Archief Megilla

Aanmelden

 woensdag 7 maart 2007

 17 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 28

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Eigenschappen van Geleerden (vervolg)

1. Onderaan de vorige daf leerden we dat R. Preida zijn lange leven toeschreef aan het feit dat nooit iemand vóór hem het Beit Hamidrasj binnen was gegaan. Op onze daf lezen we dat hij ook nooit de birkat hamazon zei in aanwezigheid van een Kohen [dus hij liet altijd de Kohen daarin voorgaan] en hij at nimmer van een dier voordat daarvan het deel voor de Kohen was afgescheiden, want Rabbi Jitschak heeft gezegd dat dit verboden is en wie dat toch doet, is als iemand die tewel eet. Maar de halacha is niet volgens R. Jitschak.

2.            Vraag: Is het altijd prijzenswaardig om een Kohen bij de birkat hamazon te laten voorgaan?

               R. Jochanan antwoordt: Een Geleerde die een ongeletterde Kohen de birkat hamazon laat zeggen is de dood schuldig!

De Gemara verklaart: R. Preida had het over Kohaniem van zijn gelijk niveau.

3.  R. Nechoenja ben Hakahana schreef zijn lange leven toe aan het feit dat hij nooit eer had behaald van de schande van zijn collega’s en dat hij nooit ging slapen, voordat hij iemand die hem vervloekt had, vergeven had en dat hij vrijgevig was met zijn geld.

Ook over Rav Hoena wordt verteld dat hij geen eer wilde halen van de schande van zijn collega’s: Eens droeg Rav Hoena een spade op zijn schouder en Rav Channa bar Chanilai wilde dat van hem overnemen, uit eerbied voor Rav Hoena, maar die zei: als het je gewoonte is om met een spade te lopen, goed, zo niet, dan wil ik geen voordeel hebben van jouw vernedering.

Rav Hoena vergaf ook, voordat hij ging slapen, iedereen die hem vervloekt had, net zoals Mar Zoetra dat altijd deed.

Hij was ook royaal met zijn geld, net als Job, die de winkelier een extra proeta gaf.

4.  Ook Rabbi Akiwa vroeg aan Rabbi Nechoenja wat de verklaring was voor zijn hoge leeftijd, maar de bedienden van R. Nechoenja dachten dat R. Akiwa hem benijdde en joegen hem weg. Rabbi Akiwa klom toen in een dadelpalm en vroeg van daar: Waarom staat er in Bamidbar 28:4 in verband met het dagelijks ochtend-offer dat men één lam moet offeren, in plaats van een lamp?

Rabbi Nechoenja antwoordde: Opdat het een lam zal zijn dat uniek is in zijn kudde.

Nu gaf hij ook antwoord op de eerste vraag: hij zei:

a. ik heb nooit geschenken aangenomen, zoals R. Elazar, die dat ook nooit deed en die ook geen uitnodigingen aannam van het huis van de Nasi, want hij zei: er staat geschreven: Wie giften haat, zal lang leven.” (Spreuken 15:27).

     R. Zeira accepteerde ook nooit giften van het huis van de Nassi, maar hij accepteerde wel uitnodigingen voor een feestmaal, want hij zei: zij worden vereerd door mijn aanwezigheid.

b.  Ik nam nooit wraak op wie mij benadeeld had, want Rawa heeft gezegd: wie geen wraak neemt, diens zonden worden hem vergeven.

c. En ik was altijd royaal met geld.

5.  R. Jehosjoe’a ben Korcha schreef zijn lange leven toe aan het feit dat hij nooit naar het gezicht van een slecht persoon gekeken had, want R. Jochanan had gezegd dat men dit niet moet doen.

R. Elazar verklaart: dat maakt de ogen zwak, zoals Jitschak blind werd omdat hij te veel naar Esav keek.

Vraag: Maar R. Jitschak heeft gezegd dat dit kwam door de vloek van Awimelech, want die zei tegen Sara [Ber. 20:16]: Zie, ik heb uw broer duizend zilverlingen gegeven; het zal voor u zijn als een bedekking der ogen.” En deze vloek kwam uit bij haar zoon Jitschak.

Antwoord: Allebei, het staren naar Esav en de vloek veroorzaakten zijn blindheid.

6. Toen Rebbi afscheid nam van R. Jehosjoe’a ben Korcha, vroeg Rebbi of hij hem wilde zegenen.

R. Jehosjoe’a antwoordde: Dat je de helft van mijn jaren mag bereiken.

Is dat alles? vroeg Rebbi.

Als je net zo oud wordt als ik, antwoordde R. Jehjoshoe’a, dan blijf je tot je dood Nasi en je zonen zullen nooit Nasi kunnen worden.

7.  R. Zeira schreef zijn lange leven toe aan het feit dat hij nimmer kwaad was geworden, zelfs niet in zijn eigen huis. Hij had nimmer voor iemand gelopen die groter was [in geleerdheid] dan hij. Hij dacht niet aan Tora als er een slechte geur hing. Hij liep nimmer vier ammot zonder Tora en tefillien. Hij sliep nimmer in een Beit Hamidrasj. Hij beleefde geen plezier aan de fouten van zijn collega’s. Hij riep iemand nooit bij zijn bijzaam of familienaam.

Behoorlijk gedrag in sjoel

Misjna R. Jehoeda heeft gezegd dat ook een vervallen sjoel zijn heiligheid behoudt en men mag daarom daarin geen grafrede voor iemand houden en men mag er geen touwen knopen [en geen ander werk doen, dat verboden is in een synagoge, maar voor het knopen van netten heeft men een grote, rustige ruimte nodig en daar is een vervallen synagoge, die niet meer in gebruik is, met name zeer geschikt voor, van daar dit voorbeeld (Rasji)] en er geen netten in uitspreiden en geen fruit te drogen leggen op het dak [van die vervallen synagoge] en hem ook niet gebruiken om de weg af te steken. [En dit alles is zo] Want er staat geschreven[1]: En Ik zal jullie heiligdommen verwoesten.” Dus zelfs al liggen ze in puin, dan nog zijn het heiligdommen. En wanneer er gras groeit tussen de stenen van de ruïne van de synagoge dan mag je dat er niet uithalen, want het draagt bij tot het verdriet.

Gemara Een Baraita: Men mag zich niet frivool gedragen in een sjoel, noch er eten of drinken of zich opsieren.

Daf 28b

Men mag in een sjoel niet rondlopen, er niet binnengaan om te schuilen voor de zon of de regen en men houdt er geen grafrede voor een gewoon individu. Maar men mag er Tora en Misjna leren en een openbare grafrede houden [voor een Tora-geleerde waar veel mensen naar komen luisteren (Rasji)].

Rav Assi heeft gezegd: de sjoels in Babylonië zijn gebouwd op voorwaarde dat zij voor algemeen gebruik zijn, maar desondanks mag men zich daarin niet frivool gedragen [zelfs het maken van berekeningen is daar verboden (Tosafot].

De Baraita zegt dat men van de sjoel geen profaan gebruik mag maken, maar Rawa heeft gezegd dat Tora-geleerden dat wel mogen, want R. Jehosjoe’a ben Levi noemde een synagoge ook een beit rabbanan – een huis voor rabbijnen. [Want Tora-Geleerden leren erin en daarom mogen zij er gebruik van maken (Rasji).]

De Baraita zegt ook dat men een sjoel niet mag binnengaan om er tegen de regen of zon te schuilen. Maar het gebeurde eens dat Rawina en Rav Adda bar Masna vragen stelden aan Rawa, toen het begon te stortregenen, waarop zij de synagoge binnengingen. Zij rechtvaardigden hun gedrag met te verklaren dat zij een rustige plaats nodig hadden, vrij van storm en regen, om de halachische problemen te bespreken.

Wat moet men doen als men iemand die in de sjoel is, wil roepen om naar buiten te komen?

Rawa antwoordt: Een jonge Tora-student gaat de sjoel in en citeert er een halacha. En als hij niets anders kan, een Misjna, en als hij dat ook niet kan, een pasoek uit de Bijbel en als hij dat ook niet kan, roept hij een kind, en vraagt hem het vers te citeren, dat hij die dag op het cheider geleerd heeft  en om vervolgens de persoon in kwestie te roepen. En als er geen kind beschikbaar is, gaat hij zelfs de sjoel binnen, blijft er even zitten en doet dan wat hij doen moet.

Rouw-toespraken

De Baraita zegt dat men in een synagoge wel een openbare rouw-toespraken mag houden, bijvoorbeeld voor een Tora-geleerde.

Vraag: Wat is een voorbeeld van een openbare rouw-toespraak?

Antwoord: Rav Chisda gebaarde: Bijvoorbeeld als Rav Sjesjet aanwezig is [wanneer iemand uit de familie van Rav Sjesjet is overleden en de hele stad komt, ter ere van Rav Sjesjet luisteren naar de rouw-toespraak (Rasji).] En Rav Sjesjet gebaarde: idem voor Rav Chisda.

Rafram hield een rouw-toespraak voor zijn schoondochter in de synagoge, want iedereen kwam ter ere van hem naar de sjoel, dus was het een publieke rouw-toespraak.

Rav Zeira hield een rouw-toespraak voor een zekere jonge Tora-geleerde en hij zei: de mensen komen of ter ere van mij of ter ere van de overleden Tora-geleerde, dus is het een openbare rouw-toespraak.

Reisj Lakisj hield een rouw-toespraak voor een Chacham die Misjna onderwezen had en zei: O wee, het Land Israël heeft een groot man verloren.”

Rav Nachman weigerde een rouw-toespraak te houden voor iemand die Misjna, Midrasj en Tosefta onderwezen had, want hij noemde hem een zak met boeken [hij had nimmer de moeilijke problemen leren oplossen].

De Gemara vergelijkt het gedrag van Rav Nachman met dat van Reisj Lakisj: Zie het verschil tussen de machtigen van Israël en de vromen van Babylonië!

Een Misjna in Awot 1:13 zegt: Wie de kroon van Tora gebruikt, zal sterven.

Reisj Lakisj verklaarde dat dit betrekking had op iemand die gebruik maakte van de diensten van een Tora-Geleerde.

Oela zei: het is beter om gebruik te maken van de diensten van iemand die vier orders van de Misjna geleerd heeft, dan van iemand die ze onderwezen heeft.

Reisj Lakisj was eens op reis en stond voor een stroom, waar hij niet overheen kon. Een man kwam voorbij en nam hem op zijn schouders en ging met Reisj Lakisj het water in.

Heb je Misjna geleerd?” vroeg Reisj Lakisj hem.

Vier orders,” was het antwoord.

Gooi me dan in het water,” verzocht Reisj Lakisj hem.

Het is mij een genoegen u te dienen,” antwoordde de man.

Leer dan van mij het volgende: Rav Zeira heeft gezegd: Joodse vrouwen hebben op zich genomen om zeven reine dagen te wachten als ze ook maar één enkel menstruatie-druppeltje bloed gezien hebben, voordat zij in het mikwe gaan.

Tana d’wei Eliahoe – Er werd geleerd in de school van Eliahoe

De school van Eliahoe onderwees een Baraita [dit was òf de Profeet Eliahoe, òf een Geleerde van die naam]: Wie iedere dag halachot leert, verdient een plaats in de Komende Wereld, zoals er geschreven staat [Habakkuk 3:6]: Halichot ‘olam lo – de wegen van de wereld zijn van Hem.” Lees niet halichot – wegen, maar lees halachot – wetten.


 

[1] Lev. 26:31.