Archief Megilla

Aanmelden

 zondag 4 maart 2007

 14 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 25

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Onjuiste manieren om Hasjem te prijzen

Misjna Wie zegt: De goeden zullen U prijzen,” dan is dat de manier van heidenen. [Want hij impliceert daarmee dat de rasja’ïem (booswichten) Hasjem niet prijzen, maar de Geleerden hebben in Berachot 10b geleerd, dat de rasja’iem bij de gemeenschap horen en zij leiden dat af van het galbanum, een kruid met een slecht geur, dat een onderdeel is van het reukoffer dat op het altaar gebracht werd (Rasji).]

We leggen iemand het zwijgen op als hij zegt: Uw barmhartigheid strekt zich zelfs uit tot vogelnestjes,” [alsof het gebod om de moedervogel eerst weg te sturen, voordat men de jongen uit het nest haalt, is omdat G-d erbarmen heeft met de vogel, en men wil zeggen: zoals u met de vogels erbarmen heeft, erbarm U ook over ons (Rasji)], of: Wegens Uw goede daden wordt Uw Naam herdacht,” of: Wij danken, wij danken” [tijdens de 18e beracha Modiem van Sjemonee Esree (Rasji)].

Wie eufemistische redenen geeft voor verboden relaties [als iemand andere verklaringen geeft voor de verboden, ontuchtige relaties, bijvoorbeeld als er staat dat men de naaktheid van zijn vader en de naaktheid van zijn moeder niet mag onthullen, dat dit betekent dat men geen roddelverhalen over zijn ouders in het openbaar mag vertellen (Rasji) terwijl het betekent dat men geen gemeenschap met hen mag hebben], dan leggen we hem het zwijgen op.

En wie zegt dat Je zult je kinderen niet aan de moloch overgeven” [Wajj. 18:21] betekent dat men een niet-Joodse vrouw niet zwanger mag maken [om een kind voor afgoderij te baren (Rasji)], die leggen we het zwijgen op en we berispen hem.

Gemara Als men zegt: „Wij danken, wij danken,” dan lijkt het alsof men twee goden dankt. En als men G-d alleen voor Zijn goede daden dankt, dankt men Hem niet voor de schijnbaar slechte daden, maar we hebben geleerd dat men G-d voor de schijnbaar slechte dingen met evenveel blijdschap moet danken als voor de goede dingen [met Baroech Dajan èmet (Rasji)].

Vraag: Wat is er verkeerd aan als iemand zegt: Uw barmhartigheid strekt zich zelfs uit tot vogelnestjes?”

Antwoord 1: Dat is een belediging van G-d, alsof Hij geen erbarmen heeft met andere dieren.

Antwoord 2: Alsof G-d ons mitswot gegeven heeft wegens erbarmen, terwijl het alleen gezerot zijn [die G-d op ons gelegd heeft als een juk, om ons te laten weten dat wij Zijn dienaren zijn en Zijn mitswot moeten uitvoeren (Rasji)].

Iemand dawwende eens als chazan voor Rabba en zei: U heeft erbarmen getoond met het vogelnest en met het dier en zijn jong [dat wij niet op dezelfde dag mogen slachten]. Heb ook zo erbarmen met ons.” Rabba prees hem.

Abbajjé zei: de Misjna zegt dat we hem het zwijgen moeten opleggen, en U prijst hem?

De Gemara antwoordt dat Rabba hiermee alleen maar Abbajjé had willen testen.

Iemand fungeerde eens als voorganger voor R. Chanina. Hij zei [in de eerste beracha van Sjemonee Esree]: De grote, de machtige, de ontzagwekkende, de heerlijke, de sterke, de machtige G-d.” Rabbi Chanina zei tegen hem: Ben je nu al klaar met je lofuitingen tot G-d?” [Wij zeggen alleen de eerste drie lofuitingen.] En R. Chanina verklaart dat wij deze drie eerste lofuitingen alleen maar mogen zeggen omdat Mosjé dat zo in de Tora gezegd heeft [Dew. 10:17] en de Mannen van de Grote Vergadering het zo vastgesteld hebben, want anders hadden we zelfs dat niet mogen zeggen. Het is als iemand die vele duizende goudstukken heeft en de mensen prijzen hem dan omdat hij zilver heeft. Dat is dan een belediging.

Een andere uitspraak van R. Chanina: Alles is in de handen van G-d, behalve de vrees voor de Hemel, zoals er geschreven staat [Dew. 10:12]: En nu, Israël, wat vraagt Hasjem, je G-d nog meer van je, dan dat je Hasjem je G-d vreest.”

Als iemand ieder woord van Sjema herhaalt is hij een dwaas, maar dan hoeven we hem niet het zwijgen op te leggen, maar als hij iedere zin herhaalt, is het alsof hij zich tot twee goden richt en dan moeten we hem het zwijgen opleggen.

De Gemara vraagt: misschien had hij zich de eerste keer niet geconcentreerd en zegt hij het daarom opnieuw?

De Gemara antwoordt: praat men dan tegen de Hemel als tegen een vriend? [D.w.z., spreekt men dan zonder concen­tratie tegen Hasjem, zodat men zijn woorden moet herhalen? (Rasji)]

De delen van Tora en Haftara die wij niet lezen of vertalen

Misjna De gebeurtenis met Re’oeween [Ber. 35:22] wordt wel gelezen maar niet vertaald [door de vertaler in de synagoge. Vroeger werd iedere zin van Tora vertaald in het Aramees, de dagelijkse spreektaal]. Het verhaal over Tamar [Ber. 38] wordt gelezen en ook vertaald.

De gebeurtenissen met het gouden kalf [Sjem. 32:1-20] worden gelezen en vertaald, maar het verslag hierover van Aharon aan Mosjé [Sjem. 32:22-24] wordt wel gelezen, maar niet vertaald.

De Priesterzegen [Bam. 6:22-27] en het verhaal van David en Amnon [II Sjmoeël 13] worden  wel gelezen, maar niet vertaald.

Het visioen van Jechezkel [Hfd. 1] wordt niet als Haftara gelezen, maar R. Jehoeda staat het toe. R. Eliëzer zegt dat we ook Jechezkel hoofdstuk 16 niet als Haftara lezen.

 

Daf 25b

Gemara De Gemara somt nu een aantal Bijbelverhalen op die zowel gelezen als vertaald worden, zonder dat we bang zijn dat ze verkeerd geïnterpreteerd worden:

1. Het scheppingsverhaal (we konden denken dat men misschien zou vragen wat er vóór de Schepping was).

2. Het verhaal van Lot en zijn twee dochters [Ber. 19:31-36] (en we zijn niet bang voor de eer van Awraham).

3. Het verhaal van Tamar en Jehoeda [Ber. 38] (en we zijn niet bang dat dit Jehoeda schaadt, in tegendeel, het is tot zijn lof).

4. De geschiedenis met het gouden kalf (en we zijn niet bang dat het een schande is voor de Joden, want de voorlezing doet verzoening voor hen).

5. De vervloekingen en zegeningen [Wajj. 26 en Dew. 27] (en we zijn niet bang dat de mensen daar wanhopig onder worden).

6. De waarschuwingen en straffen [voor overtredingen, die overal in Tora staan] (en we zijn niet bang dat de mensen dan de mitswot alleen uit vrees zullen doen [en men moet de mitswot doen uit liefde voor de Hemel]).

7. De gebeurtenissen met Amnon en Tamar [II Sjmoeël 13] en Absjalom [II Sjmoeël 16:21-22] (en we zijn niet bang voor de reputatie van David).

8. Het verhaal van de concubine van Giva [Richteren 19] (en we zijn niet bang voor de eer van Binjamin).

9. De bekendmaking van de afschuwelijke daden in Jeruzalem [Jech. 16] (in tegenstelling tot de mening van R. Eliëzer).

Gedeelten die wel gelezen maar niet vertaald worden

De Gemara somt nu een aantal Bijbelverhalen op die wel voorgelezen maar niet vertaald worden:

1. De gebeurtenis met Re’oeween [Ber. 35:22].

2. Het tweede verslag van de gebeurtenissen met het gouden kalf, zoals dat door Aharon aan Mosjé verteld wordt [Sjem. 32:1-20]. En men moet oppassen met antwoorden aan heidenen die daar de spot mee drijven.

3. De Priesterzegen, omdat daar staat [Ber. 6:26]: Moge G-d Zijn gelaat naar jou wenden.” [Mensen zouden denken dat G-d het Volk Israël onterecht bevoorrecht. (Rasji)]

4. Het verhaal van David en Amnon.

            Vraag: Hierboven [zie punt 7] werd gezegd dat het gelezen èn vertaald wordt?

            Antwoord: Waar Amnon als de zoon van David genoemd wordt, dat wordt niet vertaald, de rest wel.

Niet zo delicate woorden die anders gelezen worden

De Gemara geeft nu een opsomming van niet zo delicate of vernederende woorden, die anders gelezen moeten worden bij de publieke voorlezing, en waarvoor men een ander woord, meer delicaat of minder vernederend of minder grof in de plaats moet lezen. Ze komen voor in de volgende psoekiem:

Dewariem 28:27, ib. 30, II Koningen 6:25, II Koningen 18:27, II Koningen 10:27.

Rav Nachman heeft gezegd: spotten is verboden, behalve spotten met afgoderij.

R. Hoena bar Manoach heeft gezegd dat men tegen een afgodendienaar mag zeggen: Neem je afgodsbeelden en stop ze in je sjien tav [volgens Rasji een afkorting van een minder mooi woord voor anus].

Rav Asjie zei dat men een afgodendienaar een hoerenzoon en een imbiciel [vertaling Rasji] mag noemen. Maar iemand met een uitstekende reputatie mag men prijzen, en wie hem prijst is gezegend.

EINDE HOOFDSTUK DRIE