Archief Megilla

Aanmelden

 Sjabbat 17 februari 2007

 29 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 10

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Toen privé-altaren waren toegestaan (vervolg)

Misjna Het Heiligdom van Sjilo werd gevolgd door een periode waarin privé-bama’s waren toegestaan, maar dat was niet toegestaan na de verwoesting van Jeruzalem.

Gemara [In traktaat Zewachiem (119a) wordt van Dewariem 12:5-9 afgeleid dat Tora verboden heeft om offers op privé-altaren te brengen, maar dat die gebracht moeten worden naar de centrale offerplaats, behalve in de periode vóór en na Sjilo, d.w.z. na de verwoesting van Sjilo.]

De Gemara vertelt dat men volgens R. Jitschak nu, na de Verwoesting, mocht offeren in de Tempel van Chonio [in Alexandrië. Chonio, de zoon van de Kohen Gadol Sjim’on HaTsaddiek, was naar Egypte gevlucht voor een gebeurtenis die in traktaat Menachot (109b) verteld wordt, waar hij een Tempel had opgericht en waarin hij offers bracht]. Zolang de heiligheid op Jeruzalem rustte, was het verboden om daarbuiten offers te brengen. R. Jitschak meende dat met de Verwoesting die heiligheid en dus dat verbod was opgeheven. Verder meende hij dat in die Tempel geen afgoderij bedreven werd. Later trok R. Jitschak zijn mening echter in, want onze Misjna zegt duidelijk dat na de verwoesting van Jeruzalem er geen toestemming was om offers te brengen op privé-altaren. En ook op grond van een andere Misjna (Zewachiem 112b), waar nadrukkelijk staat dat na de Verwoesting van Jeuzalem offers verboden bleven.

De heiligheid van Jeruzalem

[Wajjikra 6:9 zegt dat Aharon en zijn zonen, d.w.z. de Kohaniem, het vlees van kodsjei Kodasjiem alleen in de voorhof van het Misjkan mogen eten. Dit voorhof was omringd met een omheining van gordijnen in de woestijn en in Jeruzalem met een stenen muur. In de volgende Misjna veronderstelt R. Eliëzer dat zonder die muur of omheining de Kohaniem het offervlees niet mogen eten, omdat er dan geen voorhof is, ook al is er wel een heiligdom.]

Een Misjna [in Edoeiot 8:6] leert: Toen men terugkwam uit de Babylonische ballingschap en met de bouw van de Tweede Tempel begon, duurde het nog 23 jaar voordat de muren van het Heiligdom en de muren rondom de Voorhof klaar waren. In die tussentijd had men omheiningen van gordijnen opgericht, zoals in de woestijn. De stenen muur om het Heiligdom kwam later aan de buitenkant rondom de gordijnen omheining, zodat de bouwers niet in het Heiligdom hoefden te komen; de muur om de voorhof werd aan de binnenkant van de gordijnen om het voorhof gebouwd.

Rabbi Jehoesjoe was het echter niet eens met R. Eliëzer. Volgens hem was de heiligheid van Jeruzalem en zijn Tempel niet opgeheven met de Verwoesting, en was het toegestaan om de offers te eten, ondanks dat er geen muren om de Tempel, noch om Jeruzalem waren, zolang er een heiligdom was, waar geofferd werd. Kennelijk begreep R. Jehosjoea dat volgens R. Eliëzer de heiligheid van Jeruzalem gestopt was met de Verwoesting en dat daarom die heiligheid hersteld moest worden door de oprichting van een omheining rondom het Heiligdom en rondom de Voorhof.

R. Eliëzer en R. Jehosjoe’a waren allebei Tannaïem. De Amoraïem van de Gemara stellen nu een vraagteken bij deze verklaring van R. Jehosjoe’a’s reactie op R. Eliëzer: Misschien is ook R. Eliëzer het ermee eens dat de aanvankelijke heiliging van Jeruzalem voor alle tijden geldt [en dus niet gestopt is met de Verwoesting]. En R. Eliëzer eiste alleen maar gordijnen voor de privacy van de Kohaniem, opdat men niet zou staan toe te kijken als zij het offervlees aten.

De Gemara toont nu aan dat er wel degelijk een meningsverschil was onder de Tannaïem, maar andere Tannaïem [dus niet tussen R.Eliëzer en R. Jehosjoe’a], over de continuïteit van de heiligheid van Jeruzalem en de Tempel. De Gemara citeert daartoe twee Baraitot van latere Tannaïem, die weliswaar allebei aan R. Jisjmaël de zoon van R. Jossi worden toegeschreven, maar waarvan de tweede vermoedelijk van R. Elazar de zoon van R. Jossi is. In de eerste Baraita zegt R. Jisjmaël de zoon van R. Jossi dat de heiligheid van Jeruzalem is opgehouden met de verwoesting van Jeruzalem en dat daarmee alle andere zestig ommuurde steden die in de tijd van Jehosjoe’a bin Noen werden veroverd, ook hun heiligheid verloren en dat de bannelingen die in de tijd van Ezra terugkwamen uit Babylonië, niet al die steden herbouwden en daarmee opnieuw heiligden, zodat alleen die steden nog heilig waren die door hen geheiligd waren.

Daf 10b

De tweede Baraita zegt dat die nieuwe heiliging niet nodig was, omdat hun heiligheid bleef voortbestaan, ondanks de Verwoesting. En een aanwijzing dat die tweede Baraita de woorden van R. Elazar de zoon van R. Jossi weergeeft, blijkt uit een derde Baraitas. Wajjikra 25:29-31 gaat over de verkoop van een huis. Wanneer dat huis in een ommuurde stad staat, heeft de eigenaar/verkoper het recht om het binnen een jaar terug te kopen. Als hij dat niet gedaan heeft, gaat het huis voor goed over in handen van de koper. Een huis in een niet-ommuurde stad echter, mag altijd gelost worden en als dat niet gebeurd is, gaat het automatisch in het Joweel-jaar terug naar de oorspronkelijke eigenaar. Vers 30 staat echter anders geschreven dan het wordt uitgesproken. Er staat geschreven: Als het huis in een stad staat die geen muur heeft, dan blijft het huis dat niet binnen een jaar gelost is, permanent het eigendom van de koper.” Het woordje geen is geschreven met een alef: ěŕ , maar wordt uitgesproken alsof er ěĺ – van hem – staat, zodat dan de betekenis is: Als het huis in een stad staat dat een muur heeft…” Hieruit leidt R. Elazar af, dat als het huis een muur bezat in de tijd van Jehosjoe’a, het een ommuurde stad is, ook al heeft hij nu geen muur meer. En zolang Jeruzalem heilig is, is die andere stad dat ook.

‘Wajjehi’, een uitdrukking van pijn

Het eerste vers van Megillat Ester begint met de woorden: Wajjehi – en het was – in de dagen van Achasjveros.”

R. Levi (of R. Jochanan) heeft van de Mannen van de Grote Vergadering overgeleverd gekregen dat iedee uitdrukking in Tanach, die begint met het woord Wajjehi – en het was – een uitdrukking van pijn is [d.w.z. dat het een pijnlijke gebeurtenis introduceert].

De Gemara noemt nu een aantal zinnen uit de Bijbel, die allen beginnen met Wajjehi – en het was – en die allen een trieste gebeurtenis inleiden. Ten eerste dus de geschiedenis van Haman, en verder o.a. de hongersnood in de tijd van de Richteren (Ruth 1:1); de geschiedenis van de Vloed (Ber. 6:1); de oorlog van de vier koningen tegen de vijf koningen; waarbij Lot krijgsgevangen gemaakt werd (Ber. 14:1); de mededeling dat de zonen van Sjmoeël hem niet opvolgden (I Sjmoeël 8:1) en nog enkele.

De Gemara werpt tegen: Wajjehi van Wajjikra 9:1 luid een blijde gebeurtenis in, namelijk de inwijding van het Misjkan!

De Gemara antwoordt: Op die dag stierven de beide zonen van Aharon toen zij vreemd vuur in de Tempel brachten.

Nog meer tegenwerpingen: Wajjehi in I Koningen 6:1 luidt de bouw van de Tempel van Salomo in, een blijde gebeur­tenis! En Wajjehi – en het was – avond en het was ochtend, één dag (Ber. 1:5); en alle volgende dagen van de Schepping die beginnen met Wajjehi; en het verhaal over de ontmoeting van Ja’akov met Rachel (Ber. 29:10). En zo zijn er nog veel meer gelukkige en blijde gebeurtenissen die met Wajjehi beginnen.

De Gemara herstelt de uitspraak van R. Levi: In alle gevallen waar een verhaal begint met Wajjehi – het was – in de dagen van…” leidt dat een trieste gebeurtenis in. En dit komt vijf keer voor in de Bijbel: En het was in de dagen van Achasjveros,” (Ester 1:1); En het was in de dagen van de Richteren (Ruth 1:1); En het was in de dagen van Amrafel” (Ber. 14:1); En het was in de dagen van Achaz (Jesj. 7:1); en: En het was in de dagen van Jehojakiem” (Jer. 1:3).

Andere leringen van R. Levi

R. Levi vertelde: Amotz was de vader van Jesjajahoe en de broer van koning Amatsia. Dus uit Tamar, de schoondochter en latere vrouw van Jehoeda, kwamen als beloning voor haar kuisheid koningen en profeten voort. Waaruit blijkt haar kuisheid? Er staat geschreven (Ber. 38:15): En Jehoeda zag haar [Tamar] en hij dacht dat zij een hoer was, want zij had haar gezicht bedekt.” Een hoer die haar gezicht bedekt? Nee, als schoondochter had Tamar altijd haar gezicht bedekt en daarom herkende Jehoeda haar nu niet.

R. Levi vertelde: De Ark nam geen plaats in in het Heiligdom, d.w.z. had geen afmetingen. Want een Baraita leert: Aan weerskanten van de Ark was tien amot [tot de muur van het Heiligdom]. En verder staat er geschreven [I Koningen 6:20]: De ruimte voor de afscheiding was 20 amot.” En er staat geschreven [I Koningen 6:24-25] dat de spanwijdte van de vleugels van de beide Cherubijnen in het Heilige der Heilige 10 amot was. Dus de Ark nam geen ruimte in.

Introducties tot lessen over de Megilla

R. Jochanan begon zijn les over de Megilla met de volgende verklaring op Jesjajahoe 14:22: Ik zal tegen hen opstaan (…) en hen afsnijden van Babylon, naam, en overige, van nakomelingen en nageslacht, zegt Hasjem.” ‘Naam,’ dat duidt erop dat het Babylonische schrift verloren zal gaan; ‘het overige’ dat duidt op de taal die verdwijnt; de ‘nakomelingen’ zijn de Babylonische koningen en hun ‘nageslacht’ duidt op Vasti, een afstammeling van Newoechadnetsar.

Sjmoeël bar Nachmani verklaarde Jesjajahoe 55:13 woord voor woord als een verwijzing naar de hoofdrolspelers van het Boek Ester.

R. Jehosjoe’a ben Levi introduceerde zijn lezing over het Boek Ester met een verklaring op Dewariem 28:63: „…dan zal Hij zich verheugen om jullie kwaad te doen.” Verheugt G-d zich dan over de val van de booswicht? Er staat toch geschreven [II Kronieken  20:21]: Want G-ds liefde duurt eeuwig”?  En R. Jochanan verklaarde: G-d verheugt zich niet in de val van de Booswicht. [G-d wil alleen dat de booswicht tot inkeer komt en als dat gebeurt, verheugt Hij zich.]

R.Jochanan vertelde dat de engelen een loflied op Hasjem wilde zingen, toen het leger van Par’o in de zee verdronk, maar Hasjem vermaande hen: Mijn handwerk verdrinkt in de zee en jullie willen dat bezingen?” Dus G-d verheugd zich niet over de val van de booswicht.

Wat betekent dan Dew. 28:63?

R.Elazar zei: Hij maakte anderen daar blij mee. [Toen Haman en zijn trawanten verslagen waren, vierden de Joden feest.]

R. Abbabar Kahana begon zijn les over de Megilla met een verklaring over Prediker 2:26: Aan een man die Hem goed deed geeft Hij wijsheid, kennis en vreugde,” (dit slaat op Mordechai) en aan de zondaar geeft hij het vermogen om te verzamelen en op te hopen.” Dit is Haman. Het vers gaat verder: Opdat hij (die zondaar) dat mag doorgeven aan iemand die goed is voor G-d.” Dit zijn Ester en Mordechai, zoals er geschreven staat (Ester 8:2): En Ester benoemde Mordechai over de bezittingen van Haman.” [De rijkdom van Haman ging daarmee over op Mordechai.]

Rabba bar Ofran begon zijn les over de Megilla met een verklaring over Jeremia 49:38: En Ik vestig Mijn troon in Elam en zal vandaar koning en prinsen vernietigen.” [Elam is de staat waarin Soezan lag (Rasji)]. De koning en prinsen, dat zijn Koningin Vasti en de tien zonen van Haman.