Archief Megilla

Aanmelden

 22 februari 2007

 4 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 15a

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De Profeten

De vorige baraita noemde acht profeten. Vier daarvan, Jeremia, Chanamel, Baroech en Sereia waren de zonen van de andere vier, Chilkia, Sjalloem, Neria en Machseia.

De Gemara vraagt:  Van de eerste vier is het bekend dat zij profeten waren, zij worden expliciet in Tanach genoemd. Maar wat weten wij van de laatste vier, die de vaders waren van de eerste vier? 

De Gemara antwoordt: Oela heeft gezegd dat als in Tanach de naam van de vader van een profeet genoemd wordt, dan betekent dit dat ook die vader een profeet was; wanneer zijn vader niet genoemd wordt, dan betekent dit dat de vader geen profeet was.

Wanneer met de naam ook zijn stad genoemd wordt, dan kwam de profeet uit die stad; zo niet, dan kwam hij uit Jeruzalem.

Wanneer een man en zijn voorouders genoemd worden en hij wordt geprezen, dan geldt dat ook voor zijn voorouders en wanneer er iets slechts over hem verteld wordt, dan waren zijn voorouders ook slecht.

Rav Nachman: Malachi is Mordechai en hij werd Malachi genoemd omdat hij de tweede in macht was na Achasjverosj. [Hij was belangrijk als een engel en daarom wordt hij Malachi − engelachtig − genoemd (Maharsja).]

De Gemara werpt tegen: Een baraita zegt dat o.a. Mordechai en Malachi profeteerden in het tweede jaar van Darius. Dus dat waren twee verschillende profeten!

Een Baraita: R. Jehosjoe’a ben Korcha zei: Malachi was Ezra. De Geleerden zeggen: hij was zelf een profeet [D.w.z. Malachi was niet de tweede naam van iemand anders.]

Rav Nachman zei: Het is waarschijnlijk dat Malachi Ezra is, want in het Boek Malachi (2:11) worden de mannen van Jehoeda, die zich niet-Joodse vrouwen genomen hebben, aangevallen en dat is precies wat Ezra deed, zoals blijkt uit Ezra 10:2 [en zie ook Ezra 10:10].

Vier schone vrouwen

Een baraita: Er waren vier vrouwen van buitengewone schoonheid: Sara, Awigail, Rachav en Ester. De Gemara merkt op: volgens sommigen had Ester een groenige tint en moet Vasti in haar plaats genoemd worden.

Een Baraita: Rachav wekte alleen al met haar naam lust op, Jael met haar stem, Awigail door aan haar te denken en Michal de dochter van Sjaoel met haar verschijning.

Ester gaat naar de koning

„En Mordechai wist wat er gebeurd was … en hij jammerde hevig en bitter.” Hij zei (volgens Rav) dat Haman boven Achasjverosj was uitgegroeid. Volgens Sjmoeël zei hij: „De Hoogste Koning heeft de laagste koning overwonnen.” [Dit is een eufemisme voor het omgekeerde.]

Vers 4:4: „Watitchalchal de koningin.” Wat betekent dat? [Het wordt doorgaans vertaald met: zij schrok zeer.]

Antwoord 1 (Rav): Zij werd ongesteld.

Antwoord 2 (R. Jeremia): Ze moest naar het toilet.

Vers 4:5: „Ester ontboot Hatach.” Rav verklaarde: dat was Daniël en hij wordt Hatach genoemd, omdat Achasjverosj hem chatach − hem zijn grootheid ‘afsneed’ [Daniël had aan de hoven van Belsjazar, Darius en Cyrus een vooraanstaande positie bekleed en die had Achasjverosj hem afgenomen.

     Sjmoeël zei: Alle koninklijke besluiten werden door Daniël nichtachien − besloten.

Vers 4:5 vervolgt: „Zij zond hem [Hatach] naar Mordechai om uit de zoeken wat dit was en wat dat was.” [D.w.z. waarom Mordechai in zak en as zat.] R. Jitschak verklaart: Zij zond hem een boodschap en vroeg of Israël misschien [de Tien Geboden en daarmee] de vijf boeken van Tora had overtreden.

[Mordechai laat Ester vragen om bij Achasjverosj te pleiten voor haar volk, hetgeen zij weigert, omdat dit haar leven in gevaar kan brengen.]

Vers 4:12: „Men vertelde Mordechai het antwoord van Ester.” Dus Hatach ging niet terug naar Mordechai om hem dit antwoord te vertellen, maar anderen deden dat. We leren hiervan dat men niet teruggaat met een slechte boodschap.

Vers 4:16: „Ik zal naar de koning gaan, al is dat tegen de gewoonte.” R. Abba verklaart: Tegen mijn gewoonte, want eerst ging ik gedwongen en nu uit vrije wil.

Het vers vervolgt: „Als ik verlies dan zal ik veliezen.” Dit betekent: zoals ik mijn ouders verloren heb, zo zal ik ook voor jou verloren zijn [want als ze vrijwillig zou toegeven aan Achasjverosj’ verlangens, dan zou zij verboden worden voor haar echtgenoot (Mordechai).]

Vers 4:17: „Waja’awor Mordechai − en Mordechai overtrad” [doorgaans vertaald met: „En Mordechai ging heen.”] D.w.z. hij overtrad het verbod om op de eerste dag van Pesach te vasten, want hij liet het volk drie dagen vasten (zoals Ester gevraagd had) en in die drie dagen viel ook de eerste dag van Pesach.

Uitspraken van R. Elazar

R. Elazar zei:Men moet het belang van een zegen van een eenvoudig persoon niet onderschatten. David werd gezegend door Aravna [II Sjmoeël 24:23] en Daniël werd gezegend door Darius [Daniël 6:7] en beide zegeningen kwamen uit.

R. Elazar zei ook: Men moet het belang van een vloek door een eenvoudig persoon niet onderschatten. Awimèlech vloekte Sara [Ber. 20:16]: „…dit zal uw ogen bedekken.” En Sara’s zoon Jitschak werd blind toen hij oud werd.