Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

22 Adar II, 5763

Traktaat Avoda Zara 7- 12

Nr. 7

 

7b Men moet altijd eerst Hasjems lof uitspreken en pas daarna zegt hij zijn gebeden

Waarom wij psoekei dezimra zeggen

Onze soegia citeert Rabbi Simla’s verklaring dat „iemand altijd eerst Hasjem moet prijzen en pas daarna dawwenen”. Volgens Rambam [Hilchot Tefilla, Hfdst. 1] „is het een positieve mitswa om iedere dag te bidden … en er is door Tora geen tijd vastgesteld voor het gebed. Daarom hebben vrouwen en [Joodse] slaven de plicht om de bidden, want het gebed is  een positief gebod, dat niet aan tijd gebonden is… en men moet iedere dag bidden en pleiten en Hasjem prijzen en daarna vraagt men om wat men nodig heeft …en daarna prijst men Hasjem voor de goedheid die Hij hem bewezen heeft, iedereen naar zijn eigen vermogen.” Met andere woorden, volgens Rambam is het een gebod van Tora om te dawwenen en zelfs de volgorde van het gebed – lofuiting, smeken en dankbetuiging – zijn door Tora voorgeschreven. Toen Ezra en zijn beit din de Sjemoné ‘Esré instelde, hebben zij de eerste drie berachot als lof opgenomen, de laatste drie berachot als dankbetuiging en de middelste berachot als individuele verzoeken en algemene behoeften [zie Lechem Misjnee, ibid. Halacha 2; Prie Meĝadiem, voorwoord tot Hilchot Tefilla; O.Ch. 89;Or Sameach, Hilchot Tefilla, ibid].

Waarom chazal de Psoekei Dezimra ingesteld hebben: De Toer [O.Ch. 51] noemt onze soegia – dat iemand altijd eerst Hasjem moet prijzen en pas daarna dawwenen – als een van de redenen waarom chazal de psoekei dezimra hebben ingesteld in sjacharit, maar hij zegt niet of dat de voornaamste reden is. Inderdaad, uit de verscheidene meningen van de Risjoniem die de Toer citeert [ib. 52] blijkt dat niet iedereen het met hem eens is. De Risjoniem verschillen van mening voor het geval dat iemand, die niet de gelegenheid heeft om de psoekei de zimra te zeggen, ze mag zeggen nadat hij Sjemoné ‘Esré gezegd heeft, met de berachot Baroech sjeamar en Jisjtabach. Kennelijk menen de poskiem die zeggen, dat men geen psoekei dezimra  met berachot na Sjemoné ‘Esré mag zeggen, dat men Hasjem moet prijzen voor zijn gebed. Daarom mag hij nadat hij Sjemoné ‘Esré gezegd heeft niet meer de berachot zeggen, want die worden dan onnodig gezegd, namelijk niet op de juiste plaats. Maar wanneer de bovengenoemde reden niet de hoofdzakelijke basis is voor de psoekei dezimra, dan mag men ze wel zeggen met de berachot, zelfs na Sjemoné ‘Esré. De halacha [Sjoelchan Aroech 52] is dat men Baroech Sjeamar en Jistjabach niet meer zegt na de Sjemoné ‘Esré [zie Misjna Beroera 52:8].

De Misjna Beroera [70:2] bepaalt dat als vrouwen dawwenen, zij zich strikt gedragen moeten en de psoekei dezimra moeten zeggen, omdat die volgens sommige poskiem een deel vormen van de lof die men moet zeggen voordat men zijn gebed begint. [zie Responsa Machazee Eliahoe 15]. Echter de auteur van de Sjoelchan Aroech HaRav [70:1] en Aroch Hasjoelchan, 100:1] zijn het er niet mee eens. Maar zij zeggen dat vrouwen geen psoekei dezimra hoeven te zeggen maar als zij ze wel zeggen, dan mogen zij de berachot Baroech Sjeamar en Jisjtabach ook zeggen „…want waarom zouden zij niet voor Hasjem kunnen zingen, net als Miriam en de vrouwen deden na de splitsing van de Rietzee?” [ Zei Isjei Jisraël  7:38].

Hoelang moet men doen over de psoekei dezimra? Het is, tussen haakjes, interessant te leren dat de tijd die leidende autoriteiten besteedden aan het zeggen van de psoekei dezimra een half uur was. De moeite waard om te onthouden! [zie Maharil: Hilchot Tefilla, p. 441; Responsa Maharam Mintz 8, geciteerd in Maĝeen Awraham, 53:5].

(Uit: Meorot HaDaf Hayomi 199)

8a Wanneer iemand het na zijn tefilla wil zeggen

De minhaĝ van pioetiem

Een van de meest omvangrijke discussies, waar alle Risjoniem aan deelnamen, was de discussie over de pioetiem. In de loop van de generaties zijn er vele pioetiem gecomponeerd, zoals die welke bekend staan als krovetz (de beginletters van het vers [uit Tehilliem 118:15]: kol rina visjoe’a beohalei tsaddikiem [Beit Joseef O.Ch. 68]) en die welke bekend staan onder de naam Jotserot, omdat zij gezegd worden in de beracha Jotser or.

De Toer [O.Ch. 38] schrijft dat hoewel vele van de pioetiem gecomponeerd werden door grote een heilige tsadi­kiem, de Rema beslist dat zij niet gezegd moeten worden, zoals de misjna in Berachot 11a zegt: „…een beracha die kort is, mag men niet verlengen.” Behalve dat, zegt de Toer, moet die gewoonte worden opgeheven daar som­mige van de mensen in sjoel de tijd van de pioetiem gebruiken om over wereldse zaken te praten.

Twee Asjkenazische gewoonten: Echter, de Asjkenaziem hadden twee minhaĝiem: Sommigen zeggen wel de pioetiem die zijn gemaakt voor de herhaling van de Sjemoné ‘Esré, maar niet die tussen Jotser or en Sjemoné ‘Esré, terwijl anderen de minhaĝ hadden alles te zeggen. HaGaon Rabbijn Naftali Zwi Jehoeda Berlin zt”l, bekend als de Netsiv van Volotsin, wijdt een lange en fascinerende responsum [Responsa Meisjiev Davar, I:13] aan de oorspong van deze minhaĝiem, gebaseerd op Tossefot en onze soegia en de Mordechai op Berachot [Hfdst. 3), als volgt.

De tefilla van een individu moet niet onderbroken worden: Onze gemara komt tot de conclusie dat iemand verzoeken mag toevoegen in de beracha Sjomea tefilla en dat na zijn tefilla hij alles uitgebreid mag vragen wat hij wil. Het schijnt dat men niet lange gebeden moet invoegen in de reguliere tefilla. De Tossafot [s.v. iem ba] vragen zich af waarom de mensen op vastendagen de gewoonte hebben om lange selichot aan de beracha Selach lanoe toe te voegen. Zij antwoorden dat het alleen een individu verboden is om iets aan zijn gebed toe te voegen, maar pioetiem en verzoeken mogen wel tijdens de publieke herhaling van de Sjemoné ‘Esré ingevoegd worden.

De Mordechai legt de zaak anders uit. Volgens hem geldt het verbod alleen voor gebeden betreffende de behoeften van een individu maar gebeden die iets vragen voor het grote publiek mogen wel gezegd worden. Als bewijs geldt dat men aan de eerste drie en de laatste drie berachot van de Sjemoné ‘Esré niets mag toevoegen, zelfs niet korte individuele verzoeken. Maar Chazal voegde wel tijdens de Tien dagen van inkeer Zochreinoe lechajiem [„gedenk ons voor het leven”] in, hoewel dat een verzoek is dat niet essentiëel verbonden is met de eerste beracha.

Het verschil in benadering tussen Tossefot en de Mordechai veroorzaakte de twee minhaĝiem van de Asjkenaziem. Sommige gaan volgens de Mordechai, die zegt dat verzoeken omtrent de behoeften van de gemeenschap geen onderbreking vormen, en daarom hebben zij de minhaĝ om ook de pioetiem tussen Jotser Or en Sjemoné ‘Esré te zeggen. Anderen gaan volgens de Tossefot, die van mening zijn dat een individu geen pioetiem moet invoegen, zelfs niet ten behoeve van de gemeenschap, en zij zeggen daarom alleen pioetiem tijdens de herhaling van de Sjemoné ‘Esré.

De minhaĝ van de Gaon van Wilna: De Netsiv, die Rosj Jesjiva was van de beroemde Jesjiva van Voloszin, legt ook de minhaĝ van de Gaon van Wilna uit, die helemaal geen pioetiem zei, ook niet tijdens de herhaling van de Sjemoné ‘Esré, behalve tijdens de Tien dagen van inkeer en op Poeriem. De gewoonte van de Gaon was gebaseerd op de uitspraak in het traktaat Soferiem [19:8], dat men „met moeite had toe gestaan” om Zochreinoe lechajiem te zeggen. Wij leren hieruit dat alleen uit angst voor het Oordeel, dat in die dagen geveld wordt, Chazal het toestond om te pleiten voor ons leven in Zochreinoe lechajiem – gedenk ons voor het leven –, maar de basis-halacha is dat men geen verzoeken moet toevoegen in de formule van het gebed, zoals die door Chazal is vastgesteld. Op Poeriem voegde men een gebed in om het wonder bekend te maken.

(Uit: Meorot HaDaf Hayomi 199)

10b Ketia bar Sjalom

Mag een niet-Jood zichzelf besnijden?

Onze gemara beschrijft de verheven persoonlijkheid van een niet-Jood, Ketia bar Sjalom genaamd, die zijn leven in gevaar bracht door tegen de Romeinse Keizer te spreken in een poging om een decreet tegen de Joden verworpen te krijgen. De keizer stemde in met zijn argumenten, maar beval dat hij zou worden gedood , omdat de Romeinse wet bepaalde dat ieder die met succes de argumenten van de keizer kon weerleggen, geëxecuteerd moest worden. Op weg naar zijn dood riep een vrouw dat het haar speet dat hij gedood zou worden omdat hij de Joden verdedigd had, zonder dat hij met hen deel kon hebben in de Komende Wereld, omdat hij onbesneden was. Onmiddellijk besneed hij zichzelf en een Hemelse stem [Bat kol] verkondigde: „Ketia bar Sjalom wordt opgenomen in de Komende Wereld.”

Wij belemmeren een niet-Jood niet om de mitswot van Tora na te komen: De Joden hebben 613 mitswot gekregen op de Berg Sinai, terwijl de niet-Joden slechts de zeven Noachidische wetten hoeven na te komen. Maar een niet-Jood mag wel een mitswa van Tora doen, behalve die van Sjabbat en Tora-studie, zoals Rambam [in Hilchot Melachiem 10:9-10] beweert: „Een niet-Jood die welke mitswa van Tora dan ook wil doen, mag daarvan niet worden weerhouden.” In deze afdeling zullen wij de verschillende opvattingen bespreken die er zijn over de mitswa van de besnijdenis en of een niet-Jood moet worden tegengehouden om die mitswa te doen.

Het verbod om een wond te maken: Het voornaamste verschilpunt in de meningen draait om het verbod, dat zowel voor Joden als voor niet-Joden geldt, om zichzelf onnodig te verwonden [volgens een aantal Acheroniem; zie Maknee, eind Kiddoesjien; en zie Mesech Chochma op Bereisjiet 34:22; Bawa Kama 91b en Sefer HaMafteach, id.]. Daarom moeten wij ophelderen of een niet-Jood zichzelf mag besnijden, waarbij hij een „mitswa doet door middel van een overtreding,” of omdat hij zichzelf besnijdt voor de mitswa, wordt de wond niet beschouwd als voor niets te zijn gemaakt.

HaGaon Rav Menashe Klein [Responsa Misjné Halachot IX:156] citeert Rambam [Hilchot mila 3:7] waar hij zegt dat een Jood een niet-Jood niet moet besnijden als hij hem vraagt een aandoening aan zijn voorhuid te verwijderen. Maar de Rambam voegt daaraan toe: „Als de niet-Jood de bedoeling heeft om besneden te worden, dan mag de Jood hem besnijden.” Dus blijkbaar mag een niet-Jood de mitswa van de besnijdenis uitvoeren en daarbij wordt hij niet beschouwd als iemand die zichzelf onnodig een wond toebrengt.

Niettemin antwoordt HaGaon Rav J.S. Eliasjiv in een brief aan de auteur van Misjné Halachot [X:176] dat niets bewezen kan worden van wat Rambam schrijft, omdat in dit specifieke geval er geen obstakel is voor de besnijdenis van de niet-Jood. Wanneer hij een aandoening aan zijn voorhuid heeft, wordt de besnijdenis niet beschouwd als een onnodige wond, maar een genezing. Bovendien mag hij niet alleen zichzelf besnijden, maar zelfs een Jood mag hem besnijden, daar de niet-Jood besneden wil worden voor de mitswa en niet alleen maar als geneeswijze. [zie responsa Igrot Moshe, J.D. II:7 volgens welk er in het geheel geen bewijs is].

Het verwonden van een stervende: Zoals wij gezegd hebben, vertelt onze soegia over Ketia bar Sjalom, voor wie een Bat kol verkondigde dat hij klaar was voor de Komende Wereld. Zou het mogelijk zijn dat de Bat kol zich liet horen als gevolg van een handeling die niet volgens de halacha was? Rav Klein suggereert een interessante oplossing, namelijk dat alleen iemand die verwacht wordt te zullen leven zichzelf geen wond mag toebrengen, in tegenstelling tot een ter dood veroordeelde [zie ibid, voor een bewijs van Tossafot, Ketoebot 38a, s.v. Ha]. Dus Ketia bar Sjalom handelde in overeenstemming met de halacha.

(Uit: Meorot HaDaf Hayomi 200)

 

12a Omdat het lijkt alsof men zich buigt voor afgodendienst.

Wanneer de chachamiem hun hoeden afnamen

Onze soegia legt uit dat geen mens een andere god mag dienen en bovendien moet men zich zodanig gedragen dat men geen enkele verdenking op zich laadt dat men dat wel doet. Daarom mag een Jood zich niet bukken om water uit een rivier te drinken, wanneer naast de rivier een afgodsbeeld staat, omdat het anders lijkt alsof hij voor dat afgodsbeeld buigt.

De Toer [J.D. 150] en Rasjba [geciteerd in Hagahot HaGra] beslissen dat zelfs wanneer de Jood zou sterven van de dorst, dan mag hij toch niet buigen om te drinken, zoals er staat in onze soegia: „zelfs als hij sterft als hij niet drinkt.” Maar de Ran zegt in zijn commentaar op onze soegia dat de gemara het heeft over iemand die alleen maar bang is dat hij in gevaar komt wanneer hij niet drinkt maar als er werkelijk gevaar dreigt, dan mag hij drinken [zie Rama 150:3 en Beioer HaGra].

Waarom was het verboden om voor Haman te buigen? De Gaon van Wilna brengt een bewijs voor de mening van de Toer en Rasjba van de Midrasj [Esther Raba 7:4]: „‘Koning Achasjverosj bevorderde Haman’ [Esther 3:1]: En de koning beval dat iedereen voor hem moest knielen en buigen. Haman had een afgod op zijn kleren geborduurd die hij op zijn hart droeg  en iedereen die voor hem boog, boog dus voor de afgod.” Blijkbaar werd dat buigen beschouwd als buigen voor een afgod, terwijl de mensen alleen maar bedoelden te buigen voor Haman en niet voor de afgod.

De Rama voegt daaraan toe dat men strikt moet zijn en zijn hoed niet af mag nemen voor een geëerde niet-Jood, indien die een kruis draagt. Inderdaad hielden de chachamiem hun hoed in hun hand voordat zij een ontmoeting hadden met belangrijke niet-Joden, om te vermijden dat zij voor hen hun hoed uit eerbied zouden moeten afnemen. Het is in dit verband interessant wat de auteur van Troemat HaDesjen schrijft [Responsa 196], namelijk dat hij in zijn jeugd een priester zag, die belast was met het beheer van bepaalde bezittingen. Voordat hij de Joodse kooplieden van Wenen ontmoette, was hij gewoon zijn kruis te bedekken, opdat zij hem „naar behoren” zouden kunnen groeten.

(Uit: Meorot HaDaf Hayomi 200)

12a Als er een distel in zijn voet zit … wanneer zijn geld valt

Wanneer de gazan alleen met zijn ogen dicht mag dawwenen

Onze soegia zegt dat als een Jood een doorn in zijn voet heeft, hij niet mag bukken om die te verwijderen als hij voor een afgodsbeeld staat, want dan lijkt het alsof hij buigt voor dat beeld. Zo ook, als zijn geld valt, vlak naast een afgodsbeeld, dan mag hij niet bukken om het op te rapen, opdat hij er niet van verdacht wordt een afgod te dienen.

Dawwenen voor een spiegel: Radbaz [geciteerd in Baër Heteev 90:23] leidt hier een strengere halacha vanaf, namelijk dat iemand niet mag staan dawwenen voor een spiegel, want als hij buigt, lijkt het alsof hij buigt voor zijn eigen spiegelbeeld, zelfs al is dat geen afgodsbeeld en zelfs al heeft hij geen enkele bedoeling om dat de dienen. En inderdaad, de Misjna Beroera [90:71] bepaalt dat het niet alleen verboden is om te bidden  voor een spiegel met open ogen, omdat dat de aandacht afleidt, maar het is zelfs verboden met gesloten ogen, omdat het lijkt alsof men buigt voor zijn eigen spiegelbeeld.

Voor wie buigt het spiegelbeeld? De Maharsjam heeft een eigen mening hierover [Da’at Tora 90:23] dat het „mogelijk” is dat iemand in dringende omstandigheden voor een spiegel mag dawwenen met gesloten ogen omdat een toeschouwer ook het spiegelbeeld ziet buigen in de richting van degene die dawwent. Dat wil zeggen, het wordt beschouwd als buigen, wanneer het „aanbeden beeld’ tegelijk terugbuigt… De halacha volgt echter Radbaz.

’s Avonds dawwenen voor een raam: Iesjei Jisraël [Hfdst. 9:25, noot 66] schrijft dat in het licht van wat de Misjna Beroera schrijft, men ook niet ’s avonds voor een raam moet staan dawwenen, omdat het raam dan ook een spiegelbeeld reflecteert. Echter Responsa Or Letsion [II, Hilchot Tefilla 11, volgens de Sjoelchan Aroech 90:23] heeft hier zijn twijfels over, daar het verbod alleen geldt voor spiegels, terwijl een raam niet gemaakt is om iets te reflecteren.

De gazan zag zichzelf weerspiegeld in de gouden letters van de ‘amoed: We vonden ook de volgende Responsa in Sjewet HaLevi [IX:21] over een synagoge, die de gabaiem geweldig versierd hadden, met de Sjeem Hasjem in gouden letters op het ‘amoed voor de gazan. Een van de gemeenteleden merkte op dat de gazan zichzelf weerspiegeld zag in de letters en hij vroeg HaGaon Rav S. Wosner om diens mening. Rav Wosner antwoordde dat volgens alle meningen de gazan niet met open ogen mocht dawwenen, omdat zijn spiegelbeeld zijn aandacht afleidde. Hij mag echter met geloten ogen dawwenen, omdat de letters niet ontworpen waren als spiegel.

Dawwenen naast een lamp: Iemand die met een lamp achter zich dawwent, zodat zijn schaduw voor hem op de muur valt, daarvan zegt de Maharsjam dat een toeschouwer niet zal denken dat hij buigt voor zijn schaduw, want een schaduw is geen duidelijk beeld.

(Uit: Meorot HaDaf Hayomi 200)