Archief Megilla

Aanmelden

 25 februari 2007

 7 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 18

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De volgorde van Sjemonee Esree (vervolg)

De Gemara vervolgt zijn opsomming van de berachot van de Sjemonee Esree en de bronnen waarop zij gebaseerd zijn.

16. De beracha ‘Acceptatie’ van het gebed is gebaseerd op Jesjajahoe 56:7: „En Ik zal hen naar Mijn heilige berg brengen en Ik zal hen blij maken in Mijn gebedshuis.”

17. De beracha voor het herstel van de Tempeldienst komt na de beracha van de acceptatie, want het hiervoor genoemd vers vervolgt met: „Hun brand- en dankoffers zullen geaccepteerd worden op Mijn altaar.”

18. Na de beracha voor het herstel van de Tempeldienst komt de beracha voor de dank, zoals er geschreven staat [Ps. 50:23]: „Wie een dankoffer brengt, eert Mij.”

De Gemara vraagt: Waarom wordt na de beracha van de dank de Birkat Kohaniem [de Priesterzegen] ingevoegd?

[De priesterzegen is geen onderdeel van de Sjemonee Esree, maar wordt bij de herhaling daarvan door de chazan door de Kohaniem uitgesproken. Het bestaat uit de verzen Bamidbar 6:24-26.]

Antwoord: Omdat uit Wajjikra 9:22 blijkt dat Aharon het volk zegende, nadat hij de offers gebracht had.

19. De beracha voor de vrede komt onmiddellijk na de priesterzegen, want na de priesterzegen in Bamidbar 6 komt onmiddellijk vers 27: „Zo zullen zij Mijn Naam over de Kinderen van Israël uitspreken en Ik zal hen zegenen.” En de zegen van Hasjem brengt vrede, zoals er geschreven staat [Ps. 29:11]: „Hasjem zal Zijn volk zegenen met vrede.”

De Gemara vraagt:  Waarom, als de 120 wijze Mannen van de Grote Vergadering de volgorde van de Sjemonee Esree al geregeld hadden, waarom moest Happakkoeli dat dan opnieuw doen [zoals hiervoor vermeld werd]?

De Gemara antwoordt: Men was de volgorde vergeten en Hakkappoeli herstelde de volgorde.

Het verbod om een beracha toe te voegen aan de Sjemonee Esree

Het is verboden om zelf een beracha aan de Sjemonee Esree toe te voegen. R. Elazar leidt dit af van [Ps. 106:2]: „Wie kan de machtige daden van Hasjem loven?” Niemand kan al Zijn machtige daden opnoemen. Daarom, alleen wie al Zijn machtige daden kan opnoemen, die mag Hem prijzen. Daarom staat er geschreven [Ps. 65:2]: „Stilte is Uw lof.”

Men moet lezen uit een Megilla, geschreven in Hebreeuws schrift

Onze Misjna zegt: Wie het [de Megilla] uit zijn hoofd leest, heeft zijn plicht niet gedaan.

De Gemara vraagt:  Hoe weten we dit?

Rawa antwoordt: Het volgt uit een gezera sjawa[1] die de woorden ‘herdacht’ in [Ester 9:28]: „En deze dagen zullen herdacht worden,” en ‘herdenking’ in [Ex. 17:14]: „Schrijf dit als een herdenking in een boek” met elkaar verbindt. Zoals de geschiedenis over de oorlog tegen Amalek [Ex. 17:14] uit een boek gelezen moet worden en niet uit het hoofd gezegd mag worden, zo geldt dat ook voor de geschiedenis van Poeriem.

De Gemara vraagt:  Er staat ‘herdenking’, er staat niet ‘lezen’. Misschien betekent het alleen maar dat men het zachtjes uit een boek moet lezen om het zich te herinneren?

De Gemara antwoordt: In vers 14 [van Ex. 17] staat het woord ‘herdenking’ en in vers 19 staat: „Vergeet het niet.” Dat is een verbod om het in gedachten te vergeten. Wat betekent dan ‘herdenking’? Dat men het verbaal moet uitspe­ken. [De Misjna Beroera 685:14 haalt onze Gemara hier aan als bron voor de halacha dat volgens sommige autoriteiten (en dat is kennelijk zijn mening) Parasjat Zachor uit een boek hardop moet worden gelezen.]

Onze Misjna zegt: Wie het [de Megilla] in het Aramees leest, heeft zijn plicht niet gedaan.

De Gemara vraagt:  Als het geschreven is in Hebreeuws en hij vertaalt het in Aramees, dan leest hij het voor uit zijn hoofd [en de Misjna heeft vlak daarvoor al gezegd dat wie het uit zijn hoofd zegt, die heeft zijn plicht niet gedaan, dus waarom dan nogmaals datzelfde gezegd voor Aramees?]

De Gemara antwoordt: Het betreft hier een Megilla die geschreven en gelezen wordt in het Aramees.

Onze Misjna zegt: Maar men mag het wel in een vreemde taal voor vreemdelingen lezen.

De Gemara vraagt:  Maar de Misjna zegt dat wie het in een vreemde taal leest, heeft zijn plicht niet gedaan!

Rav en Sjmoeël antwoorden: De Misjna bedoelt dat men het wel in het Grieks mag lezen [maar niet in een andere vreemde taal] als het ook in het Grieks geschreven is.[2]

De Gemara werpt tegen: Een Misjna zegt: Als men de Megilla leest in het koptisch, Iwriet, Elamiet, Medisch of Grieks, dan heeft men niet zijn plicht gedaan. [Met Iwriet wordt hier niet Hebreeuws bedoeld maar een andere taal.]

De Gemara antwoordt: Deze laatste Baraita heeft het over lezen in die vreemde taal (incl. Grieks) voor mensen die die taal niet verstaan en Rav en Sjmoeël hebben het over mensen die wel Grieks verstaan.

De Gemara vraagt:  Waarom hebben zij het dan alleen over Grieks en niet over andere vreemde talen?

De Gemara antwoordt: Zij bedoelen dat Grieks zelfs acceptabel is voor wie geen Grieks verstaat. Zij verklaren de Misjna niet. De Misjna heeft het over wie de vreemde taal wel verstaat. En Rav en Sjmoeël volgen Rabban Sjim’on ben Gamliël, die gezegd heeft dat Bijbelboeken in Grieks geschreven mogen worden. En dat geldt zelfs voor de Megilla.

Onze Misjna zegt: Een vreemdeling die de Megilla hoort lezen in het Hebreeuws, heeft zijn plicht gedaan.

De Gemara werpt tegen: Maar hij verstaat geen Hebreeuws en weet dus niet wat er gelezen wordt!

De Gemara antwoordt: Ook Joden die niet goed Hebreeuws kennen, vervullen hun plicht door te luisteren naar een voorlezing in het Herbeeuws. [Dus men hoeft niet ieder woord te verstaan. Maar door als toehoorder te fungeren bij het voorlezen van de Megilla, deelt men mee in de publicatie van het wonder. Dus ook een vreemdeling kan op die manier meedoen door te luisteren, ook al verstaat hij het niet.]

Rawina vult aan: Zelfs wij [Geleerden begrijpen niet alle woorden in de Megilla, bijvoorbeeld wij] weten niet wat de woorden Ha-achsjeteraniem bnei haramachiem [Ester 8:10] betekenen. [Volgens Rasji zijn Ha-achsjeteraniem een soort snelle kamelen, volgens Ibn Ezra zijn het een soort muilezels, wier moeder een merrie was. Daarmee wordt het doorgaans vertaald.] [Uit de woorden van Rawina blijkt dat men ieder woord van de Megilla moet horen, om zijn plicht te doen, want als dat niet zo was, was het niet belangrijk dat men die woorden niet begreep, het zou dan zijn alsof men ze niet gehoord had. Echter, men moet ook die onbegrijpelijke woorden horen, om zijn plicht te doen.]

Lezen met tussenpauzen

Onze Misjna zegt: Als men het seroegien  [met  tussenpauzes] leest, heeft men zijn plicht gedaan.

De Rabbijnen [de leerlingen van Rebbi (Rasji)] wisten niet wat seroegien betekent [het woord dat de Misjna gebruikt en dat wij vertaald hebben met ‘tussenpauzes’], totdat, toen zij het huis van Rebbi voor de zoveelste keer die dag binnengingen, zij de dienstmeid van Rebbi hoorden zeggen: „Hoe lang zijn jullie nog van plan seroegien seroegien binnen te gaan?”

Een soortgelijk incident: De Rabbijnen wisten niet wat haloglogot betekende, totdat zij van de dienstmeid van Rebbi begrepen dat het postelein is.

Zo leerden zij ook van de dienstmeid van Rebbi dat salseleha omdraaien betekent.

Van Rabba bar bar Channa leerden zij dat jahav last betekent.

En van de dienstmeid leerden zij de betekenis van het vers [Jesjajahoe 14:23]: „En Ik zal tetatia met een mateatee van vernietiging”: Ik zal het wegvegen met een bezem van vernietiging.


 

[1] Een gezera sjawa is een van dertien methoden waarmee wetten van Tora worden afgeleid. Wanneer in twee verschillende verzen van Tora hetzelfde woord of zinsdeel voorkomt, dan leert de regel van de gezera sjawa dat deze verzen in verband met elkaar staan en dat de wetten die voor de een gelden, ook voor het andere vers gelden. Alleen die woorden die zijn overleverd van Sinaï mogen hiervoor gebruikt worden.

[2] De Misjna op daf 8b vermeldt een meningsverschil tussen de Geleerden en Rabban Gamliël. Volgens de Geleerden mag de Bijbel in iedere taal geschreven worden, volgens Rabban Gamliël mag dat alleen in het Grieks. Volgens Rav en Sjmoeël geeft onze Misjna de mening van Rabban Gamliël weer.