Archief Megilla

Aanmelden

 dinsdag 6 maart 2007

 16 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 27

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

De kedoesja van synagogen en leerhuizen

Op de vorige daf hebben we geleerd over een meningsverschil betreffende de vraag wat een grotere heiligheid heeft, een synagoge of een leerhuis en we zagen dat volgens R. Jehosjoe’a ben Levi een Tora-leerhuis meer heiligheid heeft.

Op onze daf wordt een soortgelijke discussie tussen Rabbi Jochanan en R. Jehoesjoe’a ben Levi weergegeven over II Koningen 25:9, waar verteld wordt hoe Newoezaradan, de generaal van Newoechadnetsar Het huis van Hasjem, het paleis van de koning en al de huizen van Jeruzalem en elk groot huis in brand stak.” Daar volgens de eenvoudige betekenis van ‘elk groot huis’ die woorden overbodig zouden zijn, omdat elk groot huis al is inbegrepen bij ‘alle huizen van Jeruzalem’, moet ‘elk groot huis’ iets anders betekenen. Volgens de ene rabbi slaat het op Tora-leerhuizen, want er staat geschreven [Jesj. 42:21]: Hasjem wil, wegens Zijn rechtvaardigheid, Tora vergroten en versterken.” En volgens de andere rabbi slaat het op synagogen, want er staat geschreven [II Koningen 8:4]: Vertel me nu de grote dingen die Elisja gedaan heeft”. En dat waren grote dingen die hij gedaan had met gebed. Het moet dus Rabbi Jehosjoe’a ben Levi zijn geweest die gezegd heeft dat de ‘grote huizen’ in vers II Koningen 25:9 op Tora-leerhuizen slaat.

Mag men een sefer-Tora ruilen voor een ander sefer-Tora?

We hebben geleerd dat men alleen in kedoesja [heiligheid] omhoog mag gaan, maar niet omlaag. Mag men wel een heilig voorwerp ruilen voor iets van dezelfde heiligheid, want men gaat dan niet in heiligheid omlaag, of mag dat niet omdat men dan niet in heiligheid omhoog gaat? Met name, mag men een Tora-rol verkopen om er een andere Tora-rol voor terug te kopen?

Onze Misjna zegt dat men, van het geld dat men uit de verkoop van een Tora-rol gekregen heeft, geen choemasj[1] mag kopen. Hieruit kan men concluderen dat men er wel een andere Tora-rol voor mag kopen, maar dat geldt alleen als het sefer eenmaal verkocht is, want men kan met dat geld dan niets anders meer doen.

Een Baraita leert: Men mag een Tora-rol omwikkelen met een omslag van een choemasj [en daarmee gaat de omslag in heiligheid omhoog]. En de Gemara concludeert: dus men mag niet de omslag van de ene Tora-rol gebruiken voor een andere, want dan gaat die omslag niet omhoog? Maar de Baraita gaat verder en zegt: maar men mag de omslag van een Tora-rol niet gebruiken als omslag voor een choemasj.  En de Gemara concludeert: maar men mag dus wel de omslag van een Tora-rol gebruiken voor een andere Tora-rol. Met andere woorden, van deze Baraita valt niets te bewijzen.

Een andere Baraita leert: Men mag een Tora-rol op een andere Tora-rol leggen en ook op een choemasj (want een Tora-rol is heiliger dan een choemasj) en men mag een choemasj op een boek van de Profeten of  Geschreif­ten leggen (want een choemasj heeft een grotere heiligheid), maar men mag een boek van de profeten of Geschriften niet op een choemasj  leggen en een choemasj  niet op een Tora-rol. De Gemara verklaart dat men de ene Tora-rol op de ander mag leggen, omdat dit onvermijdelijk is. Immers, zelfs als men één Tora-rol neerlegt, ligt noodzakelijkerwijs het ene deel van de rol op het andere deel. [Wanneer het verboden zou zijn om dingen van gelijke heiligheid op elkaar te leggen, zou men een Tora-rol nooit kunnen oprollen en neerleggen.]

Rabban Sjim’on ben Gamliël heeft gepaskend dat men geen Tora-rol mag verkopen om er een nieuwe voor terug te kopen [en zo paskent de Sj.A.J.D. 270:1], uit angst dat men voor het geld uit de verkoop iets anders koopt.

Rabbi Jochanan heeft gezegd dat Rabbi Meïr gepaskend heeft dat men alleen een Tora-rol mag verkopen om Tora te leren [d.w.z. om zichzelf van het geld te onderhouden terwijl men Tora leert, want het leren van Tora leidt tot mitswot en dat is van nog hogere heiligheid] of om een vrouw te kunnen trouwen. [Want ook dat is een grote mitswa.] Want er staat geschreven [Jesj. 45:18]: Hij heeft de wereld niet geschapen opdat die leeg blijft, maar om hem te bevolken.” [En zo paskent de Sj.A.J.D. 270:1.] 

Een Baraita: Men mag een Tora-rol zelfs niet verkopen als men hem niet meer nodig heeft of als men niets te eten heeft en wie dat toch doet, zal daar geen profijt van hebben.

Geld dat over is

De Misjna zegt dat ook dat als men een heilig voorwerp verkocht heeft en van de opbrengst een ander, heiliger voorwerp gekocht heeft, maar nog geld heeft overgehouden, men ook daarvan alleen iets heiligers mag kopen.

Rawa leert dat dit niet geldt als men geld heeft ingezameld van het publiek om een heilig voorwerp te kopen en daar blijft dan wat van over. Dat mag men dan overal voor gebruiken. [Rasji zegt dat het overgebleven geld wel enige heiligheid heeft, maar minder dan dat waarvoor het bestemd was. De Sj.A.O.Ch. 153:5 paskent dat men met het geld dat over is alles mag doen.]

De Gemara licht de bedoeling van de Misjna toe, dat als de zeven leiders van de gemeenschap niet gezegd hebben dat het geld dat over is voor profane doeleinden gebruikt mag worden, dan mag dat allen voor een heilig doel gebruikt worden.

R. Jochanan: Wanneer mensen naar een andere stad reizen en daar verplicht worden tsaddaka te geven, dan moet het hen worden teruggegeven als zij naar hun eigen stad teruggaan en daar geven zij het aan de armen van hun stad. Een Baraita vult aan dat dit niet geldt voor een individu: hem wordt het tsaddaka-geld niet teruggegeven als hij terugkeert. Hij is ondergeschikt aan de gemeenschap waar hij verblijft, maar een groep [van tien volgens de Meïri] heeft eigen rechten.

Rav Hoena heeft gezegd dat men het geld niet teruggeeft als er een Chacham is aangesteld om het geld te verdelen.

Daf 27b

De verkoop van een synagoge

Misjna Rabbi Meïr heeft gezegd: Men mag een publiek eigendom niet aan een individu verkopen, want daar­mee vermindert men de heiligheid. Men antwoordde hem: in dat geval mag het ook niet van een grote stad naar een kleine  stad [verkocht worden].

Gemara Rabbi Meïr meent dat als een synagoge of ander heilig voorwerp van een grote stad naar een kleine stad verhuist, dit niet de heiligheid ervan vermindert. Het blijft hetzelfde voorwerp, voor hetzelfde doel gebruikt. Maar een individu heeft geen synagoge nodig en dus wordt bij hem de heiligheid minder.

En de Rabbijnen zeggen: In de menigte van de mensen is de glorie van de koning” [Spreuken 14:28]. [Dus hoe meer mensen de Koning loven, des te meer eer en heiligheid.

Misjna Rabbi Meïr heeft gezegd: Men mag een synagoge alleen verkopen op voorwaarde dat als men dat eist, de kopers de synagoge terug­geven. [En zelf bij verkoop van velen aan velen (van de ene grote stad aan de andere grote stad) moet men deze voorwaarde stellen, want anders wekt het de indruk of men blij is dat men er vanaf is (Rasji).] Maar de Geleerden zeggen: men mag het zonder voorwaarden verkopen, maar [men mag het] niet [verkopen wanneer het na de verkoop gebruikt wordt] als badhuis, als leerlooierij, als een mikwe of als een was­serij. Rabbi Jehoeda zegt: als men het verkoopt als een binnenplaats, mag de koper ermee doen wat hij wil.

Gemara Hoe kan volgens R. Meïr de koper in de gekochte synagoge wonen? [Als hij de synagoge teruggeeft aan de stadsmensen, moeten zij hem zijn geld teruggeven, en dan blijkt dat hij de synagoge alleen geleend heeft en dan heeft hij er gratis in gewoond. Dat is interest en men mag geen profijt hebben van een lening. ]

R. Jochanan legt uit dat R. Meïr R. Jehoeda hierin volgt. Een Baraita zegt namelijk, dat als iemand geld leent en daar zijn grond tegenover in hypotheek geeft, dan mag de geldschieter niet intussen de opbrengst van de grond nemen, want dat is interest. Maar Rabbi Jehoeda staat het toe.

De Gemara legt uit dat R. Jehoeda zich baseert op een oudere Baraita, waarin iemand zijn veld in onderpand gaf voor een lening en de geldschieter kreeg de opbrengst van het veld en Rabbi Elazar ben Azarja vond dat goed. Maar de Rabbijnen corrigeerden Rabbi Jehoeda: het was niet de geldschieter die de oogst nam, maar de eigenaar van het veld.

De Gemara analyseert het meningsverschil tussen R. Jehoeda en de andere Rabbijnen. [Het probleem van de geldschieter die de landbouwopbrengst neemt is alleen relevant als de landeigenaar de lening op tijd terugbetaalt, want als hij daarin faalt, is het land retroactief vanaf het moment van het leningscontract, eigendom van de geldschieter en de landbouwopbrengst dus ook en dan is er geen sprakte van interest.] R. Jehoeda staat het toe dat de geldschieter de land­bouw­op­brengst neemt, mits hij die teruggeeft als de landeigenaar de lening terugbetaalt. Dus hij staat interest toe op voorwaarde dat hij het teruggeeft. De Rabbijnen verbieden het ook in dat geval.

De Misjna zegt dat men een synagoge niet mag verkopen als wasserij [en Rasji  vertaalt het als ‘urinoir’]. Maar Rabbi Jehoeda staat het toe.

Een halacha van Rav Jehoeda [Rabbi Jehoeda was een Tanna, Rav Jehoeda een Amora]: Men mag binnen vier ammot van een plaats van gebed urineren.

Rav Joséf vraagt: wat is hier nieuw aan, dat vond Rabbi Jehoeda ook goed, want volgens hem mag men na verkoop de synagoge als urinoir gebruiken. En ook volgens de Rabbijnen is er in dit geval geen probleem, want een ‘plaats van gebed’ is geen vaste plaats en heeft dus geen heiligheid.

Een Baraita leert: als iemand gedawwend heeft en hij wil urineren, moet hij zich vier ammot verwijderen van de plaats van het gebed en als iemand geürineerd heeft en daarna wil dawwenen, moet hij zich vier ammot verwijderen van de urine.

Rav Nachman zei: deze Baraita kan niet juist zijn, want dat betekent dat iedere plaats waar iemand wel eens gedawwend heeft, heilig is  (en dat is bijna iedere plaats in een stad met veel Joden). Maar men hoeft zich niet vier ammot te verwijderen van de plaats van het gebed, maar men moet vier ammot wachten [de tijd die het duurt om vier ammot te lopen] nadat men gedawwend heeft, voordat men daar mag urineren.

En waarom moet men wachten na het dawwenen, voordat men mag urineren?

Rav Asji zegt: omdat anders de woorden van zijn tefilla nog in zijn mond zijn.

Eigenschappen van Geleerden

R. Zakkai schreef zijn lange leven toe aan het feit dat hij nimmer geürineerd had binnen 4 ammot van de plaats waar hij gedawwend had en dat hij iemand nooit bij een bijnaam genoemd had en dat hij nimmer had nagelaten kiddoesj te maken op Sjabbat.

Eens, toen hij geen geld had voor wijn, verkocht zijn moeder haar hoofddoek om daar wijn van hem voor te kopen.

Een Baraita: Toen zij overleed, liet zij hem 300 vaten wijn na, en toen hij  overleed, liet hij 3.000 vaten wijn na.

Rav Hoena verpandde zijn gordel voor wijn voor kiddoesj. Toen Rav dit hoorde zegende hij Rav Hoena dat hij bedekt zou worden met zijde.

De zegen van Rav werd vervuld en toen Rav dat hoorde vroeg hij waarom Rav Hoena de zegen niet terug gegeven had.

Elazar ben Sjamoea schreef zijn lange leven toe aan het feit dat hij nimmer een synagoge had gebruikt om de weg af te snijden; dat hij nooit over de hoofden van zijn leerlingen [die op de grond zaten] gestapt was en dat hij nimmer de Priesterzegen uitsprak [hij was een Kohen ] zonder eerst een beracha daarvoor te zeggen.

R. Preida schreef zijn lange leven toe aan het feit dat nooit iemand vóór hem het Beit Hamidrasj binnen was gegaan.


 

[1] Choemasj – de vijf boeken van Mozes in gebonden boekvorm of één van die vijf.