Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

12-18 Adar II, 5763

Traktaat  Avoda Zara 2-9

Nr.  6

3b Ieder die stopt met Tora leren en zich bezighoudt met praatjes, die voedt men brandend woestijnbremhoutskool

Wie stopt met Tora leren, voedt men brandende kolen

Onze Gemara citeert Rabbi Levi, die zegt: Ieder die stopt met Tora leren en zich bezighoudt met praatjes, die voedt men brandende woestijnbremhoutskool [dat extra langbrand]. Zoals ons geleerd wordt: ‘en de bron van de distel is hun brood’ [Ijov 30:4]. Met andere woorden, behalve het gebod … en je zult het dag en nacht bestuderen’ [Jehosjoea 1:8] en het verbod op ijdele praat [Joma 19b], wordt iemand die zijn leren interumpeert met wereldse praatjes  woestijnbremhoutskool gevoerd.

De Chafeets Chajiem zt’l [Sjemirat Halasjon I, conclusie van het boek, hfdst. 2) legt uit dat daar houtskool van woestijnbrem 12 uur brandt [Bawa Batra 74b], Rabbi Levi ze als een parabel gebruikte om te wijzen op de straf van het kwaad in het Geihinom, die 12 maanden duurt. Kisei Melech [op Tikoenei HaZohar, Tikoen 18, 33b] zegt dat zijn Tora is over gegeven aan onreine krachten [chitsoniem].

Deze halacha wordt nader verklaard in de misjna Avot 3:7: „Rabbi Sjimon zegt: ‘Iemand die onderweg leert en zijn leren onderbreekt om „wat mooi is die boom” te zeggen of „Wat mooi is dat veld,” die wordt door Tora beschouwd alsof hij zijn leven schuldig is’.” De Tasjbets [Maĝeen Avot, ibid] legt uit dat zo iemand eigenlijk aankondigt dat wereldse gesprekken belangrijker zijn dan het leren van Tora en behalve het verontachtzamen van de mistwa van Tora-studie en het zich bezighouden met ijdele praat, doet hij Tora ook nog oneer aan. De Maharal van Praag [Derech Chajoiem, ibid] voegt daaraan toe dat Hasjem constant leert met Zijn studenten, dus hoe kan iemand stoppen met leren om zich te buiten te gaan aan wereldse praat? [Zie verder Sefer Chasidiem 944].

HaGaon Rav Ja’akov Risher, auteur vn Sjevoet Ja’akov, schrijft in zijn Ijoen Ja’akov [op onze soegia] dat deze zaak even goed van toepassing is op een talmied chacham die veel leert, zoals Rabbi Levi zegt: „Iedereen die met leren stopt…” En ook al zouden wij ons verder moeten verdiepen in de betekenis van de wereldse gesprekken van talmidei chachamiem – ze worden niet als ijdele praat beschouwd – niettemin, daar Tora wordt vergeleken met water en brood, hoort men zijn Tora-studie niet te onderbreken. Daarom wordt iemand die stopt met leren gestraft met kool van woestijnbrem, zoals ons geleerd wordt: „en de bron van de woestijnbrem is hun brood,” maat voor maat want hij stopte met zichzelf te onderhouden met het brood van Tora.

Waar de Joseef Omets zo van onder de indruk was: De auteur van Joseef Omets klaagt [p. 278]: „Sinds ik begrip heb gekregen, heb ik mij grote inspanning getroost om mijzelf te vrijwaren van deze straf, want het is heel gewoon voor iemand die in de huiskamer leert. Mensen komen en gaan en spreken met hem en dat vereist van hem dat hij vele malen stopt.” Verderop vermeldt hij dat hij er goed op let dat men hem mag interumperen  bij het leren op een plaats waar het niet in het midden van een onderwerp is, zodat men niet hoeft te herhalen wat men al geleerd heeft, als men verder gaat leren.

Voor wat betreft de halacha: De Misjna Broera [in Sja’ar HaTsioen 285:11] beslist dat iemand die de sedra tweemaal leert men de tarĝoem niet in het midden van een onderwerp mag onderbreken.

Ten slotte noemen wij nog de gewoonte van Rabbi Efraïm Zalman Margeliot van Brod zt’l, die, wanneer hij gedwongen werd om zijn leren te onderbreken voor wereldse gesprekken, zijn jas die hij aan had tijdens het leren, uitdeed; de Belzer Rebbe zt’l praatte niet over wereldse zaken totdat hij het boek waaruit hij geleerd had, terug gezet had op zijn plaats [Sjevet HaKehati I:370; zie ook BeTorato Jehge, hfdst. 5:3].

(Uit Meorot HaDaf Hayomi 199)

9a Ga eens na hoeveel jaren er verlopen zijn sinds de verwoesting van de Tempel

Dit jaar is niet 5763?

„Op de eerste dag van de week, 19 Adar II, in het jaar 5763 sedert de Schepping volgens het aantal dat wij tellen hier in Bnei Brak…” Zo een zin, waarmee de ketoeba begint, kent iedereen die wel eens naast een choepa gestaan heeft en geluisterd heeft naar het voorlezen van de ketoeba. Maar waarom die toevoeging „volgens het aantal dat wij tellen hier in Bnei Brak”? Wordt niet overal hetzelfde jaar geteld? De Tasjbetz [Responsa I:301] lichtte dit onderwerp nader toe, zoals wij zullen uitleggen.

Onze soegia bespreekt verschillende berekeningen van jaren, die er op wijzen dat de Tweede Tempel gestaan heeft tot het jaar 3828 na de Schepping. De Gemara in Arachien 10b legt uit dat de Tweede Tempel verwoest werd in een jaar volgend op een sjemita-jaar. Dus zou er geen enkel probleem hoeven te zijn om de sjmita jaren tot vandaag te berekenen, want het jaar voor de verwoesting, 3827, was dus een sjemita-jaar. Maar de zaak is niet zo simpel ten gevolge van twee essentiële meningsverschillen.

In welk jaar werd de Tempel verwoest? Volgens Rasji [s.v. ki m’ajant] werd de Tempel inderdaad vewoest in het jaar 3828 en dus was het jaar 3827 een sjemita-jaar. Echter Rasjbam [in Tossafot] is het daar niet mee eens en meent dat de Tweede Tempel in het jaar 3829 verwoest werd maar dat dit jaar niet inbegrepen is in de jaren van de Tempel, omdat de Tempel niet alle maanden van dat jaar bestond. Dus volgens hem was 3828 een sjemita-jaar.

Aan de andere kant, Rambam [Hilchot Sjemita Wejoveel 10:5, in naam van de Geoniem] combineert de benaderingen van Rasji en van Rasjbam. Volgens hem werd deTempel verwoest in het jaar 3828, zoals Rasji zegt, maar was dat jaar zelf een sjemita-jaar, overeenkomstig de mening van Rasjbam. Dat de Gemara schrijft dat de Tempel verwoest werd in een jaar ná een sjemita-jaar heeft betrekking op het rouwjaar na de verwoesting.

Wij hebben dus twee meningen. Volgens Rasji was 3827 een jemita-jaar en volgens Rasjbam en Rambam was dat 3828. Een snelle berekening leert ons dat volgens Rasji het laatste sjemita-jaar 5759 had moeten zijn en volgens Rambam in 5760. Maar wij hielden sjemita in 5761!

Is er soms enige verwarring ontstaan in de berekening van de jaren over de generaties? Of misschien zijn er een paar systemen voor de berekening van de jaren sedert de Schepping? Inderdaad, het laatste is waar. Er zijn verschillen­de meningen over de vraag of wij de eerste vijf dagen van de Schepping als een heel jaar moeten rekenenen, als volgt.

Wij veronderstellen, tenminste voor de berekening van de jaren, dat de wereld werd geschapen in Tisjrei: „Deze dag [Rosj Hasjana] is het begin van Uw werken.” Echter, 1 Tisjrei is niet de dag waarop de wereld werd geschapen, maar de dag waarop Adam werd geschapen; de wereld werd vijf dagen daarvoor geschapen, op 25 Eloel. Sommigen tellen de jaren sedert de Schepping, te beginnen op de zesde dag van de Schepping, d.w.z. op 1 Tisjrei. Maar anderen [zie de Maor op onze soegia] tellen de eerste vijf dagen van de Schepping als een jaar op zichzelf, zodat 1 Tisjrei het begin van het tweede jaar van de Schepping was.

Iedereen is het ermee eens dat de geleerden van de Talmoed het eerste jaar van de Schepping telden vanaf 1 Tisjrei maar wij hebben een andere mening geaccepteerd, n.l. dat de eerste vijf dagen van de Schepping een jaar op zichzelf vormen. Wij moeten daarom de data die hierboven genoemd zijn, een beetje verschuiven. Met andere woorden, volgens Rasji was 3828 een sjemita-jaar en volgens Rambam was dat 3829 [zie Ki Hi Chochmatem Oevinatchem, hfdst. 16 voor de reden dat wij de jaren zo tellen en zie zijn verklaring van de mening van de Gaon van Wilna; zie verder Birkat Kohen op de Tora, 146, die aan dit onderwerp een uitgebreide discussie besteedt].

Wij weten in welk jaar wij nu leven en al wat ons te doen staat is na te gaan of de halacha volgens Rasji of volgens Rambam is. En inderdaad, alle poskiem zijn het ermee eens dat wij Rambam moeten volgen en „dat wij niet van de gewoonte mogen afwijken.” [Zie Chazon Iesj, Hilchot Sjewiïet 3:33 en Sjemita Karkaot 2, noot 1].

Nu begrijpen wij de formulering van de ketoeba – „volgens het aantal dat wij hier tellen” – want er was een andere gewoonte, volgens welke het nu 5762 zou zijn.

Wij besluiten met een interessante gramaticale noot die geciteerd wordt in Misjpat HaKetoeba [sja’ar 2, hfdst. 5]. Terwijl onze soegia de jaren telt sinds de schepping van de Wereld, schrijven wij in de ketoeba „sinds de schepping van wereld,” zonder het lidwoord „de”. Het chijnt, zo beweert de schrijver, dat nu onze jaartelling de eerste vijf dagen van de schepping  als een vol jaar telt, de geleerden die de formulering van de ketoeba opstelden, niet „de schepping van de wereld’ wilden schrijven.

(Uit Meorot HaDaf Hayomi 199)