Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

4 Nisan 5763

Traktaat  Avoda Zara 24-30

Nr. 9

 
Artikelen uit Meorot HaDaf Hayomi nr. 202 door Beit Hamidrasj Sochatchov
Bné Brak, o.l.v. HaGaon Rav Kovlansky sjlita

24a De Rode koe

Een bruine koe, rode paarden en groen haar

Onze soegia handelt over diverse halachot betreffende de rode koe, waarvan de as diende om de mensen die verontreinigd waren door een dode, weer te reinigen. Onze Gemara vertelt onder andere het welbekende verhaal van de niet-Jood Dama ben Nesina, aan wie als beloning in zijn kudde een rode koe geboren werd, nadat hij geweigerd had zijn vader wakker te maken, ondanks een aanzienlijk financiëel verlies.

„Een para adoema – rode koe: Dit is de uitdrukking waaraan wij gewend zijn, waarbij wij ons een koe voorstellen zo rood als een roos. Maar HaGaon Jehoeda Lichter van Monsey beweert dat dit mogelijk onjuist is [Kovets Zikaron ‘Ateret Sjlomo, V en zie Asjkecha Mijajin]. Wij zullen eerst steun brengen voor dit idee en daarna zullen wij onderzoeken waarom het dier toch „rood” genoemd wordt.

Rodepaarden: In Zecharja 1:8 wordt ons vertreld: „En zie, een man die rijdt op een rood paard… en achter hem, rode paarden” en voor het geval dat wij zouden denken dat dit een zeldzame variëteit was, die intussen in uitgestorven,schrijft Rasji [Bechorot 6a, s.v. Chamor adom] dat  „de meeste paarden zijn rood.” Daar wij helemaal geen rode paarden kennen, moeten wij aannemen dat het woord „rood” werd gebruikt voor „bruin”. De rode koe en de rode paarden zijn dus bruin.

Het gebruik van „rood” voor „bruin”: Wij vinden vele voorbeelden bij de Risjoniem waar zij „rood” gebruiken voor „bruin”. Op het vers „Vul mijn mond met dat rode spul” [Bereisjiet 25:30], zegt Rasji „rode linzen”, hoewel linzen bruin zijn. Rambam [Hilchot Para Adoema 3:2] schrijft dat „de tola’at het meest rode zaad is, dat lijkt op koolzaal”, terwijl het bekend is dat koolzaad bruin is. De Gemara in Soeka 35b legt uit dat een doorgesneden etrog rood wordt en Rasji [s.v. Ka’achina] geeft als commentaar dat al het fruit rood wordt, terwijl het bruin wordt. Beit Joseef [O.Ch. 645, s.v. Nechleka] noemt de kora schil van een loelav rood, hoewel die bruin is en de Perisja noemt de rijstschilletjes rood [J.D. 162, ot 2].

Wij moeten daarom concluderen dat chazal bruin „rood” noemde. Inderdaad vertaalt Rav Sa’adja Gaon het woord „rood” van „rode koe” met tzafra – „bruin” in het Arabisch. Hetzelfde gebeurt met onze soegia, waar staat dat een rode koe kostbaar is, omdat twee witte haren haar diskwalificeren. Wanneer het beest werkelijk rood zou zijn, zou het kostbaar zijn vanwege zijn zeldzame kleur. Wij moeten daarom concluderen dat een rode koe bruin is en zij is alleen maar zeldzaam omdat twee witte haren haar diskwalificeren.

Wij moeten nu nog verklaren waarom het verschil tussen rood en bruin onduidelijk werd en waarom beide kleuren bekend werden als „rood”. Bovendien, bij dieren gebruikt de Tora het woord „bruin”, zoals „…en ieder bruin [choem] lam onder de schapen” [Bereisjiet 30:32] en Rasji geeft als commentaar: „Donker, dat lijkt op rood”. Met andere woorden, de kleur lijkt rood maar wordt als een andere tint waargenomen. In dat geval moeten wij begrijpen waarom Tora het woord „rood” gebruikt in plaats van „bruin” op andere plaatsen.

Wij geven inderdaad iedere kleur een andere naam, zoals oranje, rose, bruin of rood, maar chazal noemde ze bij de primaire kleuren waartoe zij behoorden: rood, blauw of groen [Binat Adam, J.D. 13, ot 13] en daar bruin behoort tot de roodachtigen, noemden zij het soms rood.

Groen haar: Als dat niet zo is, hoe kunnen wij dan de Zohar [parasjat Jitro] begrijpen, waar staat dat sommige men­sen groen haar hebben? Het kan alleen maar zo zijn dat geel afgeleid is van groen [zie Respon­sa Peat Sadecha 95].

22a

Iemand voedsel opdienen, die streng voor zichzelf is om het niet te eten

Verschillende keren noemt ons traktaat het gebod „voor een blinde zul je geen struikelblok leggen” [Wajjikra 19:14]. Dit gebod omvat twee ver­boden: a. Niet te veroorzaken dat iemand een zonde begaat, of hij nu een Jood is of niet [aangaande de zeven Noachidische wetten]; b. Het ge­ven van misleidend advies. Het schijnt, dat daar beide verboden ge­leerd worden van hetzelfde vers, dat net zoals er een verbod be­staat om te veroorzaken dat een niet-Jood een zonde begaat, zo ook moet het verboden zijn hem een onjuist advies te geven. Echter, een blik op Sefer HaMitswot van Rambam [Lo ta’asé 229] onthult dat Rambam schrijft dat „Hij waarschuwt ons om geen onjuist advies te geven aan elkaar”, waarmee hij niet-Joden uitsluit. Daar beide verboden geleerd worden van hetzelfde vers, wat zou de reden van Rambams onder­scheid kunnen zijn. [Zie Minchat Chinoech, mitswa 323, ot 1, die conclu­deert dat nader onderzoek over Sefer HaChinoech nodig is].

Twee componenten van lifnei ‘iveer: De Acheroniem [Responsa Achiëzer III, 65, noot 9; Chazon Iesj J.D. 62, noot 7,etc.] leggen uit dat de verschillende definities van deze twee verboden afkomstig zijn van hun essentie. Het verbod om geen verkeerd advies te geven is één van de mitswot bein adam lechavero – om geen kwaad maar goed te doen aan anderen. Daarom mag men iemand niet misleiden of hem in een situatie brengen die hij niet gewenst zou hebben. Aan de andere kant, het verbod om een ander niet tot een zonde te brengen behoort tot de mitswot bein adam laMakom – tussen de mensen en Hasjem. Hasjem gebiedt ons om ons ver te houden van de toenemende zon­den in deze wereld en wie dat gebod overtreedt, wordt beschouwd als medeplichtige aan de desbe­treffende overtreding. Daarom is het verboden om een ander te helpen een overtreding te begaan, zelfs als die ander weet dat hij op het punt staat te zondigen. Er bestaat echter geen verbod om iemand te helpen on iets te doen dat ongunstig is voor hemzelf als die ander weet wat hij doet.

Nu kunnen wij begrijpen waarom Rambam ondescheid maakt tussen de twee Tora-verboden: de Tora gebiedt Joden mitswot te toen bein adam lachavero alleen onderling [Jam sjel Slomo, Bava Kama, Hfdst. 10, nr. 20]. Daarom „waarschuwt Hij ons om aan elkaar geen onjuist advies te geven.” Echter, een Jood mag niet de oorzaak zijn dat een niet-Jood zondigt, want dan wordt hij beschouwd als medeplichtig aan die zonde en dan is er geen verschil meer tussen de twee wie de zondaar is.

In vele halachisch aangelegenheden hadden de poskiem verschil­lende meningen en kwamen zij niet ot een uiteindelijke beslissing. Dus in sommige gevallen kan iemand een soepel standpunt innemen. Tus­sen haakjes, de Maharalbach [121, geciteerd door de Sjach in J.D. 119, noot 20] schrijft dat iemand een ander geen voedsel mag serveren dat die ander niet gewend is te eten op grond van een bepaalde hala­chi­sche opinie, tenzij hij hem daarover informeert. Nou, hoe helpt de in­for­matie hem? Wanneer men iemand te eten geven, dat hij niet gewend is te eten wegens een halachische opinie, dat als een zonde beschouwd moet worden, hoe kan die zonde dan verdwijnen wanneer wij hem daarover informeren?

HaGaon Rav B.S. Deutsch verklaart dat wanneer wij het geval nader bestuderen, wij ontdekken dat de aanzetter tot een zonde beschouwd wordt als een partner, alsof hij ook zelf de overtreding begaan heeft. Maar in dit geval is degene die opdient gewend om het voedsel wel te eten [omdat hij volgens een andere halachisch opinie gaat], zodat hij geen enkele overtreding begaat wanneer hij het zelf zou eten. Het enige verbod wat er dan overblijft dat hij overtreedt, is dat hij iemand een onjuist advies geeft; maar die overtreding geldt alleen wanneer de persoon in kwestie niet weet dat hij een onjuist advies krijgt, maar in dit geval wordt de eter geïnformeerd over de aard van het voedsel [Birkat Kohen op de Tora, 62].

26b Maar de verraders en de goddelozen werden vernederd en niet verhoogd

De belachtelijke resultaten van de censuur

Onze voorvaderen hebben veel te lijden gehad van het geplaag van de Christenen, de bekeerlingen naar het Christendom en de laste­raars, zodanig, dat chazal besliste dat zij „vernederd werden en niet ver­hoogd.” Met andere woorden, zo worden niet geholpen als zij in moeilijkheden geraken en als een van hen in een put valt, wordt hij niet geholpen er uit te komen. Zij die deze gemara leren, vragen zich af  waarom er staat „vernederd werden.” Was deze halacha dan niet meer van kracht toen de gemara geschreven werd? Maar dit is één van de resultaten van de censuur, die alle heilige boeken veranderde, zonder uitzon­de­ring, en die zelfs de naam van ons traktaat veranderde in ‘Avodat Eliliem [„Afgoderij”].

‘Amoed 26b is vol van veranderingen en weglatingen, zowel in de Ge­ma­ra als in Rasji en Tossafot. Goi werd vervangen door ‘oveed kocha­viem [„een sterren aanbidder”], mesjoemad door moemar [„een bekeer­ling”] en ‘avoda zara door ‘avodat kochaviem oemazalot [„aanbidding van sterren en planeten”]. Als resultaat van deze veranderingen hebben we de belachtelijke uitspraak van Tossafot [s.v. Ezehoe]: „… en hoewel alle ovdei kochaviem sterren aanbidden…” alsof er ovdei kochaviem [sterrenaanbidders] zijn die geen sterren aanbidden. De originele tekst was: „…en hoewel alle niet-Joden [goiïem] afgoden dienen.”

Deze fouten komen voort uit de „genialiteit” van de censoren, van wie de meeste ignoranten waren en de tekst niet begrepen. Zo zegt bij­voorbeeld de gemara in Avoda Zara 4a dat als Hasjem in Bilams tijd boos was geweest, „er geen haters van Israël  over waren gebleven.” De gemara bedoelt dat er niets meer van Israël zou zijn over geble­ven ch.w.sj. [maar daar onze geleerden niet graag iets negatiefs over Israël zwart op wit wilden zetten, gebruikte zij vaak een „understatement”, door het tegen­overgestelde te schrijven]. De censuur veranderde het in: „Er zou nie­mand overblijven van de sterren-aanbidders, de haters van Israël”. Soms gingen de censoren verder dan iedere verbeelding. In sommige siddoeriem werd Sjomeer goi kadosj [Hij die een heilig volk bewaakt] ver­anderd in Sjomeer ‘akoem kadosj [„Hij die heilige aanbidders van sterren en sterenbeelden bewaakt”] en in een zekere misjna [Sjabbat 6:5] werd pea nochrit [„een pruik van het  haar van iemand anders”] veranderd in pea ‘akoem [„een pruik van het haar van een aanbidder van sterren en sterren­beelden”] [He’akov Lemisjor, p. 19].

De censoren veranderden ook de halacha. Er zijn vele voorbeelden van, maar wij zullen ons beperken tot onze amoed. We leren dat laste­raars vernederd moeten worden en niet verhoogd. Wie zijn die laste­raars? Rasji en Tossafot verklaren: dit zijn de leugenaars die de bezit­tingen van Joden uitleveren aan gewelddadige sterrenaan­bid­ders.” De originele tekst van Rasji was: „lasteraars die de bezittingen van Joden uitleveren aan niet-Joden.” Dat slaat niet alleen op leugenaars of ge­welddadige rovers.