Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

10 Adar II, 5763

Traktaat  Sjewoeot 44 - 49

Nr.  5

42a Aangezien hij had kunnen zeggen dat het nooit gebeurd is – 42b Waarom zegt Tora dat wie een deel van een eis toegeeft, moet zweren?

Wat is de betekenis van een miĝo en hoe en waarom werkt het?

De soegia  die wij nu leren, gaat over vorderingen, die in een beit din geëist worden. Voordat wij dat leren, moeten wij eerst begrijpen wat de betekenis is van één van de meest fundamentele begrippen bij financiële zaken, de miĝo – „aangezien, daar, omdat” in het Aramees. Wanneer een rechtspartij een niet overtuigende bewering doet in zijn eigen voordeel, wordt hij niet geloofd. Maar wanneer het beit din zich realiseert dat hij iets ander met meer overtuiging had kunnen beweren, dan wordt hij geloofd miĝo – aangezien hij de meer overtuigende bewering had kunnen aanvoeren. Met andere woorden, wij hebben een solide bewijs  dat hij de waarheid vertelt, want als hij een leugenaar was, zou hij een sterkere, meer geloofwaardige leugen hebben verteld. Een miĝo is dus een ondersteuning van een overigens twijfelachtige bewering van een rechtspartij. Wij zullen hier twee schijnbaar identieke gevallen bespreken, maar op slechts één daarvan is een miĝo van toepassing. We zullen de verschillen tussen de twee onderzoeken en zodoende meer vertrouwd raken met de verborgen aspecten van de miĝo.

Iemand is verplicht te zweren: Reoeween wordt gevraagd een lening terug te betalen die hem gegeven is zonder schriftelijke schuldbekentenis. Wanneer hij beweert dat het bedrag van de lening kleiner was, dan dat wat de schuldeiser eist, zodat hij dus een deel van de lening erkent schuldig te zijn, dan moet hij zweren dat hij eerlijk de waarheid zegt [want het feit dat hij een deel van de vordering toegeeft, is een bewijs dat er een grond van waarheid zit in de vordering van de schuldeiser]. Maar wanneer hij de hele lening ontkent, dat wil zeggen, hij beweert dat hij in het geheel niets schuldig is, dan laat het beit din hem niet zweren, want de eiser heeft zijn vordering niet bewezen [maar hij moet wel een heseet-eed zweren als een rabbijnse verordening].

Iemand die een voorwerp moet teruggeven: Sjim’on moet een dier teruggeven [dat hij geleend, gehuurd of bewaakt heeft]. Wanneer hij beweert dat hij het als onderpand aangenomen heeft wegens de grote schade die het had aangericht, dan moet hij het onmiddellijk teruggeven, tenzij hij bewijst dat er inderdaad zoveel schade was. Maar wanneer hij beweert dat hij het dier van de eiser gekocht heeft, dan wordt hij geloofd als  een moechzak [bezitter] en men veronderstelt dat hij geen dief is [zie Bawa Batra 36a, geval van de geiten, waar eigendom van een dier verondersteld wordt [chazaka].

Een korte blik  op beide gevallen vertelt ons dat zowel Reoeween, die een deel van een eis toegeeft en moet zweren, als Sjim’on, die beweert dat het in beslag genomen dier als onderpand dient wegens de schade die hij heeft ondervonden, kunnen profiteren van een miĝo. Tenslotte, wanneer Reoeween zou liegen, waarom ontkent hij dan niet de hele lening? En als Sjim’on een leugenaar is, waarom zegt hij dan niet dat hij het dier gekocht heeft? Wij zouden daarom Reoeween moeten vrijstellen van het maken van een eed en Sjim’on van het teruggeven van het dier.

Echter, onze soegia legt uit dat deze miĝo aan Reoeween geen geloofwaardigheid kan geven en dat hij toch moet zweren. Wanneer het beit din zeker zou zijn dat Reoeween niet de hele lening ontkent uit eerlijkheid, dan zouden de dajaniem zijn bewering, dat hij slechts een deel van de lening schuldig is, geloofd hebben. Maar de Gemara zegt dat het mogelijk is dat hij liegt en dat de reden dat hij niet de hele lening ontkent ligt in de veronderstelling dat „iemand zijn geldschieter niet durft tegen te spreken” [tenslotte heeft die geldschieter hem geholpen met de lening]. Met andere woorden, gewoonlijk kan iemand makkelijker een deel van een lening ontkennen dan de hele lening.

Samenvattend: ieder intelligent persoon zal begrijpen, dat, wanneer het beit din weet dat iemand een zwakke verdediging aanvoerd, om wegens een of andere reden een sterkere claim te vermijden, de miĝo niet werkt. In het licht van hetgeen hiervoor gezegd is, is de miĝo van Sjim’on ook een „miĝo uit gebrek aan durf”, want het is mak­ke­lijker voor Sjim’on om te beweren dat hij schade heeft geleden, iets dat de eigenaar van het dier moeilijk kan ontkennen, dan te beweren dat hij het dier van de eiser gekocht heeft, wanneer beiden, de eiser en Sjim’on weten dat dit niet waar is. Daarom, wanneer hij beweert dat hij zich het dier heeft toegeëigend als dekking voor schade die hij geleden heeft, hoeven wij niet met zekerheid aan te nemen dat hij de waarheid spreekt, want hij heeft niet echt het betere argument dat hij het dier gekocht heeft. Wij kunnen hem ook als een leugenaar beschouwen, maar dan een die alleen maar een „kleine” leugen durft te vertellen.

In het licht van de sterke logica van de voorafgaande redenering, zijn vele wenkbrouwen omhoog gegaan in batei midrasj over de hele wereld over de regeling van de Sjach [volgens vele Risjoniem, Ch.M. eind 82, noot 6 en in Kitsoer Kelalei Miĝo, noot 20] dat Reoeween niet aan de gedurfde miĝo mag worden toegevoegd, terwijl Sjim’on wel de miĝo mag gebruiken en daarmee wordt vrijgesteld om het dier terug te geven. Hierna volgt een van de voornaamste verklaringen.

Wij moeten een duidelijk onderscheid maken tussen hetgeen Reoeween moet bewijzen en wat Sjim’on moet bewijzen, daar Reoeween moet zweren omdat het beit din beslist dat hij zijn eerlijkheid moet bewijzen. Wanneer Reoeween een ander bewijs wil overleggen in plaats van de eed, dan moet dat minstens zo betrouwbaar zijn als de eed. Daarom geldt, dat als hij een sterk miĝo heeft, dat bewijst dat hij eerlijk is, dan is hij vrijgesteld van de eed, maar als hij alleen maar een „miĝo uit gebrek aan durf” heeft, houden wij daar geen rekening mee en moet hij zweren.

Aan de andere kant werd van Sjim’on nimmer geëist te bewijzen dat het dier van hem is. Als bezitter wordt hij reeds verondersteld de eigenaar te zijn en alles wat hij hoeft te doen is het beit din ervan te ovetuigen hem van de eis, om het aan de originele eigenaar terug te geven, te ontslaan. Daarom mag Sjim’on profiteren van de miĝo, hoewelk het een zwak miĝo is. Zijn zwak argument dat hij het dier houdt als onderpand wegens geleden schade, gecombineerd met de zwakke miĝo overtuigt de rechters ervan dat zij hem niet kunnen dwingen het dier terug te geven [Kehillat Ja’akov, Bawa Metsia, §3, e.a.]

[Uit: Meorot HaDaf HaYomi nr. 198]

44b De meester zegt: hij doet een mitswa

Is iemand die een mitswa doet waarvan hij profiteert, vrijgesteld van een andere  mitswa?

Iemand die een mitswa doet, is vrijgesteld van het doen van een andere mitswa [Soeka 25a], wanneer hij ze niet allebij tegelijk kan doen. Want waarom moet hij de ene mitswa laten schieten om de andere te doen? Zelfs als de andere mitswa belangrijker is, dan nog zegt Tora dat hij de eerste mitswa niet moet laten lopen [Ritva en Ran, ibid]. Met deze richtlijn refereren chazal aan mitswot van Tora, maar er bestaat veel discussie tussen de poskiem over de vraag hoe dat zit met handelingen die niet precies als mitswot kunnen worden aangemerkt.

Een tefillien handelaar: Rabbijn Awraham Avli HaLevi Gombiner, auteur van Maĝeen Awraham, beslist [Sjoelchan Aroech O.Ch. 38:8] dat als iemands voornaamste bedoeling is om eraan te verdienen, hij niet beschouwd kan worden als dat hij een mitswa doet. Bijvoorbeeld iemand die tefillien koopt om ze aan een ander door te verkopen met winst, wordt niet beschouwd als dat hij zich met een mitswa bezig houdt, maar wanneer hij dat doet met de voornaamste bedoeling om voor de ander een mitswa te doen, dan wordt het wel beschouwd dat hij een mitswa doet.

De Chafeets Chajiem z”l [Beioer Halacha 38:8] beweert dat de Maĝeen Awraham het heeft over iemand die zich bezig houdt met een handeling waarvan de definitie afhankelijk is van zijn bedoelingen: soms kan het geteld worden als een mitswa, soms is het een gewone wereldlijke handeling. Met andere woorden, iemand die tefillien koopt voor een ander houdt zich niet met een absolute mitswa bezig; de definite daarvan hangt af van zijn bedoelingen. Een sofeer daarentegen, wordt beschouwd als iemand die hij zich met een mitswa bezighoudt, ondanks dat hij verwacht daarvoor betaald te krijgen, want hij is actief bezig met het doen van een mitswa.

Niettemin vraagt de Chafeets Chajiem over de Mageen Awraham, op grond van onze soegia, waar Rabbi Akiwa zegt dat iemand die iets uitleent en daarvoor een onderpand neemt, beschouwd wordt dat hij een mitswa doet, hoewel het onderpand dient om hem ervan te verzekeren dat de schuldenaar hem zal terugbetalen. Schijnbaar is het in bewaring nemen van een onderpand geen definitieve mitswa en volgens de Maĝeen Awraham moet de geldschieter niet beschouwd worden als iemand die een mitswa doet, want hij houdt het onderpand bij zich om de lening weer te kunnen innen en in dat geval is zijn voornaamste bedoeling niet een mitswa te doen [zie ibid, wat hij schrijft om de meningen met elkaar in overeenstemming te brengen].

HaGaon Rav Moshe Sternbuch [Tesjoewot Wehanhagot III:15] legt uit, dat de beslissing van de Maĝeen Awraham, dat een bepaalde handeling, die beschouwd kan worden als een wereldse handeling, alleen als een mitswa beschouwd kan worden als die gedaan wordt met als voornaamste bedoeling de mitswa te doen, geldig is. Daarom moet iemand die tefillien koopt hoofdzakelijk de bedoeling hebben een mitswa te doen, maar degene die in onze soegia genoemd wordt en geld uitleent, had de zuivere bedoeling om een mitswa te doen. Leende hij soms het geld uit met de bedoeling dat hij het onderpand zou kunnen gebruiken om de lening terug betaald te krijgen? Zijn bedoeling was een mitswa te doen en iemand geld te lenen, en omstandigheden noodzaakten hem om een ondepand te gebruiken om zijn geld terug te krijgen.

[Uit: Meorot HaDaf HaYomi nr. 198]