide op de zevende dag” [Gen.2:2], schreven zij: En Hij voltooide op de zesde dag en rustte op de zevende dag.”

4. I.p.v.: Hij schiep hen mannelijk en vrouwelijk” [Gen. 5:2], schreven zij: Hij schiep hem mannelijk en vrouwelijk.”

5. I.p.v.: Laten wij afdalen en laten wij hun taal verwarren” [Gen. 11:17], schreven zij: Ik zal afdalen en Ik zal hun taal verwarren.”

6. I.p.v. Sara lachtte van binnen” [Gen. 18:12], schreven zij: Sara lachtte te midden van haar familie.”

7. I.p.v.: In hun woedde doodden zij een man en in hun opvlieging verminkten zij een os” [Gen. 49:6], schreven zij: „In hun woede doodden zij een os en in hun opvlieging gooiden zij de voederbak om.”

8. I.p.v.: Mosjé plaatste zijn vrouw en kinderen op een ezel” [Ex. 4:20], schreven zij dat hij ze op een vervoermiddel voor mensen” plaatste.

9. I.p.v.: En zij verbleven in Egypte 430 jaar” [Ex. 12:4], schreven zij: En zij verbleven in Egypte en andere landen 400  jaar.”

10. I.p.v.: Hij zond de jongemannen” [Ex. 24:5], schreven zij: Hij zond de vooraanstaanden.”

11.  I.p.v.: Naar de aanzienlijken stak Hij Zijn hand niet uit” [Ex. 24:11], schreven zij: Naar de vooraanstaanden stak Hij Zijn hand niet uit.”

Daf 9b

12. I.p.v. Ik [Mosjé] heb nog geen ezel van hen genomen” [Num. 16:15], schreven zij: Nog niet één begeerd object heb ik van hen genomen.”

13. I.p.v. …die [de hemellichamen] Hasjem aan de volken gegeven heeft” [Deut. 4:19], schreven zij: …die Hasjem aan de volken ter verlichting gegeven heeft.”

14.  I.p.v. En hij aanbidt vreemde goden…die Ik niet geboden heb” [Deut. 17:3], schreven zij: …die Ik niet geboden heb te dienen.”

15. I.p.v . En de arnèvet” [Lev. 11:6], schreven zij: En het dier met de korte poten.”

Bijbelboeken mogen in het Grieks geschreven worden

De Misjna zei: Rabban Sjim’on ben Gamliël heeft gezegd: de Geleerden staan geen andere vreemde taal voor Bijbelboeken toe dan Grieks.

R. Awahoe zei: De halacha is volgens Rabban Sjim’on ben Gamliël (R.Sj.b.G).

R. Jochanan zei: R.Sj.b.G. leert dat van het vers [Gen. 9:27]: „Moge God Jèfet uitbreiden, maar Hij zal wonen in de tenten van Sjem.” [Niet Hij, G-d zal wonen in de tenten van Sjem, maar hij, Jèfet. De Grieken [Jawan] stammen af van Jèfet (zie Gen. 10:2). Dus de Grieken zullen wonen in de tenten van de Joden en Tora leren in het Grieks. Daarom mag de Tora in het Grieks geschreven worden.]

Wetten voor de Kohen Gadol

Misjna Het enige verschil tussen een gezalfde Kohen Gadol en een Kohen Gadol met extra kleren is de stier die verzoening doet voor zijn zonden. [Een Kohen Gadol wordt in zijn ambt geïnaugureerd doordat hij gezalfd wordt en vier extra kleren krijgt, die de gewone Kohaniem niet dragen. Dit is een Gezalfde Kohen Gadol. Als de Kohen Gadol alleen met de vier extra kleren geïnaugureerd wordt en dus zonder de zalving, dat is hij een Meroeba Begadiem – een Kohen Gadol met Extra Kleren. Voor bepaalde overtredingen moet de Gezalfde Kohen Gadol een stier als zoenoffer brengen, terwijl de Meroeba Begadiem dan een schaap moet offeren.]

Het enige verschil tussen een dienst doende Kohen Gadol en een gepensioneerde Kohen Gadol is de stier die op Jom Kippoer door de Kohen Gadol geofferd wordt en de dagelijkse offering van een tiende efa. [Op Jom Kippoer brengt de Kohen Gadol een stier als chataat-offer als verzoening voor zijn  eigen zonden en die van zijn gezin en van alle Kohaniem. De tiende efa is het meel-offer dat de Kohen Gadol iedere dag moet brengen. Beide offers mogen maar eenmaal gebracht worden en worden dus alleen gebracht door de dienstdoende Kohen Gadol.]

Gemara Rav Chisda heeft gezegd: Het begin van de Misjna geeft de mening van de Rabbijnen weer, het tweede deel van de Misjna is de mening van Rabbi Meïr. Want een Baraita heeft geleerd dat volgens Rabbi Meïr ook de Kohen Gadol Meroeba Begadiem de stier voor de verzoening brengt, maar dat de Rabbijnen zeggen dat hij dat niet doet. Dat komt overeen met het eerste deel van de Misjna. En een andere Baraita zegt dat R.Meïr gezegd heeft, dat als een Kohen Gadol tijdelijk ongeschikt wordt om dienst te doen en men stelt een andere Kohen Gadol aan, en de eerste Kohen Gadol wordt vervolgens weer geschikt, dan doet die eerste weer dienst en de tweede niet. Dit steunt het tweede deel van onze Misjna.

Het gebeurde eens dat de Kohen Gadol ongeschikt werd voor de dienst en men benoemde R. Joséf ben Oela uit Tsippori tijdelijk in zijn plaats. Toen de eerste Kohen Gadol weer geschikt werd voor de dienst, beslisten de Geleerden dat R. Joséf ben Oela niet meer als Kohen Gadol mocht dienst doen, om concurrentie met de eerste Kohen Gadol te vermijden, maar dat hij ook niet als gewoon Kohen dienst mocht doen, omdat dit een degradatie zou zijn van heiligheid en we verhogen wel in heiligheid maar we verlagen niet.

Rav Joséf zei: De Misjna geeft de mening van Rebbi weer, die zijn mening baseerde op verschillende Tannaïem.

Publieke en privé altaars

Toen het Heiligdom in Gilgal, Nob en Giv’on stond, mocht men op een privé-altaar zijn eigen offers brengen. Die altaars stonden op een bama – verhoging, de privé-altaren op een kleine bama, het publieke altaar op een grote bama. Tijdens de omzwervingen in de woestijn, en toen het Misjkan in Sjilo en in Jeruzalem stond, waren privé altaars verboden.

Misjna Het enige verschil tussen een grote bama en een kleine bama is het Pesach-offer [dat alleen op de grote bama gebracht mag worden]. De algemene regel is, dat alleen vrijwillige offers op een privé-bama gebracht mogen worden, maar verplichte offers moeten op de centrale publieke bama gebracht worden.

Gemara De Misjna bedoelt: alle offers die verplicht op een bepaalde datum gebracht moeten worden, mogen alleen op het publieke altaar gebracht worden. Dit is de mening van Rabbi Sjim’on, zoals uit een Baraita blijkt: Alleen verplichte gemeenschapsoffers die op een vaste datum gebracht moeten worden, worden op de grote bama gebracht. De Geleerden menen dat ook andere gemeenschapsoffers op de grote bama gebracht kunnen worden. Dat is niet de mening van de Misjna, die dus hier  niet de Rabbijnen volgt.

Misjna Het enige verschil tussen Sjilo en Jeroesjalajiem is dat in Sjilo men lichte kodasjiem en Ma’aser Sjeni  overal mocht eten, waar men het Misjkan kon zien, terwijl men het in Jeroesjalajiem alleen binnen de muren mocht eten. In beide plaatsen mochten kodsjei kodasjiem alleen tussen de gordijnen gegeten worden.


[1] Het Asjoeriet-schrift is het tot vandaag gebruikte Hebreeuwse schrift. Het Ivri schrift is het oud-Hebreeuwse schrift, zoals dat op sommige antieke munten nog wel gevonden wordt.