Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

Rosj Chodesj Nisan 5763

Traktaat Avoda Zara 13-19

Nr. 8 

 

17a Ieder die zich afwent van ketterij zal sterven

„En je zult terugkeren… met heel je ziel”

Vele jaren geleden herstelde eens een van de talmidei chachamiem van HaGaon Rav Chaim Shraga Feivel Frank zt”l op wonderbaarlijke wijze van een gevaarlijke ziekte. In het begin van zijn Toledot Zeev [op Sjabbat, III] vertelt hij tot in details over het wonderbaarlijke herstel en merkt hij op dat een van de naaste familie van een ernstige zieke hem moet informeren over de ernst van zijn toestand zodat hij de kans krijgt tot inkeer te komen [zie Sjoelchan Aroech J.D. 339]. Volgens hem moet dit gebeuren, zelfs als het effect van een dergelijke informatie zijn toestand schadelijk zou kunnen beïnvloeden, want wij vertrouwen op Nefesj HaChajiem als volgt.

Zelfopoffering voor berouw: Wij weten dat er drie zonden zijn waarvoor een mens zijn leven moet opgeven om te voorkomen dat hij ze zal begaan: afgoderij, moord  en ontucht [Sanhedrin 74a]. Maar er is een ander gebod waarvoor men zich moet opofferen: berouw! Deze verbazingwekkende onthulling is inbegrepen in de interpretatie door HaGaon Rav Chaim uit Woložyn zt”l [eind nefesj HaChajiem] van het vers „En je zult terugkeren tot Hasjem… met heel je hart en met heel je ziel[Dewariem 30:2]. Met andere woorden, men moet zichzelf opofferen om terug te keren tot Hasjem. Rav Chaim beweert dat hij dit niet afleidt van het vers, maar van een explicite gemara. Onze soegia zegt dat ieder die zich afwent van ketterij [minoet] sterft, zelfs als hij berouw heeft, zoals ons verteld wordt: „Allen die zich eraan vastklampen zullen niet terugkeren” [Misjlei 2:19]. Ook zij die terugkeren van andere zonden waaraan zij sterk gehecht waren, zullen „sterven van uitputting als zij trachten hun slechte neiging te onderdrukken en dit is het decreet van de Koning dat zij zullen sterven” schrijft Rasji [beg.w. Lo jesjoewoen]. Tussen haakjes, de gemara vertelt ons over Rabbi Elazar ben Doerdia, die berouw had en stierf. Wij leren dus dat berouw niet vermeden mag worden, zelfs al bedreigt dat ons leven.

Echter, onze soegia heeft het over berouw om te voorkomen dat men weer in de zonde vervalt. Het zou echter kunnen zijn dat wij hiervan niet kunnen leren dat iemand die wil terugkeren van een zonde uit het verleden, dat hij zich daarmee in gevaar brengt. Bovendien heeft onze soegia het over de drie zonden waarvoor men zijn leven moet opofferen, om ze te vermijden en we kunnen daaruit niet iets leren over andere overtredingen. En ook, zelfs al bestaat er een veplichting dat men zichzelf moet opofferen om tot inkeer te komen, moet men toch een zieke niet informeren over zijn slechte toestand, omdat hij misschien zou kunnen sterven uit angst en niet omdat hij tesjoewa doet! Maar wij moeten vermelden dat de Sidoer Beit Ja’akov van Rav Ja’akov Emden zt”’l  [Dinei Hanhagat HaBoker, Seder Ba’al Keri, 18] zegt dat als iemand zichzelf doelbewust in een toestand heeft gebracht waarin hij niet kan vermijden een zonde te begaan zonder zichzelf in gevaar te brengen, dan „moet hij zichzelf in gevaar brengen.”

(Uit: Meorot HaDaf HaYomi 201 van Kolleel Chassidei Sochatchov, Bnei Brak)

17a En ik ontmoette iemand en Ja’akov uit Kfar  Sechanja was zijn naam… Hij zei tegen mij: dit is wat  hij [mijn meester] mij geleerd heeft

De grondlegger van het Christendom en ‘Aleinoe lesjabeach’

’Amoed alf van daf  17 is één van de bladzijden van de Talmoed die zwaar geleden heeft van de Europese censors, zo erg zelfs dat iemand die het wil leren, bijna niet het einde van de ene uitspraak kan onderscheiden van het begin van de volgende. Zo hebben wij bijvoorbeeld de zin „…en ik ontmoette iemand die Ja’akov Iesj Kfar Sechanja  heette. …Hij zei tegen mij: ‘Dit is wat hij mij geleerd heeft’”. De Gemara zinspeelt erop dat Ja’akov Iesj Kfar Sechanja een Christen was, maar zegt dat niet. De woorden „dit is wat hij mij geleerd heeft” zijn ook niet erg duidelijk maar in de originele tekst, die staat in de Chesronot HaSjas en in de Wagshal editie staat „…en ik vond een leerling van Jeisjoe HaNotsri, Ja’akov Iesj Kfar Sechanja genaamd. Hij vertelde mij: Dit is wat Jeisjoe HaNotsri mij geleerd heeft.’”

De reden dat wij ‘Aleinoe lesjabeach zeggen: ‘Aleinoe lesjabeach is één van de oudste gebeden, ingesteld door Jehosjoea bin Noen [Kolbo 16] en omdat het zo belangrijk is, zeggen wij het staande. Volgens de Bach  [132] wordt het aan het eind van het gebed gezegd om iemands geloof te sterken voordat hij naar de markt gaat om daar met de niet-Joden handel te drijven, zodat als hij ziet dat zij succes hebben, hij er geen gedachten bij hem opkomen om een overtre­ding te doen.

Waarom de censor wariek verwijderde: Vele sidoeriem [onder andere de Nederlandse sidoer van Hausdorff/Dasberg] missen de passage die door de Rama genoemd wordt [in de Sjoelchan Aroech I.Ch. 132:2]:  „want zij buigen voor ijdelheid en leegheid en bidden voor een god die niet redt.” Volgens Rabeinoe Sjlomo uit Germaiza [Sidoer blz. 122 en 124] werd deze passage verwijderd omdat de nummerieke waarde van het woord wariek [„en ledigheid”] gelijk is aan die van Jeisjoe en de Christenen dachten dat de Joden de bedoeling hadden hem te minachten, zodanig zelfs dat men hen in sommige plaatsen dwong ‘Aleinoe lesjabeach hardop te zeggen om er zeker van te zijn dat zij de censor gehoorzaamden [Minhagiem Dikehilat Kodesj Vormaiza, 12, opmerking 22]. Het is overigens interessant op te merken dat in het Machzor van Rav Simcha uit Vitry, een leerling van Rasji, er een opmerking staat dat men ‘Aleinoe lesjabeach zachtjes moet zeggen. Was dat een correctie om een leemte aan te vullen?

De sidoer HaGera [Isjei Jisraël hoofdstuk 45:71, noot 196] vermeldt in naam van Maharil Diskin zt”l dat iedereen die de bovengenoemde passage weglaat, de intergrale tekst die chazal heeft ingesteld, verandert.

De zin „Oemosjav jekro basjamajim mimma’al[en de zetel van Zijn heerlijkheid is in de Hemle boven] heeft ook verschillende tesktvariaties – „…en de troon van Zijn eer [kewodo] is in de Hemel boven” en dat is de tekst van de Gaon van Wilna [Ma’asé Rav, Hilchot Tefilla 53], omdat de nummerieke waarde van jekaro dezelfde is als die van Jeisjoe [Leket Josjer blz. 29] maar sommigen besteedden hier geen aandacht aan [zie Minhag Tima, blz. 13; Mekor Chajiem op Chavot Jaïr 132:2; Mesjichei Hasjeker Oemitnagdeihem blz. 11].

(Uit: Meorot HaDaf HaYomi 201 van Kolleel Chassidei Sochatchov, Bnei Brak)

18a Aba Sjaoel zegt: ook wie de Naam volgens de letters uitspreekt

Hoe de naam van Hasjem hoort te worden uitgesproken wanneer men Tora leest

Onze soegia vertelt dat als iemand de naam van Hasjem uitspreekt zoals die geschreven wordt, hij geen aandeelheeft in dekomende wereld [volgens de meeste Risjoniem en zie Rasji, 17b beg.w. ‘Alav]. Hasjems naam komt meer dan 6.000 keer voor in de Tanach maar wij spreken het altijd uit als Ado-nai, afgeleid van het woord adon [heer].

Waarom spreken wij de Sjeem Hasjem niet uit zoals hij geschreven wordt? Vele werken wijden een lange discussie aan de vraag waarom wij de naam van Hasjem niet uitspreken zoals hij geschreven wordt [zie Responsa Jachien Oevoaz, I, 135]. Het is interessant om de briefwisseling tussen HaGaon Rabbi Akiwa Eiger en zijn schoonzoon, de Chatam Sofeer op te merken [Responsa V, Hasjmatot 195], in verband met hervormers, die de naam van Hasjem wilden uitspreken zoals hij geschreven wordt. De Chatam Sofeer bewees uit Tanach dat zij zich ernstig vergisten daar de joed ké wav ke de ware naam van Hasjem is en niet een beschrijvende naam. Wij komen vaak de combinatie joed ké wav ké tsewaot in Tanach tegen. Wanneer men dat als gewoonlijk leest, betkent dat „Heer van de legers” maar wanneeer Hasjems naam wordt uitgesproken zoals hij geschreven wordt, wordt dat „Hasjem is legers”, hetgeen onzin is [zie daar verder over onze onwetendheid betrefende de klangtekens van Hasjems naam].

Krie en ketiev: vervanging of een ander woord? We vinden een verschil van meningen over de uitspraak van de Sjeem Hasjem zoals die geschreven wordt.Er zijn ook andere woorden in Tanach die anders gelezen worden [krie] dan zij geschreven worden [ketiev] [zie Dewariem 28:30, Sjemoeël I 9:1, etc.] want wij hebben een halacha van Mosjé op Sainai dat ze zo moeten worden glezen. Echter er zijn verschillende meningen over de vraag of Ado-nai een vervangende krie is van joed ké wav ké of dat de juiste uitspraak van joed ké wav ké Ado-nai is, zonder dat het een anderwoord is [zie Chidoesjei HaGeriz, Hilchot AVODA Zara 2:7 en in zijn werk op Tora, parasjat Waetchanan; Eesj Tamied, blz. 878; Birkot Horai 16, noot 1].

(Uit: Meorot HaDaf HaYomi 201 van Kolleel Chassidei Sochatchov, Bnei Brak)