Archief Megilla

Aanmelden

 zondag 18 februari 2007

 30 Sjewat 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 11

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Introducties tot lessen over de Megilla (vervolg)

De Gemara gaat verder met de verklaringen van Bijbelverzen, waarmee diverse Geleerden hun lessen over de Megilla begonnen.

Rav Dimi bar Jitschak verklaarde Ezra 9:9: „Want wij zijn slaven, maar in onze slavernij hebben wij onze dienst aan G-d niet verwaar­loosd en Hij strekte Zijn chèsed over ons uit tot de Perzische koningen ” − Dit deed G-d voor ons in de tijd van Haman.

R. Chanina bar Pappa verklaarde Tehilliem 66:12: „U stelde een sterveling over ons aan en wij gingen door vuur en water, maar u bracht ons eruit met overdaad” −  ‘We gingen door het vuur” dit slaat op Chananja, Misjaël en Azarja, die door Newoechadnetsar, de koning van Babylon, in een brandende oven gegooid werden, omdat zij niet voor een afgod wilden buigen.; ‘het water’ slaat op het water waarin Par’o de jongetjes liet gooien; ‘de overvloed’ waarmee de Joden in de tijd van Haman hun overwinning vierden.

R. Jochanan verklaarde Tehilliem 98:3: „Gedenk Zijn chèsed en Zijn vertrouwen in het Huis Israël; de redding door onze G-d werd tot op het einde van de aarde gezien” − In de dagen van Ester en Mordechai wist heel de wereld wat er gebeurd was, want brieven werden over de hele wereld verstuurd.

Reisj Lakisj verklaarde Spreuken 28:15: „Als een brullende leeuw en een grommende beer regeert een rasja over een arm volk” − De brullende leeuw is Newoechadnetsar, over wie geschreven staat [Jer. 4:7]: „Een leeuw kwam uit het struik­gewas.” De grommende beer is Achasjverosj, over wie geschreven staat [Daniël 4:7]: „En zie, een ander beest, een tweede, gelijkend op een beer.” Rav Joséf verklaarde: dit slaat op de Perzen, die eten en drinken en kleden zich als een beer; de slechte heerser, dat is Haman; het arme volk, dat is het Joodse volk, dat arm was in de inachtneming van de mitswot.

R. Elazar verklaarde Spreuken 10:18: „Door luiheid stort het plafond in en door ledigheid van de handen lekt het huis.” Door de luiheid van het Joodse volk, die geen Tora leerden in de dagen van Haman, was Hasjem niet in staat hen te redden.”

R. Nachman bar Jitschak verklaarde Tehilliem 24:1-2: „Een opgangslied…  als Hasjem niet met ons was, toen iemand tegen ons opstond” − die ‘iemand’ was Haman.

Rawa verklaarde Spreuken 29:2: „Met de verheffing van de rechtvaardigen, verheugt zich het volk, maar wanneer de booswicht regeert, zucht het volk” − De rechtvaardigen, dat zijn Mordechai en Ester, de booswicht, dat is Haman.

De Gemara gaat verder met de woord voor woord verklaring van het eerste vers van het Boek Ester: „Wajehi − en het was − in de dagen van Achasjverosj, dit is Achasjverosj, die regeerde van Hodoe tot Koesj, over 127 provincies.”

Rav verklaarde Ester 1:1: „Wajehi − en het was − in de dagen van Achasjverosj” − Het woord Wajehi kan men lezen als: ‘wai wehi’ − wee en rouw. Dit is de vervulling van: „Jullie zullen jezelf als slaven verkopen aan jullie vijanden” [Dew. 28:68].

Sjmoeël verklaarde Wajjikra 26:44: „Ik verafschuw hen niet en Ik veracht hen niet zozeer, dat Ik hen wil vernietigen en Mijn verbond met hen wil verbreken, want Ik ben Hasjem hun G-d” − „Ik verafschuw hen niet” in de dagen van de Grieken; „Ik veracht hen niet” in de dagen van Newoechadnetsar; „Dat Ik hen wil vernietigen” in de dagen van Haman; „Mijn verbond met hen wil verbreken” in de dagen van de Perzen; „Want Ik ben Hasjem, hun G-d” in de dagen van Gog en Magog.

Een andere verklaring van dit vers: „Ik verafschuw hen niet” in de dagen van van Babylon, toen Ik voor hen Daniël, Chananja, Misjaël en Azarja aanstelde;

„Ik veracht hen niet” in de dagen van de Grieken, dat Ik voor hen Sjim’on HaTsaddiek en de Chasjmoneeërs aanstelde;

„Om hen te vernietigen” in de dagen van Haman, toen Ik voor hen Mordechai en Ester aanstelde;

„Om Mijn verbond te breken” in de dagen van de Perzen, toen Ik voor hen het huis van Rebbi en de Geleerden vestigde;

„Want ik ben Hasjem, jullie G-d” in de Komende Wereld, als geen enkel ander volk over hen zal kunnen regeren.

R. Levi verklaarde Bamidbar 33:55: „Maar wanneer jullie de inwoners van het land niet verdrijven.”

R. Chia verklaarde Bam. 33:56: „Dan zal het gebeuren dat wat Ik hen had toegedacht, Ik jullie zal doen overkomen.”

Rav verklaarde de naam ‘Achasjverosj’: Ach sjel rosj − de broer van het hoofd − want hij was de broeder [in het kwaad] van de slechte Newoechadnetsar, die het hoofd was.

Sjmoeël zei: hij werd Achasjverosj genoemd omdat in zijn tijd de gezichten van de Joden zo zwart werden als een pot, die zwart is van het vuur [dit is een woordspeling op de letters van de naam Achasjverosj].

R. Jochanan: Het is een combinatie van ach [en wee] op mijn rosj [hoofd].

R. Chanina: Iedereen werd arm in zijn tijd, door zijn belastingen [zie Ester 10:1].

„Dat is Achasjverosj”  − hij bleef slecht, van begin tot eind.

„Dat is Esav” [Ber. 36:43] − hij bleef slecht, van begin tot eind.

„Dat is Datan en Aviran” [Bam. 36:9] − zij bleven slecht, van begin tot eind.

„Dat is Koning Achaz” [II Kronieken 28:22] − hij bleef slecht, van begin tot eind.

„Awram, dat is Awraham” [I Kronieken 1:26] − hij bleef rechtvaardig van begin tot eind.

„Dat is Aharon en Mosjé” [Sjem. 6:27] − zij bleven rechtvaardig van begint tot eind.

De Gemara vervolgt met de woord voor woord verklaring van het eerste vers van Ester:

Rav verklaarde: „…die regeerde…” dat betekent dat hij zelf de regering op zich genomen had, en die niet geërfd had.

Rav en Sjmoeël discussiëren hierover: de één zegt dat Hodoe aan het ene eind van de wereld ligt en dat Koesj aan het andere eind ligt [dus Achasjverosj regeerde over de hele wereld], en de ander zegt: Hodoe en Koesj lagen naast elkaar en zoals hij over beide regeerde, zo regeerde hij over heel de wereld.

„Over 127 provincies”

Rav Chisda verklaart: Eerst regeerde hij over 7 provincies, daarna over nog eens 20 en daarna over nog eens 100.

Vraag: Er staat geschreven [Ex. 6:20]: „En de levensjaren van Amram waren honderd-en-zeven-en-dertig jaar.” Hoe verklaar je dat?

Antwoord: Dat vers is anders, maar hier, in het Boek Ester zijn de woorden „honderd-zeven-en-twintig” overbodig, want er staat al dat hij regeerde van Hodoe tot Koesj, dat is over de hele wereld. Dus die woorden komen ons iets extra’s vertellen.

Drie koningen regeerden over de hele wereld

Een Baraita: Drie koningen regeerden over de hele wereld: Achav, Achasjverosj en Newoechadnetsar.

Van Achav weten we dat, want Ovadja zei tegen Eliahoe dat Achav hem over de hele wereld gezocht had [I Koningen 18:10].

Van Newoechadnetsar blijkt dit uit Jeremiahoe 27:8, en van Achasjverosj hebben we het zojuist afgeleid.

Daf 11b

Vraag: Zijn er niet nog meer? Sjlomo regeerde ook over de hele wereld!

Antwoord: Hij heeft zijn regering niet afgemaakt en daarom wordt hij niet genoemd.

Vraag: Dat is de mening van diegenen die zeggen dat hij niet in het Koningschap hersteld werd, maar volgens degenen die zeggen dat hij wel in zijn koningschap hersteld werd?

Antwoord: Eerst regeerde hij over de lagere wezens en over de hogere wezens [demonen], maar toen hij op zijn troon hersteld werd, regeerde hij niet meer over de hogere wezens, alleen nog over de lagere.

Vraag: Waarom wordt Sancherev niet genoemd?

Antwoord: Hij veroverde niet Jeruzalem.

Vraag: En Darius? Daniël 6:26 zegt dat hij naar alle volken op heel de aarde schreef!

Antwoord: Hij miste 7 landen, zoals er geschreven staat [Dan. 6:2]: „En hij stelde 120 stadhouders aan.”

Vraag: En Koresj [Cyrus]? Er staat geschreven [Ezra 1:2]: „Aldus sprak Koresj, Koning van Perzië: al de koninkrijken van de aarde heeft G-d mij gegeven.”

Antwoord: Cyrus schepte alleen maar wat op.

De misrekening van de 70 jaar ballingschap

De Gemara gaat verder met de analyse van het volgende vers van de Megilla: „In die tijd dat de koning zat [op zijn koninklijke troon].”

De Gemara vraagt:  Het volgende vers heeft het over het derde jaar van zijn regering. Wat betekenen dan die woorden „dat de koning zat”?

Rava antwoordt: Dat betekent: toen zijn gemoed zich gesetteld had. Toen hij rustig was geworden in het derde jaar betreffende de Joden. [Jeremiahoe had voorspeld dat de ballingschap 70 jaar zou duren en die waren nu volgens de berekening van Achasjverosj voorbij en de Joden waren nog steeds zijn slaven.] Hij wist dat zijn voorganger, Belsjazar zich in de berekening vergist had, maar hij dacht dat hij het goed gerekend had.

Hoe had Belsjazar zich verrekend?

Newoechadnetsar, die Jeruzalem verwoest had, regeerde 45 jaar [van 3319-3363 (441-397 vGJ)].

Evil Merodach, zijn opvolger regeerde 23 jaar [van 3363-3386 (397-374 vGJ)].

Belsjazar had twee jaar geregeerd [van 3386-3388 (374-370 vGJ)].

Dat is samen 70 jaar. Een jaar later [3389 (371 vGJ)], ter gelegenheid van zijn overwinning op Darius de Pers, haalde hij daarom de geplunderde bekers en schalen uit de Tempel te voorschijn en gebruikte ze bij zijn feestmaal, zo zeker was hij van zijn zaak. En er staat geschreven [Dan. 5:30]: „Diezelfde nacht werd Belsjazar verslagen.” En Darius werd koning toen hij 62 jaar oud was.

De berekening van Achasjverosj

Achasjverosj redeneerde aldus: De profetie van Jeremiahoe sprak niet over 70 jaar koningschap van Babylonië, maar van 70 jaar ballingschap in Babylonië en die begon met de ballingschap van Koning Jehojachien, welke acht jaar na de troonsbestijging van Newoechadnetsar begon. Dus bij de dood van Belsjazar moesten er nog acht jaar van balling­schap verlopen volgens de profetie (volgens de berekening van Achasjverosj):

Darius en Cyrus regeerden samen  5 jaar [van 3389-3393 (371-375 vGJ)].

Dus 1 jaar van Belsjazar plus 5 jaar van Darius en Cyrus is samen 7 jaar. Na twee jaar regering van Achasjverosj zelf, bij het begin van zijn derde jaar was hij ervan overtuigd dat nu de 70 jaar van de profetie voorbij waren. Hij was er zeker van dat de Joden nu nimmer meer zouden verlost worden. Hij haalde het vaatwerk van de Tempel te voorschijn, en hij werd prompt gestraft: zijn vrouw Vasti werd gedood.

Echter ook Achasjverosj verrekende zich: hij had moeten beginnen bij de verwoesting van Jeruzalem, 11 jaar later.

Rawa zei: sommige jaren van zijn berekening waren geen hele jaren, maar slechts gedeelten van jaren. Hij zat er 2 jaar naast.