Archief Megilla

Aanmelden

 donderdag 8 maart 2007

 18 Adar 5767

Aan de orde van de daf

De voornaamste onderwerpen van Traktaat Megilla 29

Door Zwi Goldberg

vorige daf

volgende daf

Hoeveel mensen moeten een begrafenis bijwonen

1.   Een Baraita leert: Men moet stoppen met Tora-studie om een dode naar de begraafplaats te brengen en ook om een bruid te begeleiden [van het huis van haar vader naar de choepa (Rasji)]. Er wordt verteld dat Rabbi Jehoeda, de zoon van R. Ilai dat ook deed. Dit geldt alleen wanneer er niet voldoende mensen aanwezig zijn voor de begra­fenis­plechtigheid, maar wanneer er wel voldoende mensen aanwezig zijn, mag men de studie van Tora daarvoor niet onderbreken.

2.   De Gemara vraagt: hoeveel is ‘voldoende’?

1e antwoord (Rav Sjmoeël bar Inja): 12.000 man plus 6.000 sjofar-blazers. [Vroeger blies men op sjofars bij een begrafenis.] En anderen zeggen 12.000 man, waaronder 6.000 sjofar-blazers.

2e antwoord (Oela): Het is ‘voldoende’ wanneer de belangstellenden een muur van mensen kunnen maken van de stadspoort tot de begraafplaats. [De begraafplaats lag vroeger altijd buiten de stad.]

3e antwoord (Rav Sjesjet): Zoals de Tora gegeven werd in aanwezigheid van 600.000 man, zo moet hij ook wor­den teruggenomen. [Als een Tora-Geleerde overlijdt, verdwijnt daarmee zijn Tora. Een Tora-Geleerde is een mens-geworden Tora.] En dat geldt dan alleen nog voor iemand die alleen maar Tanach en Misjna geleerd heeft, maar wie Misjna aan anderen onderwezen heeft, voor hem geldt er geen limiet. [Dus voor zulk een Geleerde moet iedereen zijn Tora-studie onderbreking om de overledene te begeleiden naar de begraafplaats.]

Synagogen in Babylonië

1.   Een Baraita: R. Sjim’on bar Jochai heeft gezegd: Hasjem heeft Israël zo lief, dat overal waarheen zij worden verbannen, begeleidt de Sjechina [g-ds aanwezigheid op aarde] hen. Toen zij in ballingschap in Egypte waren, was de Sjechina bij hen, in Babylonië was Hij bij hen en ook in de huidige ballingschap is Hij bij hen, zoals er geschreven staat [Dew. 30:3]: Dan zal Hasjem met de ballingen terugkeren.” Wanneer Hij met de ballingen terugkeert, was Hij dus met hen in de ballingschap.

2.   De Gemara vraagt: Waar is de Sjechina in Babylonië te vinden?

      De Gemara antwoordt: in de synagogen van Hoetsal en Nehardea. [Die had Koning Jochanja  en zijn hofhouding gebouwd met stenen  die zij meegebracht hadden uit Jeruzalem, toen zij in ballingschap gevoerd werden, om het vers (Psalmen 102:15) te vervullen, dat zegt: „Want Uw dienaren hebben  haar stenen lief en prefereren haar stof” (Rasji).

      Abbajjé getuigde over zijn voorliefde voor deze synagogen, dat als hij binnen een afstand van een parsa [ruimt 4 km] ervan verwijderd was, hij in een van die synagogen ging dawwenen.

      De vader van Sjmoeël en Levi zaten in de synagoge van Nehardea en ze hoorden dat de Sjechina daar was. Daarop verlieten zij de synagoge.

      Rav Sjesjet zat eens in de synagoge van Nehardea en de Sjechina kwam, maar hij bleeft zitten. Daarna kwamen er engelen die hem geboden om er weg te gaan. Maar Rav Sjesjet wendde zich tot G-d en vroeg: wie heeft er hier meer rechten, de gefortuneerde engelen of deze arme [blinde] man. Daarop gebood G-d de engelen Rav Sjesjet met rust te laten [Rav Sjesjet was blind (Rasji)].

3.   G-d zei tegen de Profeet Jechezkel: Ik zal voor hen een miniatuur Mikdasj [heiligdom] zijn.”

      Rav Jitschak zei: dat zijn de synagogen en leerhuizen in Babylonië. Ze zijn als een miniatuur Tempel.

      Psalmen 90:1 zegt: Hasjem, U was voor ons een woning.” Rawa verklaart: dat zijn de synagogen en studiehuizen waarin G-d woont, nu Hij geen Tempel meer heeft om in te wonen. [Het Misjkan – woning – in de woestijn en later de Tempel in Jeruzalem, was de ‘woning’ van de Sjechina, de G-ddelijke aanwezigheid op aarde. Nu er geen Tempel meer is, woont G-d als het ware in de synagogen en studiehuizen. Daar heerst een G-ddelijke sfeer.]

4.   Een Baraita leert: In de toekomst zullen de synagogen van Babylonië in het Land Israël komen te staan, zoals het vers [Jer. 46:18] zegt: Want zoals de berg Tabor en de berg Carmel bij de zee zullen komen” [deze twee bergen zouden bij Matan Tora aanwezig zijn geweest in de woestijn, maar naar Israël zijn teruggekomen (Rasji, en Ber.R. 99:1)]. De Baraita redeneert: Wanneer die twee bergen naar Matan Tora zijn gekomen om Tora te leren en toch in Ertes  Jisraël werden geplaatst, hoeveel te meer zullen dan de synagogen en studiehuizen, waar Tora gelezen en geleerd wordt, in Erets Israël worden geplaatst.

5.   De Gemara vertelt in een aggada hoe de twee bergen Tabor en Carmel zichzelf als het meest geschikt bevonden om de Tora op te verkrijgen, omdat zij de hoogste bergen van Israël waren. Maar dat Hasjem hen te hooghartig vond en daarom de nederige, niet zo hoge berg Sinaï uitkoos voor Matan Tora.

      Hieruit leren we dat verwaandheid een slechte karaktereigenschap is.

6.   De Misjna leerde dat het verboden is om een synagoge te gebruiken om een weg af te snijden. Rav Nachman bar Jitschak verklaart: wanneer men niet met die bedoeling een synagoge binnengaat, mag men wel door een andere uitgang dan men erin is gegaan, er weer uitgaan, om op die manier een stuk weg af te snijden.

7.   Een Baraita leert: Men mag zich niet frivool gedragen op een begraafplaats; men mag er niet zijn dieren laten grazen; men mag er geen waterkanaal door voeren; men mag er niet het gras plukken en wie dat toch doet, moet het daar ter plaatste verbranden uit respect voor de doden. En men mag zich niet frivool gedragen uit respect voor de doden.

Misjna Als Rosj Chodesj Adar op Sjabbat valt, wordt parasjat Sjekaliem [Sjemot 30:11-16] gelezen. Wanneer Rosj Chodesj Adar op een werkdag valt, lezen we parasjat Sjekaliem de Sjabbat daarvoor en de volgende Sjabbat wordt geen speciale parasja gelezen. [In de maand Adar worden vier speciale parasjiot gelezen, behalve de wekelijkse afdeling van Tora. De Misjna heeft het over deze vier parasjiot.]

Op de tweede Sjabbat [waarop een speciale parasja gelezen wordt] leest men parasjat zachor. [(Dew. 25:17-19) Deze parasja, met daarin de opdracht om Amalek uit te roeien, moet gelezen worden op de Sjabbat vlak voor Poeriem, omdat Haman een afstammeling was van Amalek.]

Op de derde Sjabbat [waarop een speciale parasja gelezen wordt], leest men parasjat para [(Bam. 19:1-22) die gaat over de rode koe, waarvan de as gebruikt wordt om iemand, die door aanraking met een dode tamee – geestelijk onrein – geworden is, weer te reinigen. Dit wordt gelezen om de mensen er aan te herinneren dat zij zich voor het Pesach offer moeten reinigen als ze tamee geworden zijn. Dit gold alleen in de tijd van de Tempel, toen het Pesach-offer nog gebracht kon worden.]

Op de vierde Sjabbat [waarop een speciale parasja gelezen wordt], leest men HaChodesj Hazè [(Sjem. 12:1-20), waarin de Pesach-wetten staan.]

Op de vijfde Sjabbat volgt men weer de gewone volgorde.

Op feestdagen wordt niet de gewone wekelijkse parasja gelezen, maar een speciale afdeling van Tora voor die feestdag. Ook op Rosj CHodesj, Chanoeka, Poeriem, vastendagen, ma’amadot en Jom Kippoer worden speciale afdelingen van Tora gelezen [in plaats van wat er normaliter op maandag en donderdag gelezen wordt].

Daf 29b

Gemara De Gemara haalt een Misjna aan [traktaat Sjekaliem 1:1]: Op de eerste Adar wordt over de sjekaliem bekend gemaakt en over het verbod op kilajim. [Het Beit Din maakt bekend dat men de jaarlijkse belasting van een halve sjekel moet betalen. Kilajim is het planten (of laten groeien) van twee verschillende soorten groenten en zaden en graan op hetzelfde veld. Op de 1e Adar, bij het begin van het voorjaar, als alles weer gaat groeien, waarschuwt het Beit Din dat men vreemde zaden en wat daar uit is opgeschoten, van zijn veld moet verwijderen (Rasji).]

De Gemara licht de bekendmaking over kilajim toe: want in het voorjaar wordt datgene wat uit het zaad groeit, zichtbaar.

En betreffende Sjekaliem: Waarom is Rosj Chodesj Adar daar de tijd voor?

Antwoord (R. Tavi): Omdat het vers (Bamidbar 28:4) zegt: Dit is het brandoffer van de nieuwe maan bij zijn vernieuw­ing voor de maanden van het jaar.” Dat wil zeggen: vernieuw [de maan] door een offer te brengen van de nieuwe hef­fing. [Dus vanaf een bepaalde nieuwe maan moeten de offers betaald worden van gelden, die nieuw geïnd zijn en die nieuwe maan is Rosj Chodesj Nisan, zoals in traktaat Rosj Hasjana (7a) wordt afgeleid van de extra woorden: Van de vernieuwing voor de maanden van het jaar” (Rasji).]

De Gemara concludeert: Daar we vanaf Nisan de offers [het dagelijkse tamied en de moesafiem (Rasji)] van de nieuwe heffingen moeten betalen, wordt er voor die tijd bekend gemaakt dat men die heffing vóór de 1e Nisan moet betalen.

Vraag: Maar waarom wordt deze verplichting al 30 dagen vóór Rosj Chodesj Nisan aangekondigd?

Antwoord: Omdat de geldwisselaars de provincies in trokken op de 15e Adar om geld in te wisselen in halve sjekels en dat werd twee weken daarvoor, op de 1e Adar, aangekondigd en daarom wordt er op Rosj Chodesj Adar parasjat Sjekaliem gelezen.

Vraag: Wat is parasjat Sjekaliem?

1e antwoord (Rav): Bamidbar 28:1-8, dat gaat over het dagelijks brandoffer, het tamied.

2e antwoord (Sjmoeël): Sjemot 30:11-16, dat gaat over de verplichting om de halve sjekel te betalen.

Vraag: Waarom noemt Rav Bamidbar 28:1-8 parasjat sjekaliem’? Het woord sjekel komt er niet in voor.

Antwoord:  Het tamied wordt gefinancierd uit de Tempel-kas van de sjekaliem.

Vraag: Wat is volgens Sjmoeël het verband tussen de halve sjekel en de offers? De halve sjekels in Sjemot 30:11-16 werden gebruikt om daarvan de voetstukken van het Heiligdom te maken [zoals staat beschreven in Sjemot 38:25-28], en niet voor de offers?

Antwoord: Een Baraita leert dat er drie heffingen waren, omdat het woord troema – heffing – driemaal in de verzen Sjemot 30:13-15 genoemd wordt. Eén heffing was voor de offers op het altaar, één heffing was voor de zilveren voet­stukken en één heffing was voor het onderhoud van de Tempel.

Vraag: Wat is er speciaal aan de voorlezing op Rosj Chodesj Adar volgens Rav, die zegt dat we dan Bamidbar 28:1-8 lezen. Dat lezen we iedere Sjabbat Rosj Chodesj? [Tegenwoordig lezen we op een Rosj Chodesj die op een werkdag valt Bamidbar 28:1-11, en op Rosj Chodesj die op een Sjabbat valt Bamidbar 28:9-16. Kennelijk werd in de tijd van de Misjna en Talmoed op Sjabbat Rosj Chodesj Bamidbar 28:1-8 gelezen, in plaats van vers 9-16 zoals we tegenwoordig lezen.]

Antwoord: Op een gewone Sjabbat Rosj Chodesj worden zes mensen opgeroepen voor de wekelijkse parasja en één voor de parasja van Rosj Chodesj [die bij ons de maftier leest, de achtste man die wordt opgeroepen. De Gemara rekent hier kennelijk de maftier als één van de zeven opgeroepenen], terwijl op Rosj Chodesj Adar [als dat op Sjabbat valt] iedereen wordt opgeroepen voor parasjat Rosj Chodesj [en de gewone wekelijkse Tora-afdeling wordt niet gelezen maar verschoven naar de volgende Sjabbat, volgens de mening van Rav].

Vraag: Dit antwoord is bevredigend woor diegenen die menen dat op de vijfde Sjabbat de gewone volgorde van de Tora-afdelingen gelezen worden, maar wat is het antwoord op de vorige vraag volgens degenen die menen dat iedere Sjabbat de gewone parasja van de Sjabbat gelezen wordt? [De Misjna zegt: op de vijfde Sjabbat volgt men weer de gewone volgorde. Er bestaat een machloket over de vraag wat dit betekent. Volgens sommigen wordt hier de gewone volgorde van de Haftarot mee bedoeld en leest alleen de maftier de speciale afdeling op de vier genoemde Sjabbatot; volgens anderen wordt op die vier speciale Sjabbatot de gewone volgorde van de Tora-afdelingen, die gelezen worden iedere Sjabbat, onderbroken en op de vijfde Sjabbat weer hervat.]

Antwoord: Ook volgens hen is er een verschil, want op een gewone Sjabbat Rosj Chodesj lezen zes mensen de wekelijkse afdeling en één leest de afdeling van Rosj Chodesj. Op Rosj Chodesj Adar lezen drie mensen de wekelijkse afdeling en vier lezen de afdeling van Rosj Chodesj.

De voorgaande discussie ging over de mening van Rav dat men op Sjabbat Sjekaliem Bamidbar 28:1-8 leest. De Gemara maakt hier nu bezwaar tegen op grond van de volgende Baraita:

Vraag: Als Rosj Chodesj Adar op Sjabbat valt, leest men parasjat Sjekaliem en als Haftara wordt de afdeling over Jehojada de Kohen gelezen [II Koningen 12:1-17]. En de Gemara vraagt: er is duidelijk verband tussen Sjemot 30:11-16, dat volgens Sjmoeël gelezen wordt (zie boven) en deze Haftara [want beide gaan over de halve sjekel die voor het onderhoud van het Heiligdom dienen], maar wat is het verband tussen Bamidbar 28:1-8, dat volgens Rav gelezen wordt, en deze Haftara?

De Gemara antwoordt: Bamidbar 28:1-8 gaat over de offers en die moeten betaald worden van de halve sjekel.

Nieuwe vraag: Een Baraita vertelt dat de afdeling Sjekaliem als onderdeel van de normale Sjabbat-lezing, omstreeks Rosj Chodesj Adar valt. Dat kan alleen gelden voor Sjemot 30:11-16 [dat staat in parasja Kie Tisa, dat omstreeks die tijd gelezen wordt], maar Bamidbar 28:1-8 valt in parasjat Pinchas en dat wordt in de zomer gelezen!?

Antwoord: In Erets Jisraël las men in die tijd de Tora in drie jaar uit, in plaats van in één jaar, en dan kan het zijn dat parasjat Pinchas omstreeks Adar gelezen wordt.

De Halacha: Een Baraita geeft het concluderende antwoord: We lezen Sjemot 30:11-16, zoals Sjmoeël zegt.

De procedure voor het lezen van Tora op Rosj Chodesj Adar volgens Rav Jitschak Nafcha

1. Wanneer Rosj Chodesj Adar op Sjabbat valt, lezen we uit drie Tora-rollen. Uit de eerste lezen we de wekelijkse afdeling, uit de tweede lezen we de afdeling van Rosj Chodesj en uit de derde de afdeling Sjekaliem.

2. Als Rosj Chodesj Tevet [Chanoeka] op Sjabbat valt, lezen we uit drie Tora-rollen: uit de eerste de wekelijkse afdeling, uit de tweede de afdeling van Rosj Chodesj en uit de derde over Chanoeka [Bam. 7:1-8:4].

3.  Als Rosj Chodesj Tevet [Chanoeka] op een werkdag valt, dan lezen drie mensen de afdeling van Rosj Chodesj en één de afdeling over Chanoeka.

Rav Dimi zei: Drie lezen over Chanoeka en de vierde leest de afdeling van Rosj Chodesj.

Rav Mani zei: De mening van Rav Jitschak is logischer, want wat vaker voorkomt, heeft voorrang boven wat minder vaak voorkomt [tadier we-eino tadier, tadier kodem].

Halacha: De halacha is volgens Rav Jitschak [zie ook Sj.A.O.Ch. 684:3].