Archief Megilla

Aanmelden

 maandag 5 maart 2007

 15 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 26

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

HOOFDSTUK VIER – BNEI HA’IER

We gaan alleen omhoog in heiligheid maar niet omlaag

Misjna Wanneer de bnei ha’ier – de stadsbewoners – het stadsplein verkopen, dan mogen zij van de opbrengst alleen een synagoge kopen. [Het stadplein heeft heiligheid, want op publieke vastendagen wordt daar gebeden (Rasji). En wanneer men iets verkoopt, dat een zekere mate van heiligheid heeft, dan mag men met de opbrengst daarvan alleen iets van hogere heiligheid kopen, want we gaan alleen omhoog in heiligheid maar nooit omlaag.]

Wanneer zij de synagoge verkopen, mogen zij daarvoor alleen een Ark kopen.

Wanneer zij de Ark verkopen, mogen zij daarvoor alleen de band om de Tora-rol [of een Tora-manteltje] kopen. En wanneer zij een band om de Tora-rol [of een Tora-manteltje] verkopen, mogen ze daar alleen heilige boeken voor kopen.

Wanneer ze heilige boeken verkopen, mogen ze daar alleen een sefer Tora voor kopen.

En de Misjna leert verder dat het omgekeerde van dit alles niet is toegestaan, en dit geld ook voor geld dat over is.

Gemara Er blijkt een meningsverschil te zijn tussen de Tanna Kamma van de Misjna, Rabbi Menachem bar Jossi en de Geleerden. De Geleerden menen dat een stadsplein geen heiligheid heeft en dat men met de opbrengst mag doen wat men wil, omdat men slechts incidenteel op het stadplein bidt, het stadsplein is geen vaste plaats voor om te bidden.

R. Sjmoeël bar Nachmeini zegt nu dat alleen dorpsbewoners hun eigen synagoge mogen verkopen, als die privé-bezit is, maar dat de synagoge in de stad van het grote publiek is, en die mag men niet verkopen.

Rav Asji noemt een uitzondering op deze regel: de synagoge van Mechasia. [Rav Asji was Rosj-Jesjiwa van Mechasia en hij had de synagoge laten bouwen (Bawa Batra 3a).] Hoewel daar veel mensen van buiten komen, mag Rav Asji die synagoge wel verkopen, als hij wil, want de mensen komen voor hem, om naar zijn lessen te luisteren.

Een vraag aan R. Sjmoeël bar Nachmeini: De kopersmeden van Jeruzalem hadden hun synagoge aan Rabbi Eliëzer verkocht, en die gebuikte het gebouw voor alles, zodat het zijn heiligheid verloor. Welnu, dit was een synagoge in de stad, hoe mochten ze die dan verkopen?

Antwoord: het was een kleine privé synagoge, die door de kopersmeden zelf gebouwd was en hij was niet bestemd voor het grote publiek en dat had er ook niet aan mee betaald.

De wetten van Jeruzalem

Vraag: Een Baraita zegt: De plaag van tsara’at van een huis kan alleen voorkomen In een huis van je erfenis,” [Wajj. 14:34] [in een huis opgrond dat aan de stammen destijds toegedeeld werd] maar niet in een huis in Jeruzalem [want dat werd niet onder de stammen verdeeld].

Rabbi Jehoeda zegt dat hij geleerd heeft dat dit alleen geldt voor het Beit HaMikdasj.

Dat betekent dat alle andere gebouwen en synagogen in Jeruzalem wèl de plaag kunnen krijgen.

Echter, R. Sjmoeël heeft gezegd dat stads-synagogen niet verkocht mogen worden, omdat zij eigendom van de stad zijn en niet privé-bezit. Dus horen ze niet tot de erfenis. Waarom zouden ze dan tsara’at kunnen krijgen? Dus de wet van R. Sjoeël bar Nachmeini is in strijd met Rabbi Jehoeda in de Baraita.

De Gemara verbetert de Baraita: Rabbi Jehoeda heeft gezegd dat alleen heilige plaatsen ongevoelig zijn voor tsara’at. Nu is de wet van R. Sjmoeël niet meer strijdig met de Baraita.

De Gemara licht toe dat het meningsverschil tussen de Tanna Kamma van de Baraita en R. Jehoeda hierop gebaseerd is, dat de Tanna Kamma meent dat Jeruzalem niet onder de stammen verdeeld is, en dat R. Jehoeda meent dat dit wel gebeurd is.

Een Baraita steunt R. Jehoeda want daar staat dat het hele gebied ten oosten van het altaar van Jehoeda was (het grijze gedeelte op de tekening) en dat de rest van Binjamin was, behalve een strip grond langs de zuidkant van het altaar, die ook van Jehoeda was.

Dus volgens deze Baraita was de grond van het Beit HaMikdasj, en kennelijk dus heel Jeruzalem, wel over de stammen verdeeld.

Een andere Baraita zegt echter dat de huizen van Jeruzalem niet aan de pelgrims op de feestdagen verhuurd mogen worden, maar dat de gasten daar gratis moeten kunnen overnachten, omdat de bewoners niet de eigenaars zijn, maar de huizen zijn het eigendom van de stad Jeruzalem. Dus kennelijk is Jeruzalem niet door de stammen geërfd.

Om de gastheren toch schadeloos te stellen voor het logies, was het, zegt Abbajjé, een goede gewoonte om de huid van het te offeren dier te schenken aan de gastheer, bij wie men overnacht had.

Hoe de heiligheid van iets kan worden opgeheven

Rawa verklaart de algemene regel van onze Misjna aldus, dat die alleen maar geldt als de stadsbewoners het heilige voorwerp verkopen, maar wanneer de zeven stadsbestuurders dat doen, in aanwezigheid van de stadsbewoners, dan mogen ze van de opbrengst ervan zelfs bier kopen.

Daf 26b

Ravina vroeg aan Rav Asji of hij mocht planten op de ruïne van een synagoge.

Rav Asji adviseerde hem om de ruïne te kopen van de zeven stadsbestuurders, in aanwezigheid van de stadsbewoeners, en dan mocht hij er op doen en laten wat hij wil.

Rav Chisda heeft gezegd: Men mag een sjoel niet afbreken voordat men een nieuwe gebouwd heeft.

Rami bar Aba vroeg: Misschien is die regeling van Rav Chisda, om te voorkomen dat men geen nieuwe sjoel bouwt. Maar als ik al begonnen ben met de bouw van een nieuwe sjoel, mag ik dan de balken van de oude sjoel gebruiken?

Rav Pappa en Rav Hoena verboden het hem allebei.

Rawa heeft gezegd: Men mag een sjoel wel verkopen [mits men al een andere heeft] maar men mag hem niet verhuren of met een hypotheek belasten, want in dat geval blijft de sjoel het eigendom van de eigenaars en houdt hij zijn heiligheid [en dan mag men de sjoel dus niet ontheiligen. [Zo paskent ook de Sj.A.O.Ch. 153:11.]

Hetzelfde geldt voor de stenen van de synagoge, ze mogen verkocht worden, maar niet uitgeleend of verhuurd worden.

Over de vraag of een synagoge of heilige voorwerpen mogen worden weggegeven, verschillen zowel de Amoraïem als de Risjoniem van mening. Het antwoord hangt onder andere af van de vraag of het gebouw van de synagoge en de voorwerpen daarin een intrinsieke heiligheid hebben, of dat die heiligheid alleen is afgeleid van het gebruik, dat wil zeggen, zolang ze voor een heilige functie gebruikt worden zijn ze heilig, maar wanneer ze afgedankt worden niet meer, of dat ze ook dan hun heiligheid behouden. Een argument dat men het mag weggeven, zodat de heiligheid niet op iets anders overgaat, bijv. op geld of een ander voorwerp dat men ervoor in de plaats kreeg, is dat de stadsbestuurders in aanwezigheid van de stadsbewoners de sjoel mogen vekopen en het geld voor bier mogen gebruiken, dus dat geld heeft dan kennelijk geen heiligheid meer.

De Sj.A.O.Ch.153:11 paskent dat het mag.

Voorwerpen die gebruikt werden voor een mitswa of een heilig doel

Een Baraita leert dat tasjmisjei mitswa  – voorwerpen die voor een mitswa gebruikt worden – weggeworpen mogen worden na gebruik, zoals een soeka, een loelav, een sjofar en tsietsiet.

Tasjmisjei Kedoesja – hulpmiddelen voor heilige voorwerpen moeten opzijgelegd worden in een genieza, waar ze veilig opgeborgen zijn. Hieronder vallen een zak voor heilige boeken, tefillien, mezoezot, een kast voor een Tora-rol, een doos of zak voor tefillien en hun riemen.

Enkele voorschriften van Rawa

1. Rawa zei: een bima – de tafel waarop de Tora-rol gelegd wordt, wanneer men daaruit voor het publiek leest – is een tasjmisjei kedoesja want soms wordt de Tora-rol direct op de tafel gelegd.

2. Rawa paskende dat ook het parochet – het gordijn dat voor de Ark hangt – soms gebruikt wordt om het sefer mee te bedekken en dat het daarom ook een tasjmisjei kedoesja is.

3. Men mag een Ark die uit elkaar gevallen is, niet gebruiken om er een lessenaar van te maken, want dat is minder heilig.

4. Men mag van een parochet dat versleten is wel een Tora-mantel maken maar geen omslag voor een choemasj.

5. Een tas of omslag voor een choemasj en een kast waarin een Tora-rol heeft gestaan zijn tasjmisjei kedoesja, ook al worden die gebruikt om die voorwerpen te beschermen, want ze hebben toch een zekere mate van heiligheid.

6. Joden uit Rome hadden in Mechoeza, de stad van Rawa, hun eigen sjoel gebouwd, die open was naar een kamer [waarin men de doden verzorgde en waarin de doden bleven liggen totdat zij begraven werden (Rasji)]. Kohaniem wilden de sjoel binnengaan om er te dawwenen [maar Kohaniem mogen zich niet onder hetzelfde dak met een dode bevinden]. Zij kwamen bij Rawa om raad. Hij zei: neem de Ark op en plaats hem in de deuropening, zodat hij die afsluit. De Ark is namelijk een houten voorwerp, dat gemaakt is om stationair op zijn plaats te blijven staan, en kan geen toema aannemen. [Maar houten voorwerpen die iets kunnen bevatten, zoals een kast, en die verplaatsbaar zijn, kunnen toema aannemen en kunnen dus ook niet de toema van de andere kamer afsluiten (Rasji).]

Men maakte bezwaar: Soms wordt een Ark verplaatst, want dan gebruikt men hem als bima [leestafel waarop de Tora-rol gelegd wordt] en dus is het een beweegbaar houten voorwerp dat iets kan bevatten en dus kan het toema aannemen. [Kennelijk deed men dat vroeger.]

Rawa gaf toe dat in dat geval men een deuropening naar een kamer er niet mee kan afsluiten.

Hoe men zich van bepaalde heilige voorwerpen kan ontdoen

Mar Zoetra heeft gezegd: Van doeken waarmee men Tora-rollen omwikkelt [of Tora-manteltjes] die versleten zijn, maakt men doodskleden voor  een meet mitswa  [een dode waar niemand verder voor zorgt, en waar de gemeenschap verantwoordelijk voor is]. En daarmee zijn ze opgeborgen [want ze worden begraven].

Rawa heeft gezegd: een Tora-rol die onbruikbaar is geworden, begraaft men naast een Tora-geleerde. De rol moet in een aardenwerken urn begraven worden (om de ontbinding ervan te vertragen).

Rav Pappi heeft gezegd: men mag een synagoge ombouwen tot studiehal, maar omgekeerd mag niet. [Volgens Rav Pappi is de heiligheid van een studiehal groter dan die van een synagoge.]

Rav Pappa beweert het omgekeerde [dus dat men een studiehal mag ombouwen tot synagoge maar niet omgekeerd, want hij beschouwt een synagoge van hogere heiligheid.]

Rabbi Jehosjoe’a ben Levi heeft hetzelfde gezegd als Rav Pappi dus kennelijk is zo de halacha.