Archief Megilla

Aanmelden

 vrijdag 23 februari 2007

 5 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 16

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De val van Haman

[De Megilla vertelt dat Koning Achasjverosj niet kon slapen en zich liet voorlezen uit het boek der kronieken van het paleis. Wanneer hem verteld wordt hoe Mordechai hem gered heeft van een samenzwering tegen zijn leven, vraagt hij wat voor beloning Mordechai daarvoor gekregen heeft.]

Vers 6:3: „Niets werd voor hem gedaan.”

Rawa merkt hierover op: Dit zeiden ze niet uit liefde voor Mordechai, maar omdat zij Haman haatten [en zij veronderstelden, dat als de koning nu Mordecchai zou belonen, dit Haman zou ergeren].

De Megilla vervolgt en vertelt dat Haman naar de koning is gekomen om hem te vertellen van de galg die hij opgericht heeft:

Vers 6:4: „Hij maakte [een galg] voor hem gereed.” Een baraita licht toe: Voor hemzelf maakte hij het gereed. D.w.z. vanaf dat moment was in de Hemel al beslist voor wie de galg bestemd zou zijn.

De Megilla vertelt hoe Achasjverosj Haman opdracht geeft Mordechai in koninklijke kleren op een paard door de stad te leiden als beloning. „Daarop nam Haman de kleren en het paard” [vs. 6:11] en ging op zoek naar Mordechai, die hij vond, terwijl hij les gaf over kemitsa[1] aan zijn leerlingen. De Gemara vertelt dat Mordechai dacht dat Haman boze plannen met hem had en stuurde zijn leerlingen weg en hulde zich in zijn jas en begon te bidden. Toen Haman zag dat Mordechai aan het bidden was, wachtte hij en vroeg ondertussen aan de leerlingen van Mordechai wat zij aan het leren waren. Zij vertelden hem over de kemitsa en wat dat was, waarop Haman antwoordde: „Dan heeft jullie handvol meel mijn tienduizend zilveren kikariem[2] verdrongen die ik Achasjverosj wilde geven om alle Joden te vernietigen.”

Toen hij dit hoorde riep Morechai uit: „Schurk, je was mijn slaaf en alles wat een slaaf bezit, is van zijn meester.” Dus dat geld wat je Achasjverosj aanbood, was mijn geld. [Volgens de Midrasj Jalkoet Ester had Haman zich, vele jaren daarvoor, aan Mordechai als slaaf verkocht.]

De Gemara vertelt verder hoe Haman Mordechai uitnodigde de kleren van de koning aan te trekken en op het paard plaats te nemen, maar Morechai wilde zich eerst baden en zijn haar laten knippen. Zij gingen samen naar het badhuis, waar Ester de badhuismeester had laten gevangen nemen, zodat nu Haman zelf Mordechai moest baden en knippen. Haman kreunde dat hij zo laag gezonken was, dat hij, de gunsteling van de koning, Mordechai’s haar moest knippen. Maar een Baraita leert: Haman was de kapper van het dorp Kartzoem gedurende 22 jaar!

Vervolgens nodigde Haman Mordechai uit om op het paard te klimmen. Mordechai antwoordde hem dat hij dat, ten gevolge van zwakte door het vasten niet kon. Dus Haman boog, zodat Mordechai op zijn rug kon stappen en zo op het paard kon klimmen, overeenkomstig wat er geschreven staat [Dew. 33:29]: „Je vijanden verloochenen zich voor jou en je zult op hun hoogten treden.” [Waarover Rasji schrijft: dat betekent: zet je voeten op de halzen van hun koningen.”]

Daarna leidde Haman Mordechai op het paard door de stad en de dochter van Haman stond op het dak van hun huis en zag de stoet langskomen. Ze dacht dat de man die op het paard zat, haar vader was en dat de man die voor het paard liep, Mordechai was. Ze pakte de po keerde de inhoud daarvan op het hoofd van haar vader, in de veronderstelling dat dit Mordechai was. Toen ze zag dat het haar vader was, viel zij van schrik en ellende dood van het dak. En dat is de betekenis van vers 6:12: „En Haman snelde naar huis, treurende, met het hoofd omhuld.” Treurende om de dood van zijn dochter en met zijn hoofd omhuld met wat zij daarop gegooid had.

De Megilla vermeldt hoe Haman vervolgens aan zijn vrouw en vrienden vertelt wat er gebeurd is en zij antwoorden hem: „Als Mordechai komt van de stam van Jehoeda, dan zul je niet van hem kunnen winnen, je zult zeker voor hem vallen.” Want als hij van een van de andere stammen afkomstig was, had Haman hem kunnen overwinnen, maar niet van de stammen Jehoeda, Binjamin, Efraim of Menasje, zoals er geschreven staat over Jehoeda [Ber. 49:8]: „Je hand is op de nek van je vijanden.” En over de andere drie staat er geschreven [Tehilliem 80:3]: „Voor Efraim, Binjamin en Menasje, laat Uw kracht ontwaken.” [Als G-d zijn kracht laat ontwaken voor deze drie, kan niemand daar tegenop.]

Vers 6:14: „En terwijl zij nog met hem spraken, kwamen de ministers van de koning gehaast om Haman naar de maaltijd van Ester te brengen.” Hij had niet eens tijd om zich te verschonen van de viezigheid op zijn hoofd. Zo verscheen hij voor de koning.

Vers 7:4: Ester zei tegen de koning: „Wij, ik en mijn volk, zijn verkocht om uitgeroeid te worden. Maar de verdrukker stoort zich zelfs niet aan de schade die hij de koning bezorgt.” Hij heeft Vasti laten doden, omdat hij jaloers op haar was en nu is hij jaloers op mij en wil hij mij ook doden. Hierop reageerde de koning met:

Vers 7:5: „Toen sprak de koning en zei tegen Ester…” R. Abahoe verklaarde: Eerst sprak hij tot haar via een vertaler, maar toen zij vertelde dat zij afstamde van Koning Sjaoel, sprak hij rechtstreeks tot Ester.

Als Ester Haman als de schurk heeft aangewezen, gaat de koning kwaad naar de tuin, waar hij, zo vertelt de Gemara, dienstdoende engelen, verkleed als mannen ziet, die de bomen uit zijn tuin rooien. „Dat heeft Haman ons opgedragen,” vertellen zij hem.

Als de koning terugkomt in het huis „valt Haman op het bed van Ester.” De Gemara zegt: Er had moeten staan: ‘hij was gevallen.’ R.Elazar verklaart: het leert ons dat Haman trachtte op te staan maar dat een engel hem omlaag duwde.

Op dat moment komt in het verhaal Charewona binnen en vertelt van de galg die Haman voor Mordechai heeft opgesteld. R.Elazar verklaart: Hij was eerst een van de adviseurs van Haman, maar nu hij zag dat Haman verloor, koos hij de andere kant. Op hem slaat het vers [Ijov 27:22]: „Maar G-d werpt ongeluk om hem [op de booswicht] en Hij heeft geen medelijden met hem, ook al wil hij vluchten.”

Vers 7:10: „En de woede van de koning sjachacha − kwam tot bedaren.” De extra chaf komt vertellen dat zowel de woede van de Koning der koningen als van Achasjverosj bedaarde. En een andere verklaring. Het slaat op de dubbele woede van Achasjverosj, eenmaal omdat Haman Vasjti had laten doden en eenmaal omdat hij Ester wilde laten doden.

Daf 16b

Joséf en zijn broers

De Gemara gaat nu over op de verklaring van een aantal verzen uit Bereisjiet.

Ber. 45:22: „Aan ieder gaf hij kleren om te wisselen, maar aan Binjamin gaf hij … vijf kleren om te wisselen”.

De Gemara vraagt: Hoe kan het dat Joséf, die zelf verkocht werd door de jaloezie die zijn mooiere kleding opwekte, welke hij van zijn vader Ja’akov gekregen had, nu diezelfde fout maakte door zijn broer meer te geven dan de anderen?

R. Binjamin bar Jèfet verklaart: Joséf gaf hiermee aan Binjamin te kennen dat in de toekomst iemand [Mordechai] uit hem zou voortkomen, die in vijf koninklijke kleren zou uitgaan, zoals er geschreven is [in Ester 8:15].

Ber. 45:14: „En hij [Joséf] viel om Binjamins halzen en huilde.” De Gemara vraagt: waarom staat er ‘halzen’? Hoeveel halzen had Binjamin?

De Gemara antwoordt: Joséf huilde om de beide Tempels, die op het grondgebied van Benjamin zouden staan en die verwoest zouden worden. „En Binjamin huilde om zijn hals,” d.w.z. hij huilde om het verlies van het Misjkan dat in Sjilo zou staan, op het grondgebied van Joséf.

Ber. 45:12: „En zie, jullie ogen zien zoals de ogen van mijn broer Binjamin zien”. R. Elazar verklaart: Zoals ik geen wrok koester tegen Binjamin, mijn broer, zo koester ik geen wrok tegen jullie.

Ber. 45:23: „Aan zijn vader zond hij tien ezels, beladen met het beste van Egypte”. Dat is oude wijn, want dat behaagt oude mensen. [Dat verwarmt hen (Maharsja).]

Ber. 50:18: „Daarna gingen ook zijn broers en vielen voor hem neer.” R. Elazar verklaart: Dit is de betekenis van wat men zegt: „Als het uur van de vos gekomen is, buig dan voor hem.” D.w.z. als de minderwaardige vos zich tot koning heeft verheven, dan zal zelfs de echte koning, de leeuw, voor hem buigen.

De Gemara werpt tegen: was Joséf dan een vos, inferieur bij zijn broers vergeleken?

De Gemara herstelt zich daarop: het heeft betrekking op Ber. 47:31: „Toen boog Israël in de richting van het hoofd van het bed.” Zijn bed, dat waren zijn kinderen en Joséf was daar nu het hoofd van. Als het uur van de vos gekomen is, buig dan voor hem!

Ber. 50:21: „En hij [Joséf] troostte hen [zijn broers] en sprak tot hun hart.” Hij zei: „Als tien lichten [de tien broers] niet één licht kunnen doven, hoe kan dan één licht tien lichten doven?”

De Joden hadden licht

De Gemara gaat verder met de verklaring van de Megilla.

Vers 8:16: „Bij de Joden was licht en vreugde, blijdschap en eer.” Rav Jehoeda verklaart: ‘Licht’ is Tora, ‘vreugde’ is Jom Tov, ‘blijdschap’ is besnijdenis en ‘eer’ is tefillien, want er staat geschreven [Dew. 28:10]: „Want alle volken van de wereld zullen zien dat de naam van G-d op jou genoemd is en zij zullen ontzag voor je hebben.” R. Eliëzer zei: deze ontzag inboezemende voorwerpen zijn de tefillien van het hoofd.

Vers 9:7-10: In deze verzen worden de tien zonen van Haman opgenoemd, die werden opgehangen. De Gemara zegt daarover: de namen van de tien zonen en het woord tien van vers 10 moeten door de lezer in één adem worden uitgesproken. [Dit is lechatchila − zo hoort het − maar bedi’avad − achteraf − als men het niet in één adem gezegd heeft, heeft men zijn plicht toch gedaan (Tosafot).] Dit is zo, omdat zij allen tegelijkertijd stierven.

R. Jochanan zei: de letter Wav van de laatste naam, Waizata [die groot geschreven is] moet verlengd worden. [Volgens sommigen betekent dit dat die letter wav extra groot geschreven moet worden, en volgens anderen dat hij extra benadrukt moet worden door de voorlezer.] [In de tien namen van de tien zonen van Haman zijn in de Megilla verschillende letters klein geschreven: de tav in de 2e naam, de sjien in de 8e naam en de zajin in de tiende naam. Samen hebben zij de getalswaarde 707. In het jaar úù"ætav-sjien-zajin − 5707 − najaar 1946 GJ − vonden tien oorlogsmisdadigers hun dood in Neurnberg. Negen werden er opgehangen, de tiende en de grootste, gesymboliseerd door de grote Wav in de laatste naam, pleegde zelfmoord. De gebeurtenissen van Poeriem worden in de Megilla in chronologische volgorde verteld. Daarom is het vreemd dat Ester in vers 9:13 vraagt of ook morgen de de tien zonen van Haman mogen worden opgehangen, nadat dit reeds de verzen 7-9 gebeurd en beschreven is. Misschien moeten we de woorden van Ester in vers 9:13, waar staat „ook morgen” vertalen met: „Ook in de toekomst.”]


 

[1] Kemitsa is de speciale manier waarop de Kohen met de drie middelste vingers van zijn hand het meel van het mincha-offer uit de schaal neemt. Wat hij dan in zijn hand houdt, is de komeets en dat is het deel van het mincha dat geofferd wordt.

[2] Eén kikar (mv. Kikariem) is 1.500 sjekels. 600.000 Joden betalen jaarlijks 600.000 halve sjekels vanaf de leeftijd van 20 jaar tot gemiddeld 70 jaar, is gemiddeld gedurende 50 jaar. Dus 600.000 Joden zijn 50 ª 600.000 = 3.000.000 halve sjekels = 1.500.000 hele sjekels waard. Dat is 1.500.000 º 1.500 = 10.000 kikar zilverlingen.