Archief Megilla

Aanmelden

 28 februari 2007

 10 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 21

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

HOOFDSTUK DRIE – HAKOREE OMEED

Staan of zitten bij het lezen uit een Megilla of Sefer Tora

Misjna De lezer van de Megilla staat of zit [d.w.z. het mag allebei, zelfs wie voorleest in een synagoge voor een gemeente (Rasji)]. Of één persoon of twee personen het voorlezen, in beide gevallen heeft de gemeenschap zijn plicht gedaan. [En hier geldt niet wat voor het lezen van Tora geldt, dat men twee stemmen tegelijk niet kan verstaan (Rasji). Het verschil wordt verderop verklaard.] Waar het de gewoonte is een beracha te zeggen, daar zegt men een beracha en waar dit niet de gewoonte is, zegt men het niet. [Verderop wordt verklaard dat hier de beracha na het lezen bedoeld wordt.]

Op maandag en donderdag en bij Sjabbat mincha worden drie mensen opgeroepen voor Tora. Daar mag men niet aan verminderen, noch vermeerderen [d.w.z. er moeten precies drie mensen worden opgeroepen {een Kohen, een Leviet en een Israël (Rasji)}, niet meer en niet minder], en het wordt niet afgesloten met een haftara. [Dit is op werkdagen, omdat de mensen dan werken en zij geen tijd hebben om lang in de synagoge te blijven en op Sjabbat mincha omdat dit meestal vlak voor nacht gedawwend wordt (Rasji).]

Op Rosj Chodesj en op Chol Hamo’eed worden vier mensen opgeroepen en daar mag men niet aan verminderen, noch vermeerderen en het wordt niet afdgesloten met een haftara. [De redenen hiervoor zijn dezelfde als op werkdagen, want ook op deze dagen is werken toegestaan (Rasji).]

De algemene regel is dat op iedere dag waarop moesaf gedawwend wordt, maar die geen Jom Tov is, vier mensen worden opgeroepen.

OP Jom Tov worden vijf mensen opgeroepen, op Jom Kippoer zes en op Sjabbat zeven. Hieraan mag niet verminderd, maar wel vermeerderd worden. [Volgens de Rama 282:1 geldt dit alleen voor Sjabbat maar niet op feestdagen of Jom Kippoer, d.w.z. op die dagen vermeerdert men niet.] Men sluit af met een haftara.

In alle gevallen geldt: Degene die begint te lezen zegt een beracha vooraf en degene die eindigt met lezen zegt de beracha achteraf. [Verderop wordt verklaard waarom tegenwoordig iedere opgeroepene een beracha vóór en ná maakt.]

Gemara De Misjna zegt dat men bij het voorlezen van de Megilla mag zitten. Echter een Baraita leert dat men bij het lezen van Tora hoort te staan, want er staat geschreven [Dew. 5:28] dat G-d tegen Mosjé zei: En jij, kom hier bij Mij staan” terwijl Ik je de Tora leer. R. Abahoe concludeert hieruit dat hier G-d als het ware naast Mosjé stond.

Een Baraita vertelt dat men, als men zelfs privé Tora leerde, tot de tijd van Rabban Gamliël ook stond. Maar na het overlijden van Rabban Gamliël daalde er zwakte op de wereld neer en sedertdien leert men zittend. Daarom zegt een Misjna [Sota 49a]: Sedert het overlijden van Rabban Gamliël is de glorie van Tora opgehouden.

De Gemara merkt een schijnbare tegenstelling op tussen twee psoekiem van Tora: in Dew. 9:9 staat: En ik zat op de berg,” terwijl in Dew. 10:10 staat: En ik stond op de berg.” De Gemara geeft vier verklaringen:

Rav verklaart het aldus: Mosjé leerde staande, maar herhaalde de stof voor zichzelf zittend.

R. Chanina verklaart het aldus: Mosjé zat noch stond, maar boog. [Hij stond gebogen uit respect voor Hasjem.]

R. Jochanan verklaart het aldus: ‘Zitten’ betekent hier niets anders dan ‘verblijven’ [dus we moeten Dew. 10:10  vertalen met: En ik verbleef op de berg…” [en zo wordt het ook meestal vertaald].

Rawa verklaart het aldus: Mosjé leerde de makkelijke stukken uit de Tora staande en de moeilijke stukken zittend.

Daf 21b

Simultaan lezen

De Misjna zegt dat ook twee mensen tegelijk de Megilla mogen voorlezen. Een Baraita leert dat dit niet geldt voor het lezen van Tora [d.w.z. dat twee mensen niet tegelijk voor de gemeenschap Tora mogen lezen, omdat het moeilijk is naar twee mensen tegelijk te luisteren (Rasji)]. De Gemara verklaart het verschil door erop te wijzen dat de Megilla zo geliefd is bij het publiek, dat men zich daarom meer concentreert op het lezen en dan wèl twee stemmen tegelijk kan verstaan of alternatief zich op een van de twee stemmen kan concentreren.

Een Baraita vertelt verder dat het in de tijd van de Misjna de gewoonte was om tijdens het lezen van Tora in de synagoge iedere zin die in het Hebreeuws voorgelezen werd, te laten vertalen door een vertaler in het Aramees, de dagelijkse spreektaal in die tijd.

Voor- en naberachot voor het lezen van de Megilla

De Misjna zegt dat in een plaats waar het de gewoonte is om een beracha te zeggen, men een beracha moet zeggen. Abbajjé verklaart dat het hier gaat om de beracha na het lezen, want vóór het lezen van de Megilla is iedereen verplicht drie berachot te zeggen. Men zegt: 1. Baroech Ata … Gezegend bent U… Die ons geboden heeft de Megilla te lezen; 2. Baroech Ata – Die wonderen verricht… en 3. Baroech Ata … Die ons heeft laten leven tot op deze dag.

De Gemara geeft de tekst van de beracha na het lezen [zie ook de Siddoer met vertaling Dasberg blz. 340].

 

Het lezen van Tora

De Misjna zegt dat op maandag, donderdag en Sjabbat mincha drie mensen worden opgeroepen. Rawa zegt: een Kohen, een Leviet en een Israël worden opgeroepen.

Een Baraita leert dat niet minder dan tien verzen mogen gelezen worden. Waarom tien?

1e antwoord (R. Jehosjoe’a ben Levi): Dat is tegenover de tien mannen die altijd in de synagoge aanwezig moeten zijn.

2e antwoord (Rav Joséf): Dat komt overeen met de Tien Geboden.

3e antwoord (R. Levi): Dat komt overeen met de tien lofuitingen van David in de Psalmen [de tien keer dat daar Halloej-a (prijs Hasjem) voorkomt in de Psalmen 146-150].

4e antwoord (R. Jochanan): Het correspondeert met de tien uitspraken waarmee de wereld geschapen werd, namelijk voor iedere keer dat er in Bereisjiet in het scheppingsverhaal geschreven staat: En G-d zei.”

De Gemara vraagt: dat staat er  maar negen keer!

De Gemara antwoordt: De schepping van hemel en aarde: In het begin” werd ook gedaan door een uitspraak van G-d. [Ondanks dat dit er niet expliciet staat, want, zo verklaart de Malbim, overal waar het woord ‘zeggen’ in Tora voorkomt, wordt er tegen iemand iets gezegd, maar voordat hemel en aarde geschapen werden, was er niemand of niets waar G-d iets tegen kon zeggen. Daarom staat het er niet.] Want er staat geschreven [Psalmen 33:6]: Met het woord van G-d werden de hemelen geschapen en met de adem van Zijn mond al de legers.”

De Gemara verklaart nu hoe die tien verzen over drie mensen verdeeld worden: twee mensen lezen drie verzen en één leest er vier, want men mag niet minder dan drie verzen lezen en het geeft niet wie de vier verzen leest, de eerste opgeroepenen, de tweede of de laatste. En wie de vier verzen voor zijn rekening neemt, is lovenswaardig. [Vroeger las iedereen die opgeroepen werd, zelf. Tegenwoordig, nu de meeste mensen het niet meer zelf lezen kunnen, leest één persoon voor en de opgeroepene zegt alleen de berachot.]

De Misjna zegt dat alleen de eerste opgeroepene de beracha vóór het lezen zegt en dat alleen de laatste opgeroepene de beracha na het lezen zegt. De Gemara zegt hierover: maar tegenwoordig zeggen alle opgeroepenen een beracha ervoor en een beracha erna. En de reden hiervoor is, dat iemand die laat, tijdens het lezen, de synagoge binnenkomt of iemand die vroeg, voor het beëindigen van het lezen de synagoge verlaat, maar één beracha hoort, namelijk de naberacha of de voorberacha en denkt dat dit voldoende is. Daarom hebben de Geleerden ingesteld dat iedereen beide berachot zegt.

Het lezen van de afdeling van Rosj Chodesj

Text Box: 1............................
2............................
3............................
4............................
5...........................
6............................
7............................
8.............................

1............................
2.............................

1............................
2............................
3.............................
4.............................
5............................

De Gemara merkt dat op dat de afdeling van Rosj Chodesj een speciaal probleem oproept voor de indeling over de vier opgeroepenen. Deze afdeling bestaat uit drie paragrafen, waarvan de eerste uit 8 verzen bestaat, de tweede uit 2 verzen en de derde uit 5 verzen (zie diagram). Er is verder een regel, dat men een paragraaf niet middenin mag beëindigen als er minder dan drie verzen tot het einde van die paragraaf over zijn, omdat iemand die daarna de synagoge uitloopt, denken kan dat de volgende opgeroepene alleen die laatste twee verzen leest, hetgeen minder is dan het minimum van drie verzen en hij zou dan denken dat dit mag. Dus we kunnen niet de eerste opgeroepene drie verzen laten lezen, en de tweede opge­roepene de volgende drie verzen, want dan blijven er dus twee verzen van de eerste paragraaf over.

Wanneer de eerste twee opgeroepenen elk vier verzen lezen, dus samen de hele eerste paragraaf, dan blijven er zeven verzen over, namelijk twee van de tweede paragraaf en vijf van de laatste paragraaf. En hoe moeten die dan verdeeld worden? Als de derde opgeroepene drie verzen leest en de vierde de laatste vier verzen, dan leest de derde opgeroepenen dus de twee verzen van de tweede paragraaf en één vers van de derde paragraaf. Iemand die op dat moment de synagoge binnenkomt, denkt dan dat hij met dat eerste vers van die laatste paragraaf begonnen is en dat het dus is toegestaan om maar één vers te lezen. Daarom mag men niet stoppen voordat men drie verzen van een paragraaf gelezen heeft. En dus kan de derde opgeroepene ook niet vier verzen lezen, want dan moet hij behalve de twee verzen van de tweede paragraaf, nog twee verzen van de laatste paragraaf lezen en dat is niet genoeg. Hij kan ook niet vijf verzen lezen, want dan blijven er voor de laatste opgeroepene maar twee verzen over.