Hearot

            HaDaf HaJomi

                                    Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi

                        Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 Archief

26 Nisan 5763

Traktaat  Avoda Zara 31-37

Nr. 10

Artikelen uit Meorot HaDaf HaYomi nr. 203 en 204 van Beit Hmidrasj Sochatov – Bné Brak

o.l.v. HaGaon Rav Kovlansky sjlita

ëè\á åú÷øá ùí îøéí

Valse tanden en pacemakers

Onze soegia legt uit dat het verboden is om enig profijt te hebben van een lijk of de lijkkleding. De Risjoniem hadden verschillende meningen in hoe­verre dit ook van toepassing is op een niet-Joods lijk [zie Tossafot, Bawa Kama 10a, s.v. Sjehasjor, en Beit Joseef,J.D. 349 in naam van de Rasjba; zie verder in Sefer HaMafteach Bawa Kama, ibid.], maar de halacha werd vastgesteld dat een niet-Joods lijk in het verbod is inbegrepen [Sjoelchan Aroech, J.D.  349].

Apart van het Tora-verbod op het gebruik van een lijk of de lijkkleding, hebben Chazal ook beslist dat men geen profijt mag hebben van de versierselen die aan een lijk vastzitten, zoals een pruik, opdat men niet ook aan het lijk zelf zal komen of aan zijn lijkkleding [Sjach, n. 6].

De gouden tanden in het Kovno Ghetto: Deze halacha is doorgaans in het dagelijkse leven niet relevant. Wie zou er profijt willen hebben van een lijk of van iets dat daaraan vastzit? Maar tijdens de Holocaust, toen de bewoners van Kovno Ghetto uit hun schuilplaats kwamen, zagen zei de skeletten, beenderen en schedels in de door de Nazi’s verbrande ruïne’s. Er werden ook valse gouden tanden gevonden en Rav Efraim Osjri werd gevraagd of de mensen daar gebruik van mochten maken [HaGaon Rav Efraim Osjri zts”l was een overlevende van de Holocaust, aan wie vele vragen gesteld werden betreffende het dagelijkse leven in het ghetto, zoals of het geoorloofd is om iets te eten in de aanwezigheid van een lijk, en of een minderjarige zich moet opofferen, enz. Hij tekende zijn responsa op in zijn boek „Mima’amakim: Questions and Answers and Topical Issues in the Era of Murder and Perishment, 5701-5705, in the Kovno Ghetto,” dat hij uitgaf na zijn veilige aankomst in New York].

Twee soorten valse tanden: Rav Osjri  antwoordde [gebaseerd op ‘Arachien 7b en Sjoelchan Aroech, ibid. 2] dat we onderscheid moeten maken tussen verschillende soorten valse tanden. Sommige zitten over bestaande tanden heen en zijn daar permanent aan bevestigd en daar mag men geen profijt van hebben. Andere vervangen tanden die uitgevallen zijn en zij zijn ver­vang­baar. Daar mag men wel profijt van hebben.

Poskiem hebben ook de recycling van pacemakers besproken, die erg kostbaar zijn. Sommige artsen hebben gesuggereerd dat pacemakers uit lijken gehaald mogen worden en voor andere patienten gebruikt kunnen worden. HaGaon Rav Jitschak Weiss zts’l [Responsa Minchat Jitschak, VII, 101] verwierp het idee, daar de pacemaker aan het lichaam vastzit en niet gebruikt mag worden, net zoals het lichaam zelf [nog afgezien van het verbod op autopsie].

Het tekenen van een document voor een operatie: Aan de andere kant, adviseerde HaGaon Rav E.J. Waldenberg [Responsa Tzitz Eli’ezer, XIV: 83] dat de patient voordat de pacemaker in zijn lichaam wordt aangebracht, een verklaring tekent dat hij de pacemaker te leen heeft en dat die na zijn dood uit zijn lichaam mag worden verwijdert. De Sjoelcha Aroech [J.D. ibid., se’ief 2] staat zelfs toe dat men voorwerpen van het lijk verwijderd als de overledene tot de verwijdering daarvan opdracht had gegeven [zie ibid over autopsie en wat  te doen, als de persoon geen verklaring kan tekenen].

 

 

ëè\á, ìä\à, ìå\à

Het verschil tussen rabbijnse decreten en regelingen

Deze dapiem behandelen de definite en omvang van rabbijnse regelin­gen. Wij schrijven „regelingen” maar Rambam [in zijn voorwoord tot zijn commentaar op de Misjna] verdeelt in feite rabbijnse halachot in  gezerot  – „decreten” of „verordeningen” – en takanot – „voorschriften” of „rege­lingen”. De „decreten” werden ingesteld om de Tora te beschermen, zoals die welke in onze soegia genoemd worden – het verbod om van het brood, de wijn of olie van niet-Joden gebruik te maken, etc. De „re­gelingen” aan de andere kant zijn halachot, mitswot en minhagiem – gewoonten – door Chazal  ingesteld niet als een toevoeging aan een mitswa of Tora-verbod, maar om ons leven te regelen in overeenkomst met de Joodse gewoonte in het algemeen, zoals „Mosjé voerde in dat men moet vragen en uitwei­den over onderwerpen die verband houden met de tijd van het jaar: de halachot van Pesach op Pesach, de hala­chot van Sjawoeot op Sjawoeot en de halachot van Soekot op Soekot” [Megilla 4a]; zo ook de takanot in de ketoeba en de gewoonten van de ‘aravot op Hasja’na Raba.

De Tora heeft Chazal geautoriseerd om deze decreten en regelingen in te stellen. Door te gebieden: „Neem Mijn verordeningen in acht” [Wajjikra 18:30]. De Talmoed [Jewamot 21a] verklaart dat dit betekent: „Bewaak Mijn verordeningen”, dat wil zeggen, dat Tora bedoelt dat Chazal een „hek” ter beveiliging als barriëre moet instellen om te voor­komen dat men Tora-voor­schriften per ongeluk zou overtreden. Chazal [Sjabbat 23a] hebben de verzen Dewariem 17:11 en 32:7 geïn­ter­­preteerd alsof zij bedoelen dat zij mitswot en verboden konden in­stel­­len, die niet bedoeld waren om spe­cifieke Tora-mitswot te bescher­men, zoals Chanoeka e.d. Tossefot Jom Tov [Sota 4:3] beweert dat gezerot zwaarder wegen dan takanot, omdat zij dienen om de Tora-voor­schriften te beschermen. Bijvoorbeeld, het water dat aan een sota te drinken gegeven wordt, berecht haar niet als haar echtgenoot ge­zon­digd heeft, zoals ons verteld wordt: „en de man zal ver­schoond zijn van zonde” [Bamidbar 5:31], zelfs als hij een gezera van Chazal heeft overtreden. Maar wanneer hij een takana heeft overtreden, wordt hij niet beschouwd als een zondaar om die reden, hoewel natuurlijk iedereen die een gezera of takana negeert, het verbod overtreedt van „Je zult niet afwijken van hetgeen zij je zullen zeggen, noch naar rechts, noch naar links” [Dewariem 17:11; Rambam in zijn voorwoord tot Jad Hachazaka].

Wanneer begon Chazal met de invoering van decreten en regelingen? Zoals gezegd worden vele takanot toegeschreven aan Mosjé Rabbei­noe, zoals het vragen en uitweiden over de halachot van een feestdag op de feestdag, de tekst van de eerste beracha van birkat hamazon, de zeven dagen feest die volgen op een huwelijk, het sjiv’a zitten voor een rouwende, etc. [Jeroesjalmi aan het begin van Ketoebot]. Sommige takanot gingen zelfs al aan Tora vooraf. Awraham, Jitschak en Ja’akov stelden de sjacharit, mincha en ma’ariv gebeden in en het beit din van Sjem verordende dat men niet met een hoer moet trouwen en daarom wilden zij Tamar verbranden. Echter, er zou geen verplichtng op ons rusten om de takanot te gehoorzamen die ingesteld waren voordat Tora gegeven werd, als Chazal ze niet opnieuw hadden ingesteld [Maharats Chajot, Berachot 26b].

Wat interessant is, is dat er rabbijnse verordeningen in de Tora genoemd kunnen worden, zoals wij gezegd hebben, daar sommige takanot aan Tora vooraf gingen. Daarom hebben zij niet het niveau van Tora-mitswot, maar rabbijnse verordeningen, ondanks dat we zien dat de mensen in Tora de takanot van het beit din van Sjem of Mosjé gehoorzaamden [zie Megilla 32a; zie Ramban in zijn Hasagot op Sefer HaMitswot, sjoresj 2, s.v. Wechen ma sjekatav harav; Bach, 685; Birkei Joseef, O.Ch. 137].

De discussie in de Talmoed toont aan dat Chazal zorgvuldig overwogen voordat zij een gezera of takana instelden. Het is interes­sant erop te wijzen, dat volgens Rambam [Sefer HaMitswot, sjoresj 1] hun gezerot en takanot tot in de duizenden tellen!

ì\à  ééï îáåùì àéï áå îùåí ðñê

Gepasteuriseerde wijn: het proces en zijn halachische implicaties

DeTora verbiedt het profijt van Jein nesech – wijn die geplengd werd ter ere van een afgod. Gewone wijn van niet-Joden [stam jeinam] en Joodse wijn die door een niet-Jood is aangeraakt, worden jein nesech genoemd, hoewel zij niet voor een afgod geplengd zijn [in de komende weken zullen wij het verbod bespreken om daar profijt van te hebben]. Ech­ter, onze soegia legt uit dat gekookte wijn niet gediskwalificeerd wordt als een niet-Jood het aanraakt. De Risjoniem verschillen van mening over deze uitzondering. Sommigen menen dat wanneer de wijn ge­kookt is, zijn smaak inferieur wordt en daarom niet meer gebruikt wordt als plengoffer voor de afgodendienst [de Meïri op Avoda Zara 29b en zoals Rambam aangeeft in Hilchot Maächalot Asoerot, 11:9]. Anderen be­weren dat Chazal hun decreet niet ingesteld hebben op ongebrui­ke­lijke wijnen en gekookte wijn is ongebruikelijk, want, zoals gezegd, de smaak wordt er inferieur door [Rosj, hfdst. 2, nr. 12; Ramban op 36b].

Wijnproducenten pasteuriseren tegenwoordig hun wijnen om de fer­mentatie ervan te voorkomen, waardoor het langer houdbaar is. Deze pasteurisatie vindt plaats als de wijn verhit wordt tot 70 graden Cel­sius. Aan poskiem werd gevraagd of deze wijn beschouwd kan worden als gekookte wijn, zodat het niet verboden wordt als een niet-Jood het aan­raakt.

Kennelijk maakt pasteuriseren van wijn geen gekookte wijn [zie Res­pon­­sa Minchat SjlomoI, I:25] omdat het koken veroorzaakt dat een deel van de alcohol verdampt, waardoor de smaak vermindert, terwijl ge­pas­­teu­riseerde wijn niet inferieur is en behalve wijnkenners, nie­mand het verschil proeft. Daar de smaak goed blijft en gepasteuriseerde wijn algemeen in gebruik is, moet het verboden worden als een niet-Jood het heeft aangeraakt. Toch zijn sommige poskiem soepel, omdat Chazal  geen decreet hebben ingesteld op gekookte wijn, ondanks dat de omstandigheden zijn gewijzigd [zie Responsa Minchat Jitschak, VII:61; Responsa Igrot Moshe, J.D. II, 52; Jabia Omer III, J.D. 15].

HaGaon Rav S.Z. Auerbach zts”l [ibid] schreef dat volgens hem, na bestudering van de Risjoniem, men niet soepel moet zijn, omdat zij verschillende meningen hadden over de definitie van gekookte wijn. De strengere Risjoniem menen dat de wijn goed gekookt moet hebben [Or Zaroea’ op Avoda Zara, hfdst. 2, n. 155] of op zijn minst dikker moet worden door vochtverlies. Anderen menen dat het voldoende is wan­neer de wijn eenmaal gekookt heeft en iets in volume is vermin­derd [zie Ramban op onze soegia en de Rasjba in Torat Habajit 50b, bajit 5, sja’ar 3]. Voor wat betreft de halacha, de Sjoelchan Aroech beslist volgens de soepele opvatting [J.D. 123:3, zie Beit Joseef, Sjach ibid], dat gewoon ko­ken de hoeveelheid wijn doet verminderen en maakt het „gekookt”. Rav Auerbach beweert dat aangezien de pasteurisatie plaatsvindt in gesloten pijpen, hetgeen volgens vele experts het vochtverlies of kwa­liteitsverlies voorkomt, de wijn verboden zou moeten worden wan­neer die door een niet-Jood is aangeraakt. HaGaon Rav J.S. Eliasjiv [Kovets Tesjoevot, 75-76] en HaGaon Rav Ben Zion Aba Sjaoel Zts”l [Responsa Or Letsion, II, Hfdst. 20, n. 19] beslissen overeenkomstig.

 

ìä\à  îôðé ùîòîéãéï àåúä áòåø ÷éáú ðáéìä

Kaasmaken en de halachisch implicaties daarvan

Onze soegia gaat over de takana dat het verboden is om de kaas van de niet-Joden te eten. Er worden vele redenen voor dit decreet gegeven, maar de halacha [Rambam, Hilchot Maächalot Asoerot, hfdst. 3; Sjoelchan Aroech, J.D. 115:2] beslist in overeenstemming met de redenering van Sjmoeël: „Omdat zij het maken in de huid van de maag van een neveila”. Om dit in moderne termen te vertalen, moeten wij de geheimen van de kaasmakerij nader bestuderen.

Enzymatisch kaasmaken: De meeste zoute en harde kaas wordt geproduceerd in een proces dat „enzymatisch kaasmaken” genoemd wordt. In het verleden bewaarde men verse melk in de huid van de maag van een zogend kalf en die melk werd dan uiteindelijk tot kaas. De wetenschappelijke verklaring is dat maagsappen een enzym bevatten dat de proteïne van de melk afbreekt. De proteïne deeltjes scheiden zich van de waterige melk af en zinken neer en worden zo kaas. Zelfs vandaag worden vele kazen in Europa geproduceerd door dit enzym aan de melk toe te voegen en soms wordt er een ander enzym gebruikt, dat afkomstig is uit de maag van een ouder kalf of van een varken, of beide enzymen samen. Dit is de verklaring voor het decreet, omdat al het vlees in het bezit van een niet-Jood, en dus ook de maag van een kalf, verondersteld wordt niet kosjer te zijn.

Kaas kan ook gemaakt worden met behulp van plantaardige enzymen. Zijn die ook inbegrepen in het decreet? Volgens de Rambam [ibid, halacha 14], was de halacha zo vastgesteld [Sjoelchan Aroech ibid], „zelfs wanneer zij het maken met kruiden, dan is het verboden,” omdat het decreet alle kaas van niet-Joden inhoudt, voor het geval dat het gemaakt werd van niet-kosjer materiaal. De Rama [ibid] voegt daaraan toe dat als een Jood aanwezig was bij de kaasbereiding, de kaas is toegestaan „en dat het een algemeen geaccepteerd gebruik is in al deze landen.” De Sjach [noot 20] is het er niet mee eens en beweert dat de opheffing van het verbod, voor het geval er een Jood aanwezig is, niet in de Talmoed genoemd wordt, behalve in het geval dat een niet-Jood de koe melkt: We kunnen de kaas door een niet-Jood gemaakt niet toestaan als een Jood daarbij aanwezig was, tenzij de kaas het eigendom is van de Jood. Tegenwoordig zien wij wel dat bepaalde kazen gestempeld zijn met giboen Jisraël – d.w.z. dat het kaasmaken gebeurde door een Jood [zie Binetiv HeChalav, pp. 47-53].

Zure kaasmaking: Tot nu toe hebben wij het gehad over enzymatische kaasmaking, zoals de meeste zoute en harde kazen gemaakt worden. Een andere oude methode is zure kaasmaking, waarmee men zachte kaas maakt.  De melk wordt niet afgekoeld, of een zuurmakend agens wordt toegevoegd, zodat de structuur verandert en de proteïnedeeltjes neerslaan en aan elkaar plakken.

Is het geoorloofd om de kaas van een niet-Jood te eten [gevinat ‘akoem]? De verordening tegen gevinat ‘akoem stamt van de verdenking dat de niet-Jood niet-kosjer materiaal gebruikt. Bij de zure kaasbereiding bestaat die verdenking niet, dus is dit soort kaas toegestaan om te eten? De auteurs van Chochmat Adam [klal 53:38] en de Aroch Hasjoelchan [J.D. 15:16] beslissen dat het vebod ook daar van toepassing is.

Cottage kaas: Aan de andere kant schreef Rav Moshe Feinstein [Responsa Igrot Moshe, J.D.  II:48 en ook  zo gesuggereerd in Responsa Zivchei Tsedek] dat men iemand niet moet vermanen wanneer hij cottage kaas van niet-Joden eet, ondanks dat daar geen Jood bij de kaasbereiding aanwezig was. Volgens hem moeten wij onderscheid maken tussen de harde kazen die Chazal verboden hebben en de zachte kazen, die daarvan volkomen verschillen. Daarom, en om andere redenen, beslist hij dat men degenen die soepel zijn, niet mag vemanen, „maar het is ook onjuist om openbaar bekend te maken dat er een reden is om soepel te zijn.” Natuurlijk heeft ieder product een kasjroet-stempel nodig, om zeker te zijn dat er geen niet-kosjere ingrediënten zijn gebruikt. Dit geldt zelfs voor wie soepel is.

Samenvattend, ieder die kaas koopt zonder een kasjroet-certificaat loopt het gevaar dat hij varkens-extract of insecten eet. Wij leggen er de nadruk op dat veel buitenlandse kasjroet-organisaties, die geen chalav Jisraël eisen, een hechsjer voor zachte kaas afgeven zonder dat daar permanent een masjgiach bij aanwezig is om toezicht te houden en zonder giboen Jisraël en zelfs die welke chalav Jisraël eisen, volstaan zonder een permanente masgiach of giboen Jisraël. Wie meer conscienteus is, moet daarom kaas eisen, waarop staat dat het chalav Jisraël en giboen Jisraël is [Binetiv HeChalav  door Rav Ya’akov Buro, pp. 43-47].

39b (uit Meorot HaDaf HaYomi nr. 204)

Chalav Jisraël en chalav ‘akoem: een historisch overzicht

De soegiot die deze dagen geleerd werden, leggen uit dat Chazal melk door een niet-Jood gemolken [chalav ‘akoem] verboden hebben uit vrees dat de niet-Jood de melk vermengd heeft met melk van een niet-kosjer dier, tenzij een Jood bij het melken aanwezig was.

Is alle chalav ‘akoem verboden? Wij moeten duidelijk maken of de verordening geldt voor alle melk van niet-Joden, of alleen wanneer er een reële verdenking bestaat dat er melk van een niet-kosjer dier in vermengd werd. Dit is van belang voor niet-Joden die alleen maar kosjer dieren houden. De Risjoniem en poskiem [zie Radbaz IV:1147; Responsa Chatam Sofeer, J.D. 107] hadden hier verschillende meningen over. Volgens de Chatam Sofeer hebben Chazal het decreet ingesteld zelfs voor die gevallen waar er in de hele omgeving geen niet-kosjere dieren te bespeuren zijn maar de Chazon Iesj zts’l beweert dat zulke melk beschouwd kan worden alsof die in de aan­wezigheid van een Jood gemolken is, daar het duidelijk is dat er geen melk van een niet-kosjere koe kan aan toegevoegd zijn [Chazon Iesj, J.D. 41:4].

Chalav ‘akoem melkpoeder in oorlogstijd: Volgens de soepele opinie bestaat er geen verbod om chalav ‘akoem te drinken zolang er geen verdenking bestaat dat het met niet-kosjere melk vermengd werd. Deze conclusie geldt ook in onze tijd, daar de regering de melk die op de markt komt, controleert en hoge boetes oplegt voor wie iets anders door de melk mengt dan koeiemelk. Ieder die dat verbod overtreedt, loopt het risico zijn vergunning te verliezen. HaGaon Rav Moshe Feinstein zts”l [Responsa Igrot Moshe, J.D. I:47] bepaalde dat Chazal hun decreet niet hebben ingesteld voor een dergelijke situatie, hoewel hij vermeldde dat hij voor zichzelf niet soepel was en dat een conscientieus mens zich streng moet gedragen [zie verder in het artikel van HaGaon Rav Y. Efrati in Binetiv HeChalav]. Overigens, de Stiepler zts’l getuigde dat zijn zwager, de  Chazon Iesj, in oorlogstijd melkpoeder toestond dat van chalav ‘akoem was gemaakt, toen de melk schaars was, maar alleen voor zwakke jesjiva studenten [Karjana D’igarta, II, brief 123]. In de praktijk gedragen de orthodoxe gemeenten in Europa en Israël zich streng, terwijl men in de Verenigde Staten [en Nederland] geneigd is soepel te zijn, in overeenstemming met Rav Feinstein.