Archief Megilla

Aanmelden

 1 maart 2007

 11 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 22

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Het lezen van de afdeling van Rosj Chodesj (vervolg)

We hebben gezien dat er een groot probleem is hoe de afdeling van Rosj Chodesj, die uit 15 verzen bestaat, in vieren gedeeld kan worden, zodat ieder minstens drie verzen leest en er nimmer in een paragraaf twee verzen overblijven, noch dat iemand begint met een vers minder dan drie vanaf het begin.

De Gemara maakt nu een vergelijking met een soortgelijk probleem dat in Traktaat Ta’aniet 26a voorkomt:

Daar wordt verteld hoe de Israëlieten verdeeld waren in 24 ma’amadot – groepen – die het volk vertegenwoordigen bij de dagelijkse offers, en die om beurten een week dienst deden, waarvan een deel aanwezig was in de Tempel, terwijl de rest van die dienstdoende ma’amad in zijn woonplaats bleef voor een speciale dienst, waarbij een deel van het schep­pings­verhaal uit Bereisjiet aan hen werd  voorgelezen. De eerste paragraaf van Bereisjiet, zo staat daar, werd door twee mensen gelezen, maar die paragraaf bestond uit vijf verzen en niemand mag minder dan drie verzen lezen. Sjmoeël lostte daar dat probleem op, door ieder 2½ vers te laten lezen, maar Rav zei dat men een vers, dat Mosjé niet in tweeën verdeeld had, niet meer mocht verdelen. Hij paskende daarom dat de eerste lezer vers 1-3 las en de tweede lezer vers 3-5 en dus vers 3 herhaalde. En Rabbi Chanina, een groot deskundige op het gebied van Tora-lezen, getuigde dat het inderdaad verboden is om een vers te splitsen.

Echter, Sjmoeël had bezwaar tegen het systeem van Rav, omdat, als de tweede lezer met het derde vers begint en iemand komt op dat moment in de synagoge, hij kan denken dat de eerste lezer alleen de eerste twee verzen gelezen heeft en dat het dus is toegestaan dat iemand maar twee verzen leest [hetgeen verboden is].

De Gemara werpt tegen: Een Baraita zegt: Een paragraaf van zes verzen mag door twee personen gelezen wordt, maar een paragraaf van vijf verzen moet door één persoon gelezen worden. Kennelijk verwerpt deze Baraita de oplossingen van zowel Sjmoeël als Rav.

De Gemara antwoordt: Sjmoeël en Rav geven de voorkeur aan de methode van de Baraita, dat de tweede lezer drie verzen van de volgende paragraaf leest, maar die Baraita heeft het over de Tora-lezing op maandag en donderdag, en dan kan men de volgende paragraaf toevoegen. Maar bij de voorlezing voor de ma’amadot is dat niet mogelijk en datzelfde geldt op Rosj Chodesj, waar het niet mogelijk is nog meer te lezen, omdat de volgende verzen niet met het onderwerp van Rosj Chodesj te maken hebben.

R. Jehosjoe’a ben Levi heeft gezegd, dat men van een paragraaf nimmer minder dan drie verzen mag lezen, zodat een laatkomer, die binnenkomt als de volgende lezer begint, niet zal denken dat de vorige lezer minder dan drie verzen gelezen heeft. En men mag ook niet stoppen binnen drie verzen voor het eind van een paragraaf, want iemand die op dat moment de synagoge verlaat, zal misschien denken dat de volgende lezer alleen de overgebleven verzen van die paragraaf zal lezen, hetgeen minder is dan drie en hij zal dan denken dat dit is toegestaan [terwijl het verboden is].

Halacha: Rav Joséf heeft gepaskend, dat we de methode van Rav volgen, d.w.z. dat de tweede lezer het derde vers, dat de eerste lezer gelezen heeft, herhaalt. [En zo is ook de halacha voor Rosj Chodesj: de eerste lezer leest vers 1-3, de tweede leest vers 3-5, de derde leest vers 6-8 van de eerste paragraaf en de twee verzen van de tweede paragraaf en de vierde opgeroepene leest de derde paragraaf in zijn geheel.]

Hoeveel mensen lezen op een vastendag

Vraag: Hoeveel mensen lezen er op een vastendag? De Misjna zegt dat op niet-feestdagen, waarop een extra gebed gezegd wordt, vier mensen opgeroepen worden. Maar dat geldt alleen voor Rosj Chodesj en Chol Hamo’eed. Op een vastendag wordt geen moesaf gedawwend, dus dan worden er maar drie opgeroepen? Maar er is op een algemene vastendag wel een extra gebed, n.l. ‘aneinoe, dus misschien toch vier? [De Misjna noemt het extra gebed een moesaf. Dat woord betekent ‘toegevoegd’ of extra gebed. Het is ook de naam van het extra, toegevoegd gebed dat gelezen wordt na sjachariet op Sjabbat, Jom Tov, Rosj Chodesj en Chol HaMo’eed. Het kan dus voor tweeërlei uitleg vatbaar zijn.]

Antwoord: Onze Misjna zegt: Op Rosj Chodesj en Chol Hamo’eed worden vier mensen opgeroepen. Dus kennelijk op een vastendag maar drie [want dan is er geen moesaf].

De Gemara werpt tegen: Wanneer je zo redeneert, kun je ook zeggen dat onze Misjna zegt: Op maandag en donder­dag en Sjabbat mincha worden drie mensen opgeroepen. Dus kennelijk op een vastendag vier!

M.a.w. van onze Misjna valt niets af te leiden wat dit betreft.

Een ander antwoord: Rav, die geen Kohen en geen Leviet was, werd eens op een vastendag opgeroepen en hij zei wel een vóór-beracha, maar geen na-beracha. Dus moet hij de derde opgeroepene zijn geweest en dus kwam er nog een vierde achter hem. [Daarom zei hij geen na-beracha want in die tijd zei alleen de laatste opgeroepene dat.]

De Gemara werpt tegen: Een groot geleerde mag de plaats van de Kohen innemen en als eerste worden opgeroepen, ook al is hij geen Kohen, dus misschien gebeurde dat toen ook met Rav en werd hij als eerste opgeroepen?

De Gemara antwoordt: Maar Sjmoeël was een Kohen en woonde in Babylon en hij werd door Rav met grote eer behandeld. Dus Rav had geen recht op de parasja voor de Kohen.

De Gemara veronderstelt: Vermoedelijk las Rav wel de afdeling van de Kohen, want waarom zou hij anders de vóór-beracha gezegd hebben, zoals het verhaal hierboven vermeldt. En Rav was groter dan Sjmoeël.

Dus we weten nog steeds niet hoeveel mensen er op een vastendag worden opgeroepen.

 

Daf 22b

Een Baraita geeft het uiteindelijke antwoord: Dit is de algemene regel: op werkdagen, als mensen langer in de synagoge moeten blijven, zoals op een publieke vastendag en Tisja BeAv, worden drie mensen opgeroepen.

De Gemara werpt tegen: Maar onze Misjna zegt eerst dat op Rosj Chodesj en Chol Hamo’eed vier mensen worden opgeroepen en vervolgens komt de Misjna met een algemene regel dat dit geldt voor iedere dag dat er een extra gebed gezegd wordt. Dat betekent dat er nog minstens één andere dag moet zijn behalve Rosj Chodesj en Chol Hamo’eed waarop ook vier mensen worden opgeroepen, want waarom komt de Misjna dan anders met die extra regel? En dat kan alleen een publieke vastendag zijn en Tisja BeAv! Dus de Baraita is in strijd met de Misjna en een Misjna is meer gezaghebbend dan een Baraita!

De Gemara antwoordt: Nee, de algemene regel van onze Misjna dient om te voorkomen dat de mensen denken dat Chol HaMo’eed en Jom Tov, die ten slotte bij elkaar horen, dezelfde regel hebben. Het is een benadrukking van het verschil.

Op zijn gezicht vallen

[Onmiddellijk na het dagelijks ochtend- en middaggebed wordt tachanoen gezegd, een smeekgebed, waarbij men vroeger zich languit op de grond gooide, maar waarbij men tegenwoordig alleen maar gaat zitten, zijn hoofd buigt en zijn gezicht bedekt.]

In het hierboven genoemd incident met Rav, die werd opgeroepen, wordt ook verteld dat Rav niet op de grond viel en zijn gezicht bedekte, toen de rest van de gemeenschap dat wel deed.

De Gemara vraagt: Waarom viel Rav niet op zijn gezicht?

De Gemara antwoordt: Omdat daar een stenen vloer was en een Baraita leert: Je zult nergens in je land een gehouwen steen leggen om jezelf op ter aarde te werpen” [Wajj. 26:1], d.w.z., je mag jezelf wel neerwerpen in de Tempel maar niet ergens anders op een stenen vloer.

De Gemara vraagt: Waarom wierpen de anderen zich dan op de vloer?

1e antwoord: Alleen de vloer voor Rav was van steen [de rest had geen stenen vloer voor zich].

De Gemara vraagt: Waarom ging Rav dan niet op een andere plaats liggen, waar geen stenen vloer was?

De Gemara antwoordt: Als een groot geeleerde, zoals Rav, langs iemand loopt, moet die ander uit respect opstaan en Rav wilde niemand storen.

2e antwoord: Oela heeft uitgelegd dat het Tora-verbod om zich op een stenen vloer neer te werpen alleen geldt als men dat doet met uitgestrekte armen en benen en dat was precies wat Rav gewend was te doen [en de rest deed dat niet].

Vraag: Waarom wierp Rav zich dan niet neer net als de anderen?

Antwoord: Hij wilde zijn gewoonte niet veranderen.

3e antwoord: R. Elazar heeft gezegd: een vooraanstaand persoon valt niet op zijn gezicht.

De verschillende vormen van buigen

Er zijn verschillende vormen waarop men kan buigen:

1. Kida – men buigt op zijn gezicht.

2. Keria – men gaat tot op zijn knieën.

3. Hisjtachawaa – men werpt zich neer met uitgestrekte armen en benen.

Levi demonstreerde een kida voor Rebbi en hij werd verlamd daardoor. [Rasji verklaart: Men buigt voorover tot zijn gezicht de grond raakt, waarbij men alleen op zijn duimen steunt. Omdat dit geen steun geeft, oefent men extreme druk uit op de rug en daardoor ontwrichtte hij zijn heup.]

De Gemara vraagt: wat is dat voor een soort buigen, waarvan men verlamd raakt?

R. Elazar antwoordt dat dit een straf was voor Levi, omdat hij tegen G-d geklaagd had, dat die geen medelijden met Zijn kinderen toonde, omdat Hij het niet liet regenen op verzoek van Levi [zie Traktaat Ta’aniet 25a].

De Gemara vraagt: werd hij lam voor straf of ten gevolge van de kida?

De Gemara licht toe: hij werd voor straf lam toen hij de kida boog voor Rebbi.

Rav Chia bar Awin zei: Ik zag Abbajjé en Rawa, en zij leunden alleen op hun zij toen zij tachanoen zeiden [maar zij vielen niet op hun gezicht op de grond, want zij waren vooraanstaande mensen. En dat is wat wij tegenwoordig doen, we leunen ons hoofd op onze armen als we tachanoen zeggen en dat mag ook een vooraanstaand persoon doen (zie M.B. 131:37).]