Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg P.O.B. 3220 Netanya - Israël E-mail: zwigold@netvision.net.il

 11-17 Chesjwan5766

Traktaat Eroevien 39-45 Nr. 101

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 338 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

/ -

Daf 40b: Ik zeg de beracha van de seizoenen zelfs voor een nieuwe vrucht

Twee soorten sjèhèchianoe en sjèhèchianoe

Als men een nieuwe vrucht ziet die van jaar tot jaar verschijnt, moet men de beracha sjèhèchianoe zeggen. Aldus paskent de Sjoelchan Aroech (O.Ch. 225:3).  De halacha wordt gepaskend in navolging van de woorden van Rabbi Jehoeda op onze daf, waar hij vertelt dat hij sjèhèchianoe zegt voor een vrucht die ieder jaar vernieuwd wordt (zie Rasji).

Wanneer twee mensen een nieuwe vrucht eten: Hoe moet men handelen als twee mensen een nieuwe vrucht willen eten. Moeten zij allebei de beracha sjèhèchianoe zeggen, ieder voor zichzelf, of is het gewenst dat één van de twee de beracha zegt en daarmee ook de ander bevrijdt van zijn verplichting?

De Prie Megadiem paskent dat als iemand een nieuw kledingstuk koopt hij lechatchila zelf de beracha sjèhèchianoe moet zeggen, ook al heeft hij de mogelijkheid om van zijn verplichting tot die beracha bevrijd te worden door te luisteren naar een collega die ook een nieuw kledingstuk gekocht heeft. En zo paskent ook de Misjna Beroera (8:14?). De logica zegt dat de din voor een vrucht en de din voor een nieuw kledingstuk aan elkaar gelijk zijn en dat dus ook elk van de nieuwe vruchten-eters een beracha moet zeggen.

Echter, de vraag komt op dat op iedere Jom Tov het gezinshoofd de beracha sjèhèchianoe uitspreekt en daarmee alle gezinsleden bevrijdt van hun verplichtingen om die beracha te zeggen en op iedere Rosj Hasjana zegt de Baal Tokea [de Sjofar-blazer] in iedere synagoge de beracha sjèhèchianoe, en bevrijdt daar mee de hele aanwezige gemeente van hun verplichting. Waarom zijn deze wetten niet gelijk aan elkaar?

Het antwoord hierop is dat de definitie van de beracha sjèhèchianoe voor een nieuwe vrucht of voor een nieuw kledingstuk anders is dan het doel van de beracha sjèhèchianoe voor een mitswa die op een bepaalde tijd gedaan moet worden. Het verschil komt ook tot uiting in hun voorschriften, zoals wij zien op onze daf. Het is een resjoet recht om de beracha sjèhèchianoe voor een nieuwe vrucht te zeggen, geen plicht. Wie de beracha niet zegt, wordt niet gestraft [maar het is wel gewenst dat men deze beracha zegt (Misjna Beroera 225:9).

Een algemene sjèhèchianoe en een privé-sjèhèchianoe: Het verschil tussen de voorschriften van beide soorten sjèhèchianoe zit in het verschil tussen de betekenis en bedoeling van de de beide berachot. De beracha sjèhèchianoe over een nieuw kledingstuk of over een nieuwe vrucht in dat seizoen, komt voort uit de vreugde van degene die de beracha zegt, dat hij het bij leven en welzijn heeft mogen meemaken om te mogen genieten van dit moment. Daarom is het niet gewenst dat iemand zich van zijn verplichting kwijt door te luisten naar iemand anders die de beracha zegt, omdat er geen enkel verband is tussen beide vreugdes. Ieder is verplicht deze beracha te zeggen. Echter, de beracha sjèhèchianoe die men zegt voor een seizoengebonden mitswa, is een uiting van vreugde dat men de mitswa mag doen. En het is één mitswa voor heel Israël, gezamelijk voor iedereen. En daarom is het gewenst dat één persoon de beracha uitspreekt voor iedereen. De beracha sjèhèchianoe die een resjoet is, zegt men alleen uit vreugde, en is niet verplicht, maar de seizoen-gebonden sjèhèchianoe is iedereen verplicht, ook wanneer op iemand geen vreugde rust [zie Responsa Sjèwet Halevi deel 4, 25].

En nu, nadat wij bewezen hebben dat de beracha sjèhèchianoe over vruchten en kleding een privé-beracha is voor ieder pesoon, kunnen wij kennis maken met de chidoesj van HaGaon Rav Sjlomo Zalman Auerbach ztl, die beweert dat desondanks, wanneer twee mensen dezelfde vrucht willen eten, dan zijn zij vreugde dat zij dit tijdstip hebben mogen beleven, waarop deze vrucht eetbaar werd, en dit moment is gelijk voor alle mensen, die deze vrucht kunnen eten. Maar als ieder van hen een andere vrucht in zijn hand heeft, dan is het gewenst dat ieder voor zichzelf de beracha zegt, omdat zij verschillende redenen hebben om de beracha te zeggen, want iedere soort vrucht wordt op zijn eigen tijd rijp.

Daf 40b: Een student van de Jesjiwa vastte                                                              / / -

De vastendag van 10 Tewet die op Sjabbat valt

Vier vastendagen werden door de Profeten ingesteld: Tsom Gedalja, Tsom Asara beTèwet, Tsom 17 Tamoez en Tisja beAv. Behalve de vastendag van 10 Tèwet kunnen alle vastendagen op Sjabbat vallen, en dan worden zij uitgesteld tot zondag.

De vastendag van 10 Tèwet verschilt ook overigens van de andere vastendagen: Wanneer de vastendag van 10 Tèwet op Sjabbat zou vallen, dan zou de logica leren dat ook deze vastendag verschoven wordt naar zondag. Echter Rabbi David Awoedraham leerde dat de vastendag van 10 Tèwet verschilt van de andere vastendagen die door de Geleerden werden vastgesteld. Wanneer die dag op Sjabbat zou vallen, schuift dat de Sjabbat opzij!

Hij verdedigt zijn woorden aldus, dat over de vastendag van 10 Tèwet gezegd is (Jechezkel 24:2): Op diezelfde dag, en daarom schuift hij de Sjabbat opzij, zoals ook Jom Kippoer de Sjabbat opzij schuift, omdat ook daarover gezegd wordt (Wajjikra 23:28-30): Op diezelfde dag.

Vasten in een maand en vasten op een dag: HaGaon Rav Chaim van Brisk ztsl (Chidoesjei HaGrach 44) voegt daaraan toe dat de overige vastendagen werden vastgesteld voor de maand waarin de rampzalige gebeurtenis voorviel, en binnen die maand legde men de vastendag vast voor de dag die daarvoor het meest geschikt was. Daarom houdt men toch die vastendag zoals die door de Profeten werd vastgesteld, ook als men die dag verschuift naar zondag. Echter, de vasten van 10 Tèwet (die werd ingesteld ter herinnering aan het begin van de belegering van Jeruzalem door de Babyloniërs, die uiteindelijk leidde tot de verwoesting van Jeruzalem en de Eerste Tempel door Newoechadnetsar, de koning van Bawel) die speciaal werd vastgesteld op de Tiende Tèwet, houdt geen verband met de maand, maar met een speciale datum. En daarom vervult men niet de opdracht van de Profeten als met die vastendag verschuift naar de volgende dag.

Daarom, als de Profeet voorspelt, dat als de uiteindelijke Verlossing komt, dat dan alle vastendagen worden omgezet in vreugdevolle feestdagen, dan heeft hij het over die vastendagen die voor een bepaalde maand werden vastgestel (Zacharja 8:19): Aldus sprak Hasjem van de legers: de vasten van de vierde en de vasten van de vijfde en de vasten van de zevende en de vasten van de tiende zullen voor het Huis van Jehoeda tot blijdschap en vreugde zijn. De vasten van de vierde is de 17e Tamoez, want Tamoez is de vierde maand. De vasten van de vijfde is Tisja beAv. De vasten van de zevende is Tsom Gedalja, die op de 3e dag van Tisjri gehouden wordt. En de vasten van de tiende is de vastendag van 10 Tèwet. Daarom, als de pasoek, die het over de Tiende Tèwet heeft, zegt: Op diezelfde dag, betekent dat, dat alleen die vasten speciaal op die datum is vastgesteld.

Op de 10e Tèwet oordeelt Hasjem over onze Verlossing:  De Chatam Sofeer ztsl (Chidoesjei Chatam Sofeer, Parasjat Wajjikra, blz. 10) verklaart dat de vasten van Tien Tèwet belangrijker is, omdat het de eerste van de rampzalige gebeurtenissen gedenkt die ons volk getroffen hebben en die leidden tot de Verwoesting. Op die dag zit de Heilige, geloofd zij Hij, ieder jaar en overweegt of Hij de verlossing zal brengen. Daarom is deze vastendag belangrijker dan alle andere. Rabbijn Jonatan Eibeschütz ztsl schrijft dat de 10e Tèwet de oorzaak is waarop alle ellende begon en dat daarom, ook al valt die op Sjabbat, de vasten toch gehouden wordt, ter herinnering aan die bepaalde dag en daarom schuift hij de Sjabbat opzij (Jaarot Dwasj, deel 2:12).

De bron in Sjas: Hoewel al de bovenstaande overwegingen allemaal zeer redelijk zijn, kan halacha alleen maar worden afgeleid van een bron in de geschriften van Chazal. Daarom vraagt de Beit Joseef aan de Awoedraham: wat is de bron van deze beslissing in de Sjas?

De Acheroniem (Or Sameach: Hilchot Taaniet 5:6; zie ook Chatam Sofeer, ibid) vinden een bron in onze soegia. De Gemara vraagt: als iemand een persoonlijke vasten op zich neemt op een vrijdag, moet hij dan doorvasten tot de nacht invalt, of is het beter om zijn vasten eerder te breken, opdat hij de Sjabbat niet hongerig ingaat?

Waarom heeft de Gemara het alleen over een persoonlijke vastendag? Waarom stelt de Gemara niet diezelfde vraag ten aanzien van een publieke vastendag, zoals die hierboven besproken werden? Het antwoord is, dat sinds de huidige Hebreeuwse kalender werd vastgelegd, de enige vastendag die op vrijdag kan vallen, Tien Tèwet is. Het kwam niet bij de Gemara op dat men zou eten op de Tiende Tèwet als die op vrijdag valt, omdat zelfs al zou die dag op Sjabbat vallen, men nog zou vasten.

Toen vasten nog facultatief was: In traktaat Megilla (5a) schrijft Rasji expliciet dat zelfs de Tiende Tèwet, wanneer die op Sjabbat valt, verschoven wordt naar de volgende dag. Echter de Sjoeel OeMesief (III:179) schrijft dat dit nog steeds geen bewijs is dat Rasji tegen de Awroedaham ingaat. Rasji schreef dat de Tiende Tèwet wordt uitgesteld als een verklaring op de Misjna. In de tijd van de Misjna was de vastendag van Tien Tèwet nog facultatief (Rosj Hasjana 18b), en daarom kon het de Sjabbat zeker niet verdringen. Sedert dien is de Tiende Tèwet geaccepteerd als een verplichting en daarom is het redelijk te veronderstellen dat het Sjabbat verdringt.

Daf 43b - Rabban Gamliël had een holle buis en daarmee kon hij precies tweeduizend amma ver zien op het land en op zee

Het landmeet-apparaat van Rabban Gamliël

DeGemara vertelt ons dat Rabban Gamliël een instrument had, waarmee hij de tweeduizend ammot van de techoem-Sjabbat kon meten, zowel op het land als op zee. De Gaoniem (aangehaald door Meïri hier; Tesjoewot  HaGaoniem 28:314) leggen uitdat dit instrument een nauwe buis was. Wanneer men door de buis recht naar beneden keek, kon men alleen zijn voeten zien. Wanneer men de buis hogerop in een hoek hield, kon men er verder mee zien. Men plaatste een voorwerp op een afstand van precies 2000 ammot en Rabban Gamliël hief de buis langzaam omhoog, totdat hij precies de voet van het voorwerp kon zien, maar niet verder. Rabban Gamliël noteerde de hoek, waaronder de buis werd vastgehouden om het voorwerp te zien. Vanaf dat moment was hij instaat om vast te stellen wat de afstand van een voorwerp was, door de buis onder dezelfde hoek vast te houden. Deze methode was alleen effectief wanneer men naar voorwerpen keek op een plat vlak.

In zijn commentaar op de Misjna suggereert de Rambam dat het instrument gecompliceerder was dan hiervoor beschreven. Hij schrijft dat er geen noodzaak is om de specifieke eigenschappen van het instrument te beschrijven. Diegenen met kennis van trigonometrie, de leer van de driehoeksmeetkunde en de verhoudingen tussen de zijden van een driehoek, zullen zeker begrijpen hoe deze principes kunnen worden toegepast op de navigatie. En wie daar niet mee vetrouwd is, zal ook niet begrijpen hoe het instrument van Rabban Gamliël werkte.

Een driehoek heeft zes onderdelen: drie zijden en drie hoeken.Volgens de berekeningen van wiskundigen kan men met behulp van drie van deze zes onderdelen bijna altijd de drie andere onderdelen berekenen, wanneer tenminste de lengte van één van de zijden bekend is. Met dit principe berekende Rabban Gamliël de techoem Sjabbat.

Gebaseerd op de Talmoed Jeroesjalmi (Eroevien 4:2) wordt door sommigen derde andere mogelijkheid gesuggereerd hoe R. Gamliëls instrument werkte. Zoals we weten lijkt een voorwerp groter, naarmate het dichterbij is. Het neemt dan een groter deel in van het gezichtsveld in beslag. Een gebouw op grote afstand neemt maar een heel klein deel in van ons gezichtsveld, terwijl, wanneer wij er vlak voor staan, het ons uitzicht volledig blokkeert.

Rabban Gamliël had een buis met aan het eind een simpel stuk glas, dat niet vergrootte. Op dit glas had hij merkstreepjes gezet op gelijke afstand van elkaar. Laten we voor het gemak zeggen op een onderlinge afstand van een millimeter. Wanneer een voorwerp ver weg was, bedekte het slechts de ruimte tussen twee naast elkaar gelegen merkstreepjes, een klein deel van zjn gezichtsveld. Wanneer het dichter bij stond, bedekte het vele merktekens en een groter deel van zijn gezichtsveld.

Bij het gebruik van een dergelijk instrument speelt de lengte van de buis ook een rol. Om dit te demonstreren, moet je je hand maar eens voor je ogen houden, met je vingers gespreid en naar een veraf gelegen voorwerp kijken tussen twee vingers door. Wanneer je nu je hand langzaam van je gezicht verwijdert, zul je op een gegeven moment zien dat hetzelfde voorwerp door alle openingen tussen de vingers te zien is. Zo is ook bij een korte buis het glas dichterbij de ogen, lijken de merkstrepen groter en het voorwerp op grote afstand lijkt even groot als één enkel merkteken. Met een langere buis is het glas verder weg, de merktekens lijken kleiner en het voorwerp bedekt alle merktekens.

Rabban Gamliël gebruikte dus een dergelijk instrument om de grens van de techoem Sjabbat te meten. Hij nam een stok, waarvan hij wist dat die 1 meter hoog was, plaatste die op een afstand van duizend meter, en noteerde dat die stuk nu even groot leek als één millimeter op het glas. Hij kon dan berekenen dat het voorwerp dat hij bekeek, op een afstand stond van precies duizend maal de lengte van zijn buis. Dit maakte het meten van de afstand eenvoudiger. In plaats van strepen te tekenen en hun lengte te meten, kon een voorwerp van bekende hoogte gezien worden van veraf en zijn afstand kon dan berekend worden door het te vergelijken met de merktekens op het glas.

In voorgaande generaties bouwden de Romeinen torens van bepaalde hoogte naast hun havens, opdat navigatoren van binnenkomende schepen konden meten hoever zij nog verwijderd waren van de kust.