Archief Megilla

Aanmelden

 3 maart 2007

 13 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 24

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Het lezen van Tora en de Profeten

Misjna Men mag [bij het (voor-) lezen in de synagoge] niet minder dan drie verzen lezen en men mag niet meer dan één vers per keer lezen voor de vertaler [opdat de vertaler zich niet vergist, want die vertaalt uit zijn hoofd (Rasji)]. En uit de Profeten [de Haftara] mag men drie verzen voorlezen. [Het deert ons niet zo als de vertaler zich daarin vergist, want daar worden geen leringen van afgeleid  (Rasji).] Maar als de drie verzen van de profeten drie aparte paragrafen zijn, moeten ze stuk voor stuk gelezen worden [want nu zijn het drie verschillende onderwerpen].

Men mag stukken overslaan in de Profeten, maar dat mag niet bij het Tora-lezen.

Men mag niet verder overslaan dan de tijd die de vertaler nodig heeft om te vertalen. [Als de lezer een stuk overslaat, moet hij misschien de rol verder rollen. Wanneer dat meer tijd in beslag neemt dan de vertaler nodig heeft om zijn vertaling te geven, dan moet het publiek onnodig wachten en dat getuigt niet van eerbied voor het publiek (Rasji).]

Gemara Die drie verzen die iedereen minimaal moet lezen staan tegenover de Tora, de Profeten en de Geschriften.

De Misjna heeft het vervolgens over drie verzen die in drie verschillende paragrafen staan. Een voorbeeld hiervan is Jesjaja 52:3-5.

Vervolgens zegt de Misjna dat men in Tora geen stukken mag overslaan, maar we hebben in Joma 68b geleerd dat de Kohen Gadol op Jom Kippoer eerst Lev. 16: 1-34 leest en daarna Lev. 23:26-32. Volgens onze Misjna mag dat niet?

Een Baraita geeft het antwoord: Men mag bij het lezen van Tora [in het openbaar] een stuk overslaan mits de beide stukken die men leest over één en hetzelfde onderwerp gaan, maar men mag in de Profeten wel overslaan van het ene onderwerp naar het andere, mits dat [het rollen van het ene stuk naar het volgende] niet zoveel tijd in beslag neemt dat de vertaler moet stoppen.

Een andere Baraita: Men mag niet van het ene Profeten-boek naar het andere springen, maar dat mag wel in het Boek van de Twaalf Profeten, mits men niet van achteren naar voren leest.

Wie de voorganger is

Misjna Degene die uit de Profeten leest, gaat voor bij Sjema. [Daar men eerst Sjema zegt en daarna pas uit Tora en Profeten leest, wordt vermoedelijk bedoeld dat degene die voorgaat bij Sjema, ook de maftier leest. In Traktaat Sofriem hfd. 14, halacha 8 en 9 wordt deze zelfde regeling genoemd, maar waar als toelichting bij staat dat het hier het Sjema betreft dat gezegd wordt als de Tora-rol uit de Ark gehaald wordt. Dan citeert de maftier een aantal Bijbelverzen  en zegt Sjema Jisraël, enz., hetgeen het publiek herhaalt, zoals tegenwoordig de chazan dat doet. (In Nederland wordt dit niet gezegd.)] En hij gaat voor de Ark [om de Sjemonee Esree te herhalen, zodat het publiek de kedoesja kan zeggen (Rasji)] en als hij een Kohen is, zegent hij het publiek. [Dit is verbazingwekkend, want dat moet iedere Kohen doen. Ik heb hier geen bevredigende verklaring voor gevonden (Zwi).]

Een minderjarige mag uit Tora en Profeten lezen, maar hij mag niet Sjema voordragen en hij mag ook niet voordawwenen en dan gaat zijn vader of leraar in zijn plaats.

Een pocheach mag Sjema voordragen en fungeren als vertaler, maar hij mag niet uit Tora voorlezen. [In Traktaat Sofriem staat dat dit iemand met blote knieën is of wiens kleren gescheurd zijn of wiens hoofd onbedekt is. Rasji zegt dat hij niet uit Tora mag lezen omdat dit niet van eerbied voor Tora getuigt.] Hij mag ook niet voordawwenen en mag niet de Priesterzegen geven [want dat is spotten met het publiek (Rasji)].

Een blinde mag Sjema voordragen en als vertaler fungeren, maar Rabbi Jehoeda zegt dat wie blind geboren is, niet Sjema mag voordragen. [de Tanna Kamma heeft daar dus geen bezwaar tegen.]

Gemara Waarom krijgt de maftier al die voorrechten die de Misjna noemt? De Gemara geeft twee redenen:

Rav Pappa antwoordt: We willen hem compenseren voor het feit dat hij alleen maar uit de Profeten mag voorlezen [Voordawwenen is meer eer dan uit de Profeten lezen (Rasji).]

Rabba bar Sjimi antwoordt: Om te voorkomen dat hij met de ba’al tefilla – de vaste, betaalde chazan – ruzie maakt.

En in geval van een minderjarige is het voor de eer van de vader of de leraar, of om te voorkomen dat zij met de vaste chazan ruzie gaan maken.

Daf 24b

Oela bar Rav vroeg: Mag een minderjarige, die met blote benen loopt, Tora lezen?

Abbajjé antwoordt: Dat mag niet, want dat getuigt niet van eerbied voor de gemeenschap.

In de Misjna zegt de Tanna Kamma dat een blinde Sjema mag voordragen, maar R. Jehoeda zegt, dat wie blind geboren is, dat niet mag. Want de eerste beracha voor Sjema looft G-d als schepper van het licht en dat heeft hij nooit gezien. De Geleerden antwoordden hem: velen hebben over de Merkawa [de Hemelwagen, zie Ezechiël hfd. 1] proberen te verklaren, zonder die ooit te hebben gezien [dus waarom kan een blinde dan niet over het licht vertellen?].

Rabbi Jehoeda wijst op het verschil tussen beide situaties. Over de Merkawa kan men nadenken en proberen dat met zijn verstand te begrijpen. Maar we loven G-d voor het licht, waarvan wij genieten en de blinde geniet er niet van.

Rabbi Jossi veklaart vervolgens het standpunt van de Tanna Kamma, dat een blinde wel Sjema mag voordragen. Ik heb, zo verklaart R. Jossi, nooit begrepen wat Deut. 28:29 betekent: En je zult op de middag rondtasten, zoals de blinde rondtast in de duisternis.” Wat maakt het voor een blinde voor verschil of het licht of donker is? Totdat ik op een nacht een blinde zag lopen met een fakkel in zijn hand. Ik vroeg hem: mijn zoon, waarvoor heb je die fakkel nodig? En hij antwoordde mij: opdat de mensen mij kunnen zien en voorkomen dat ik in greppels of doornstruiken loop.”

Dus het vers betekent: zoals een blinde rondtast in de duisternis, wanneer niemand hem kan zien en helpen. Dus een blinde heeft wel degelijk profijt van het licht. En daarom mag hij Sjema voordragen.

Gebreken die een Kohen ongeschikt maken voor de Priesterzegen

Misjna Een Kohen wiens handen beschadigd zijn, mag het publiek niet zegenen. [Dit is zo, omdat men dan naar zijn handen zal staren en in traktaat Chagiga 16a staat dat wie naar de handen van de Kohaniem kijkt, als zij de Priester­zegen uitspreken met hun handen opgeheven, blind wordt, omdat de Sjechina dan op hun handen rust (Rasji). Of omdat het afleidt van de beracha (Tosafot). ] Rabbi Jehoeda zegt: ook als de handen van de Kohen gekleurd zijn met blauwe verf, mag hij het volk niet zegenen, omdat men dan naar zijn handen zal staren. [Tegenwoordig bedekken de Kohaniem hun hoofd en handen met hun talliet als zij de Priesterzegen uitspreken en daarom gelden deze halachot niet meer (zie Sj.A.O.Ch. 128:31).]

Gemara Een Baraita vult de Misjna aan en zegt dat ook als de Kohen een gebrek aan zijn gezicht of voeten heeft [de Kohaniem mogen geen schoenen dragen als zij de Priesterzegen uitspreken] of als daar vlekken op zitten, hij de Priester­zegen niet mag uitspreken. [Maar tegenwoordig dragen de Kohaniem sokken en dan is dit geen probleem (Sj.A. 128:30 en M.B. 110).]

Rav Assi zei dat wie de letters alef en ajin in uitspraak verwisselt, mag ook niet de Priesterzegen uitspreken, want in plaats van dat hij dan zegt: Moge Hasjem Zijn gezicht op je laten schijnen” klinkt het [in het Hebreeuws] alsof hij zegt: Moge Hasjem Zijn woede over je uitgooien.”

R. Chia zei tegen R. Sjim’on de zoon van Rebbi: wanneer jij een Leviet was geweest, had je niet op het platvorm in de Tempel mogen meezingen, want je hebt een te zware stem. [In Choelien 24a staat dat een Leviet, wiens stem niet past bij de andere stemmen, niet mag meezingen in de Tempel (Rasji).]

Rabbi Sjim’on vertelde z’n vader wat R. Chia tegen hem gezegd had. Rebbi antwoordde hem: Ga naar Rabbi Chia en zeg tegen hem dat als hij het vers in Jesjaja 8:17 uitspreekt: En ik heb op Hasjem gewacht,” dat hoort dat alsof je G-d uitscheldt [want er staat wechikitie – ik heb gewacht, maar R. Chia sprak de Chet uit als een He zodat het zou klinken alsof hij zei: wehekitie – ik heb G-d geslagen].

Rav Hoena: een Kohen wiens ogen overmatig tranen is ongeschikt voor de Priesterzegen, tenzij hij een bekende figuur in de stad is, zodat men aan hem gewend is.

R. Jochanan heeft gezegd dat een Kohen die blind is aan één oog, niet mag zegenen, tenzij hij een bekende figuur is in zijn gemeente, want dan zal men niet naar hem staren.

Mensen die verdacht worden van heidense ideeën

Iemand die niet in gekleurde kleren wil voordawwenen, mag dat zelfs niet in witte kleding. [Dit wordt in de Gemara verklaard (Rasji) En wie niet wil voordawwenen met sandalen aan, mag dat zelfs niet op blote voeten.

Wie zijn tefillien rond maakt [als een ei (Rasji)], brengt zichzelf in gevaar [want ze kunnen in zijn hoofd dringen (Rasji)] en hij doet er geen mitswa mee [want ze moeten vierkant zijn (Rasji)].

Wanneer iemand zijn hoofd-tefillien op zijn voorhoofd bindt [tussen zijn ogen, in plaats van boven zijn haarlijn] of zijn arm-tefillien op zijn hand legt [in plaats van op zijn biceps] die geeft blijk van heidense gewoonten. [Want de miniem (een soort liberale Joden uit de tijd van de Misjna) interpreteerden het gebod  van de tefillien [Dew. 6:8] letterlijk, namelijk dat men de tefillien van het hoofd tussen zijn ogen moet leggen en dat men die van de arm op de hand moet binden. Maar onze Geleerden hebben in Traktaat Menachot 37b afgeleid dat men de hoofd-tefillien op de schedel moet leggen, daar waar bij een baby de fontanel nog klopt, en dat men de tefillien van de hand op het dikke deel van de bovenarm moet leggen (Rasji).]

Als men [het perkament van de tefillien] met goud bedekt, of als men de arm-tefillien op zijn mouw bindt [in plaats van op zijn blote arm], dan is dat de manier van extremisten. [Dit zijn mensen die volgens andere meningen gaan dan die van de Geleerden want die hebben verklaart dat het voor jou een teken moet zijn (zie Dew. 11:18) en niet voor anderen (Rasji) Daarom bedekken vele mensen hun arm-tefillien met hun mouw.]

Gemara Waarom mag iemand, die weigert in gekleurde kleding dienst te doen als chazan, helemaal niet als chazan fungeren?

De Gemara antwoordt: omdat we bang zijn dat zijn reden hiervoor een heidense reden is. [De heidenen, afgodendie­naars, waren daar precies in die dingen (Rasji), d.w.z. zij droegen geen gekleurde kleding en geen sandalen.]

De Misjna verbiedt ronde tefillien. Een Baraita zegt nadrukkelijk dat ze vierkant moeten zijn en Rawa vult aan dat ook het stiksel, waarmee de basis van de tefillien aan elkaar genaaid is, vierkant moet zijn.