Archief Megilla

Aanmelden

 21 februari 2007

 3 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 14

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De verkoop van Israël

Op de vorige daf werd verteld hoe Haman en Achasjverosj Israël verhandelden. De Gemara  vergelijkt hen met twee mannen, de een heeft een berg afval op zijn grond liggen, die hij graag kwijt wil, de ander heeft een kuil in zijn grond die hij graag op wil vullen. Ze ontmoeten elkaar en helpen elkaar. De een heeft de ander nodig.

De Gemara gaat verder met de Megilla (vers 3:10): De koning deed zijn ring af.”

R. Abba bar Kahana zei: dit afdoen van de ring had meer effect dan de vermaningen van 48 profeten en 7 profetessen, want die waren niet in staat tot waartoe die ring wel in staat was: namelijk dat Israël tesjoewa deed.

De Gemara vraagt: Waarop baseerden de profeten zich dat zij het lezen van de Megilla verplicht konden stellen?

R. Chia bar Awin antwoordt:  Toen de Joden uit de slavernij van Egypte bevrijd waren, zongen zij een lied [sjier hajam – het lied van de zee (Rasji), volgens anderen Hallel]. Nu hun leven gered werd, hoeveel te meer moet dat herdacht worden.

De Gemara vraagt: Waarom zeggen we dan niet Hallel?

1e Antwoord: We zeggen geen Hallel voor een wonder dat buiten het Land Israël plaatsvond, sinds wij in het Land wonen en alles buiten Israël nu ‘buitenland’ is.

2e Antwoord (R. Nachman): Het lezen van de Megilla is als Hallel [d.w.z. dat wie geen Megilla heeft, Hallel moet zeggen].

3e Antwoord (Rawa): Bij de Exodus werden we volledig bevrijd, met Poeriem niet, we bleven slaven van Achasjverosj. [Dus ook iemand die geen Megilla heeft, zegt geen Hallel.] [Zo ook Sj.A.O.Ch. 693:3 en M.B. n. 7.]

De Gemara vraagt: Waarom zeggen we dan wel Hallel op de eerste dag van Pesach [de Exodus gebeurde ook buiten Israël]?

De Gemara antwoordt: Toen woonden we nog niet in het Land en was Egypte dus geen buitenland. Toen de gebeurtenis van Poeriem plaatsvond, woonden we al in het Land en Perzië was dus ‘buitenland.’

De 48 profeten en 7 profetessen

De Gemara vraagt: Waren er niet meer dan 55 profeten? Maar er was een man [Elkana] uit Ramataim Tsofiem [I Sjmoeël 1:1], dat betekent dat hij kwam uit een plaats met 200 profeten [mataim = 200, tsofiem zijn profeten]. Dus er waren er meer?

De Gemara antwoordt: Er waren veel meer profeten, er waren 1,2 miljoen profeten, maar alleen de namen van profeten die iets gezegd hebben dat van betekenis was voor toekomstige generaties, werden opgeschreven.

Een andere verklaring voor Ramataim: Hij kwam van een plaats gelegen op twee heuvels [ramot – heuvel] die tegenover elkaar lagen [tsofiem – elkaar zien].

R. Chanin verklaart: Hij was een afstammeling van hoogstaande mensen, namelijk van de zonen van Korach en er staat geschreven [Bam. 26:11]: De zonen van Korach stierven niet.” [Hoewel zij aanvankelijk met hun vader meededen, kregen zij halverwege spijt en kwamen tot inkeer, daarom werden zij gered.] Toen de aarde zich opende om Korach en zijn bende op te slokken, zorgde Hasjem voor een verhoogde plaats in Gehinnom, waarop zij konden staan en zo werden zij gered.

De zeven Profetessen

Wie waren die zeven profetessen? Sara, Miriam, Dewora, Channa, Avigail, Choelda en Ester.

Sara, want Ber. 11:29 zegt dat Haran de vader was van Milka en Jiska, en R. Jitschak zegt dat Jiska Sara is en ze wordt zo genoemd omdat zij een zieneres was [Jiska komt dan van sacha – zien], zoals er geschreven staat [Ber. 21:12]: Alles was Sara tegen je zegt, luister naar haar stem.” [Het overbodige woord ‘stem’ duidt op iets speciaals in die stem.]

Miriam was een profetes, zoals er geschreven staat [Sjemot 15:20]: En toen nam Miriam de profetes, de zuster van Aharon.”

Dewora, zoals er geschreven staat [Richteren 4:4]: En Dewora, de profetes, de vrouw van Lapidot.”

De Gemara vraagt: „En ze zat onder een palmboom” [Richteren 4:5]. Waarom speciaal een palmboom?

De Gemara antwoordt: Ter voorkoming van overtreding van het verbod op jichoed [een man en vrouw, indien niet samen getrouwd] mogen zich niet samen alleen ergens afzonderen. Onder de palmboom kon iedereen haar goed zien].

Channa, zoals er geschreven staat [I Sjmoeël 2:1]: En Channa bad en zei: Mijn hart verheugt zich in G-d, mijn hoorn is verheven in Hasjem.” Ze zei: ‘mijn hoorn’, niet ‘mijn fles’. Dit was een profetie, want David en Sjlomo werden gezalfd met olie uit een hoorn en hun regering werd verlengd, maar Sjaoel en Jehoe werden gezalfd met olie uit een fles en hun regering werd niet verlengd.

Avigail, zoals er geschreven staat [I Sjmoeël 25:20]: En zij reed op een ezel en ze kwam omlaag onder de dekking van de berg.” [David was op weg om de man van Avigail, Naval, te doden, omdat Naval David gekleineerd had. Avigail ging David op haar ezeltje tegemoet, en wist hem te overtuigen van de onrechtmatigheid van zijn bedoelingen. Davids hartstocht ontbrandde voor haar, maar ook dat wist zij te sussen, maar zij voorspelde daarbij dat David de volgende keer voor een dergelijke gelegenheid zou struikelen. En dat gebeurde met Batsjewa. Dat was haar profetie.]

Daf 14b

Choelda, zoals er geschreven staat [II Koningen 22:14]: En zo gingen Chilkiahoe de Kohen en Achikam (…) naar Choelda de profetes.” [Chilkiahoe had, bij de herstelwerkzaamheden van de Tempel, een oude Tora-rol gevonden, die opgerold was tot vers Dewariem 28:36, waarin de ballingschap van het Joodse volk en zijn koning voorspeld wordt. Koning Josjia zond daarop Chilkiahoe naar Choelda om te horen of die profetie voor hem bestemd was.]

Vraag: Hoe kon Choelda profeteren in de tijd van Jeremiahoe en hoe kon Jerimiahoe dat tolereren?

Antwoord: Choelda was familie van Jeremiahoe en daarom had hij er geen bezwaar tegen.

Vraag: Waarom stuurde Koning Josjia Chilkiahoe naar Choelda en niet naar Jeremiahoe?

Antwoord: Omdat vrouwen genadiger zijn dan mannen [zij zou met meer kracht Hasjem om genade bidden].

Een ander antwoord: Jeremiahoe was niet thuis. Hij was op weg om de tien stammen, die door Sancheriv in ballingschap waren meegevoerd, terug te halen uit Assyrië.

Ester, zoals er geschreven staat [Ester 5:1]: En op de derde dag kleedde Ester zich koninklijk.”

Vraag: Waarom staat er niet dat zij zich kleedde in koninklijke kleding?

Antwoord: Het betekent dat Ester gekleed was in een G-ddelijke omhulling, de Roeach Hakodesj – Heilige Geest  –rustte op haar.

Rav Nachman zei: Beroemdheid past niet bij vrouwen. Er waren twee beroemde vrouwen en de betekenis van hun namen is afschuwelijk. Over Dewora [bij] staat er geschreven: Zij zond om Barak en liet hem roepen,” maar ze ging niet naar hem toe. En betreffende Choelda [rat] staat er geschreven [II Koningen 22:15]: Vertel het de mannen,” en ze zei niet: vertel het de koning.” [Dus ze waren beide niet respectvol.]

Rav Nachman zei: Choelda was een nakomelinge van Jehosjoe’a.

Uit een Baraita blijkt wat anders: Acht profeten kwamen voort uit Rachav, de hoer: Neria, Baroech, Seraja, Machseia, Jeremia, Chilkia, Chanamel en Sjaloem. R. Jehoeda zegt: ook Choelda de profetes was een nakomeling van Rachav.

Rav Nachman antwoordde: Rachav bekeerde zich tot het Jodendom en Jehosjoe’a trouwde met haar. [Dus Choelda was een nakomelinge van Rachav en Jehosjoe’a.]

Vraag: Had Jehosjoe’a dan zonen? [In I Kronieken 7:20-27 worden de nakomelingen van Efraïm, de zoon van Joséf, opgenoemd en dat stopt bij Jehosjoe’a. De Gemara veronderstelt daarom dat Jehosjoe’a geen zonen had.]

Antwoord: Hij had geen zonen, maar hij had dochters.