Archief Megilla

Aanmelden

 27/02/2007

 9 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 20

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Iemand die niet hoort wat hij leest

Antwoord: In werkelijkheid hoeft men volgens R. Jehoeda ook lechatchila niet te horen wat men zegt, en de Baraita over teroema volgt hem. Maar zijn leraar, R. Elazar ben Azarja staat het alleen bedi’awad toe en de Baraita, die een ongehoorde Birkat Hamazon alleen goedkeurt als het bedi’avad is, volgt zijn mening.

Een andere Baraita: R. Jehoeda heeft gezegd dat Rabbi Elazar ben Azarja gezegd heeft, dat iemand die Sjema zegt, dat moet horen, want er staat geschreven [Dew. 6:4]: Hoor Israël, Hasjem is onze G-d, Hasjem is één.”  Dit betekent: laat je oren horen wat je mond zegt. [D.w.z. lechatchila, maar bedi’awad is het in orde als ze het niet gehoord hebben volgens R. Elazar ben Azarja (Rasji).] Rabbi Meïr zegt: het volgende vers zegt: Laat datgene wat Ik je vandaag zeg, op je hart zijn.” D.w.z., als je hart het hoort, is het voldoende.

De Gemara concludeert: R. Jehoeda volgt zijn leraar en R. Sjim’on ben Pazzi volgt R. Meïr. [Dus onze Misjna volgt de mening van R. Jehoeda, die een dove alleen lechatchila afkeurt en de Baraita die de Birkat Hamazon alleen bedi’awad goedkeurt volgt ook R. Jehoeda. De andere Baraita die een dove lechatchila toestaat teroema af te scheiden, zonder dat hij de beracha hoort, volgt de mening van R. Meïr (Rasji).]

Onze Misjna zegt: Rabbi Jehoeda staat een kind toe. Rabbi Jehoeda licht zijn bewering toe met te vertellen dat hij als kind de Megilla las voor Rabbi Tarfon en de Rabbijnen van Lod. Maar men antwoordde hem dat men van de ervaringen van een kind geen bewijs kan accepteren. [De waarnemingen van een minderjarige kunnen niet als getui­genis dienen.]

In een andere Baraita vertelt Rebbi dat toen hij een kind was, hij de Megilla las voor R. Jehoeda, maar de andere Geleerden zeggen: we weten al dat R. Jehoeda het toestond dat een kind de Megilla leest, dus dit bewijst niets.

Mitswot die overdag gedaan moeten worden

Misjna De volgende mitswot mogen niet vóór zonsopkomst gedaan worden: het lezen van de Megilla, een besnijdenis, onderdompeling in het mikwe, besprenkelen met het mei chataat[1], en een vrouw die een dag voor een dag wacht[2] mag niet in het mikwe voor zonsopkomst. Maar in al deze gevallen, wanneer men het gedaan heeft na ‘olot hasjachar het eerste ochtendlicht[3], dan is het in orde. [De dag begint in feite met ‘olot hasjachar, maar omdat dit tijdstip vaak moeilijk is vast te stellen, hebben de Geleerden bepaald dat het beter is te wachten met deze mitswot tot na zonsopkomst – neets hachama.]

Gemara We leren dat de Megilla alleen overdag gelezen mag worden, omdat er staat geschreven: En deze dagen zullen herdacht en gevierd worden.” Dus overdag en niet ’s nachts.

Vraag: Dit lijkt in strijd met wat R. Jehosjoe’a ben Levi gezegd heeft [op daf 4a]: ‘Men moet de Megilla ’s avonds lezen en de volgende dag nogmaals.’

Antwoord: Onze Misjna heeft het alleen over de tweede lezing; de eerste lezing moet ’s avonds gebeuren.

Betreffende besnijdenis, dat leiden we af van: En op de achtste dag zal hij besnijden” [Wajj. 12:3]. Dus overdag.

Betreffende de onderdompeling in het mikwe en de besprenkeling met mei chataat, dat leiden we af van: En de reine zal op de onreine sprenkelen op de derde en op de zevende dag… en dan zal hij baden” [Bam. 19:19]. Dus overdag en niet ’s nachts. En onderdompeling in een mikwe is te vergelijken met de besprenkeling [want het vers zegt dat hij daarna moet baden, d.w.z. in het mikwe moet gaan (Rasji)].

De Gemara vraagt nu waarom een vrouw die een dag tegenover een dag wacht, apart genoemd wordt.

De Gemara antwoordt, dat dit een zava ketana betreft en we anders hadden kunnen denken dat voor haar hetzelfde geldt als een mannelijke zav die één enkele afscheiding heeft gehad [t.g.v. zijn geslachtsziekte], hetgeen te vergelijken is met iemand die een zaadlozing gehad heeft en die diezelfde dag nog in het mikwe mag gaan, zonder een dag te hoeven wachten. Onze Misjna leert dat zij wel een hele reine dag moet wachten en pas de volgende ochtend, en niet ’s avonds in het mikwe mag gaan [en niet zoals een vrouw na haar nidda-periode, die ’s avonds in het mikwe gaat].

Daf 20b

De Misjna zegt: Maar in al deze gevallen, wanneer men het gedaan heeft na ‘olot hasjachar het eerste ochtendlicht, dan is het in orde.

Rawa zegt: dat leren we van: En G-d noemde het licht dag.” Dus als het licht begint te worden, begint de dag.

De Gemara verwerpt deze redenering want dan zou de nacht moeten beginnen wanneer het donker begint te worden, maar de Geleerden hebben vastgesteld dat de nacht pas begint wanneer er drie sterren aan de hemel te zien zijn.

R. Zeira geeft nu een andere bron: hij zegt dat we dit leren van: Toen deden we het werk, waarbij de helft van hen hun speren vasthielden van de eerste ochtendstralen tot het uitkomen van de sterren” [Nechemja 4:15].

Vraag: Dit vers bewijst niet dat vanaf de eerste ochtendstralen de dag begint. Misschien begonnen de werkers al voordat de dag begon!

Antwoord: Het volgende vers zegt: En de nacht was voor ons een wacht en de dag was om te werken.” Dus ze begonnen pas te werken toen het al dag was, vanaf de eerste ochtendstralen.

Mitswot die de hele dag of de hele nacht gedaan mogen worden

Misjna De volgende mitswot mogen de hele dag gedaan worden: het lezen van de Megilla [en alle andere Mitswot die in de vorige Misjna werden opgenoemd (Ritva)], het zeggen van Hallel [op Jom Tov], het blazen op de Sjofar [op Rosj Hasjana], het opnemen van de loelav [op Soekot] en het Moesaf-gebed. En verder ook het volgende: de moesaf-offers; de bekentenissen over de stieren, over ma’aser en voor Jom Kippoer; de semicha [het drukken van de handen op de nek van het offerdier door de eigenaar]; sjechita [slachten]; het wuiven met de offers; Hagasja [het brengen van het meeloffer naar het altaar], Kemitsa [het nemen van een handvol meel] en het verbranden ervan op het altaar; melika [het doden van een vogeloffer door zijn nek door te snijden met de duimnagel]; de opvanging van het bloed; de sprenkeling ervan op het altaar; een sota van het bitterwater te drinken geven; de onthoofding van het kalf [wanneer er een dode gevonden wordt] en de reiniging van een metsora.

De volgende mitswot mogen de hele nacht gedaan worden: het oogsten van de ‘omer; de verbranding van de vetstukken en ledematen.

Dit is de algemene regel: iedere mitswa die overdag moet gebeuren, mag de hele dag gedaan worden. Ieder mitswa die ’s nachts gedaan mag worden, mag de hele nacht gedaan worden.

Gemara We hebben al geleerd dat de Megilla overdag gelezen mag worden (zie hierboven). Van Hallel leren we dat van Psalmen 113:3: Van zonsopkomst tot zonsondergang wordt de Naam van Hasjem geprezen.” [Deze Psalm is een onderdeel van Hallel.]

Voor de loelav leren we het van: En jullie zult het [de loelav] de eerste dag opnemen” [Wajj. 23:40].

Voor de sjofar: Een dag van [sjofar-] blazen zal het voor jullie zijn” [Bam. 29:1].

Voor de moesaf-offers: „Het voor iedere dag het bepaalde op zijn dag” [Wajj. 23:31].

Voor het moesaf-gebed: Omdat dit komt in de plaats van het moesaf-offer.

Voor de bekentenis over de stieren: Omdat ook de bekentenis van de Kohen Gadol op Jom Kippoer overdag gebeurt.

Voor de ma’aser: En je zult voor Hasjem, je G-d zeggen: ik heb de heilige dingen [de afgescheiden maar nog niet aan de Levieten uitgedeelde ma’aserot] uit mijn huis verwijderd” [Dew. 26:13]. En vers 16 vervolgt dan met: Op deze dag heeft Hasjem je G-d je geboden.”

Voor leunen en sjechita: Hij zal leunen… en slachten” [Wajj. 3:8]. Dus voor leunen en slachten gelden dezelfde wetten. en Wajj. 19:6 zegt: Op de dag dat je slacht.”

Voor het wuiven: Op de dag dag je met de ‘omer wuift” [Wajj. 22:12].

Voor het brengen van het meel naar het altaar: En de Kohen zal het meel-offer van de jaloezie uit de hand van de vrouw aannemen, met het meeloffer wuiven voor G-d en het naar het altaar brengen” [Bam. 5:25].

Voor de melika, de kemitsa en voor het verbranden ervan en voor het sprenkelen van het bloed: Op de dag dat Hij de Israëlieten gebood hun offers te brengen” [Wajj. 7:38].

Voor het te drinken geven aan de sota: „En de Kohen zal met haar [de sota] heel de Tora[4] doen” [Bam. 5:30] en: Volgens de Tora die zij je te kennen zullen geven en volgens het recht dat zij je zullen zeggen” [Dew. 17:11]. Zoals recht overdag gedaan moet worden, zo moet de sota overdag te drinken gegeven worden, want in beide psoekiem komt het woord Tora voor, dus volgens een gezera sjawa gelden voor beide dezelfde wetten.


 

[1] Wie tamee is door aanraking met een dode, moet o.a. op de derde en zevende dag na zijn verontreiniging bespat worden met het mei chataat – ontzondigingswater (zie Bamidbar 19). Dit moet dus overdag gebeuren.

[2] Een vrouw die na haar maandelijkse zeven dagen nidda-onreinheid nog een keer op één dag of zelfs twee dagen bloed uit haar baarmoeder afscheidt, wordt een zava ketana genoemd en zij moet voor die ene dag van onreinheid één dag van reinheid in achtnemen, dat wil zeggen: de dag van de afscheiding is zij onrein, maar als zij één hele dag na de afscheiding schoon is, mag zij in het mikwe. Dus één [reine] dag tegenover één [onreine] dag.

[3] Het eerste ochtendlicht aan de oostelijke horizon, voordat de zon opkomt (M.B.89:2-3).

[4] Heel het voorschrift van Tora.