Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 5766

Traktaat Pesachiem 43-49 Nr. 102

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 340 van Kollel Chassidei Sochatchov, Bnei Brak

Daf 54b: Stel tijden vast voor Tora-studie                                                                                ãó ðã/á: òùä îåòãéí ìúåøä  

Vaste tijden voor Tora-studie

In de Daf Jomi van afgelopen week vinden we een afdeling van aggadata, gewijd aan het belang van Tora-studie. Tegen het eind van die afdeling citeert de Gemara het advies van Rawa: „Stel tijden vast voor Tora-studie.” Men zou hieruit licht kunnen veronderstellen dat hier bedoeld wordt dat iemand voor zichzelf tijden moet vaststellen waarop hij iedere dag Tora zal studeren. Rasji echter verklaart (s.v. asoe) dat het tot de verantwoordelijkheid van de leraar behoort om voor zijn leerlingen vaste tijden vast te stellen waarop zij bij hem zullen komen om van hem te leren.

In een parallel soegia in traktaat Sjabbat (31a) vinden we dat een van de eerste vragen die aan iemand gesteld worden bij zijn uiteindelijke beoordeling, is: „Heb je vaste tijden gesteld voor Tora-studie.” Daar verklaart Rasji dat men zich moet bezig­houden met een beroep; zonder levensonderhoud zou hij niet in staat zijn Tora te studeren. Men moet ook vaste tijden vaststellen om Tora te leren, om er zeker van te zijn dat niet zijn hele dag in beslag genomen wordt met het achterna lopen van materiële behoeften. Hieraan zien wij, dat het ieders persoonlijke verantwoordelijkheid is om voor zichzelf tijden vast te stellen waarop hij Tora leert.

Idealiter zouden er geen vaste tijden moeten zijn waarop men Tora leert: men zou de hele dag moeten leren. Maar daar dit vaak onmogelijk is, moet men op zijn minst vaste tijden vaststellen voor iedere dag om te leren. Van die vast tijden moet men niet afwijken, zelfs al kan men op dat tijdstip veel geld verdienen (Toer, O.Ch. 155). Het is niet voldoende als iemand tijd vindt om Tora te leren wanneer de gelegenheid zich voordoet. Hij moet die tijden van te voren vaststellen. Tora-studie heeft de hoogste prioriteit. Daar komt bij dat men zijn Schepper toont, dat men zich realiseert wat het ware doel van het leven is en dat alle andere strevingen slechts middelen zijn om dit doel te bereiken.

Daar Tora-studie idealiter de hele dag in beslag zou moeten nemen, hoeft men de birkot haTora maar eenmaal per dag te zeggen. Iedere interuptie in de studie vormt geen onderbrekling voor de beracha, omdat de verplichting om te leren voortduurt (zie Tosefot, Berachot 11). Verder wordt er geen beracha gezegd na het beëindigen van de Tora-studie, zoals na het eten. Er bestaat niet zoiets dat men klaar is met Tora-leren, men heeft nimmer zijn verplichting daartoe voldaan (Beit Joseef O.Ch. 47).

 

Wandelen van Bnei Brak naar Tel Aviv op Sjabbat

Daf 55a

Text Box:  Zoals wij weten heeft iedere stad een techoem Sjabbat, een gebied van tweeduizend ammot rondom de buitengrens van een stad, waar voorbij het verboden is om te lopen. Wanneer steden vierkant of rechthoekig waren, met rechtlijnige grenzen, dan zou het makkelijk zijn om de techoem vast te stellen. Echter, de meeste steden hebben een onregelmatige vorm, met grenzen die zich op de ene plaats ver van het stadscentrum verwijderen en op ander plaatsen daar dichtbij blijven. De techoem wordt dan berekend op basis van het principe riboe’a ha’ier  – „het rechthoekig maken van de stad.” De verst verwijderde punten van de stad in iedere richting worden bepaald, en daar wordt een rechthoek of vierkant omheen getrokken, met deze punten als de perimeter. De techoem wordt dan gemeten vanaf deze rechthoek en niet vanaf de feitelijke stadsgrenzen.

Deze procedure is een algemene regel, waarop vele uitzonderingen zijn. Eén van deze uitzonderingen wordt besproken in onze Gemara en betreft een geval van een stad die in een boog gevormd is. Het is ook niet altijid duidelijk hoe men de recht­hoek om de stad moet trekken.

Behalve de problemen  van de gecompliceerde halachot met betrek-king tot het meten van een techoem Sjabbat, is het vaak moeilijk om vast te stellen wat de grenzen van de stad zijn. De stadsgrenzen zoals die op stadskaarten staan aangegeven, zijn niet altijd van toepassing voor ons halachisch begrip van een stad. Bijvoorbeeld, rondom een stad liggen vaak industrieterreinen, die binnen de officiële stads-grenzen horen. Maar de techoem Sjabbat wordt alleen van woonwijken gemeten.

Groot Tel Aviv: De principes van riboe’a ha’ier zijn met name interessant met betrekking tot het gebied van Groot Tel Aviv, waaronder ook de naburige stad Bnei Brak valt. De Gemara zegt dat iedere stad omgeven is door een karpaf van ruim 70 amma. Wanneer de beide karpafs, die twee steden omringen, elkaar overlappen, worden die twee steden voor de techoem Sjabbat als één stad beschouwd. Dat wil voor de praktijk zeggen dat wanneer er minder dan 140 ammot tussen beide steden is, dan is het toegestaan om van de ene stad naar de andere te lopen en daar nog 2000 ammot voorbij.

De vraag is dan of de zeventig ammot die elkaar overlappen, gemeten worden vanaf de werkelijke stadsgrens of vanaf de riboe’a ha’ier. Het antwoord op deze vraag is in feite afhankelijk van de nauwkeurige definitie van een riboe’a ha’ier.  Hebben  onze  Geleerden  de  halachi-sche grens van een stad gedefiniëerd als een rechthoek rond­om de uiterste punten van een stad? In dat geval moet de zeventig amma van

Het volgende is een brief die de redactie van Meorot HaDaf Ha­Jomi ontving van een van de lezers.

Aan het begin van de huidige Daf HaJomi-cyclus begon een zeker Jood in Bayit Wegan, een woon­wijk in Jeroesjalajim, een plaat­selijke Daf Jomi-sjioer bij te wo­nen. Iedere dag bracht hij zijn eigen traktaat Berachot van zijn Sjas mee. Zoals vele anderen voelde hij zich gehecht aan zijn eigen seforiem, en prefe-reerde hij  die te gebruiken, boven de Ge­ma­rot die in de sjoel be-schikbaar waren. Toen zij het einde van Berachot naderden en het begin van Sjabbat, werd hij er pijnlijk aan herinnerd dat hij Mesechet Sjabbat zestien jaar geleden had laten lig-gen in een taxi en dat die nu man-keerde aan zijn Sjas. Zijn vele po-gingen om de taxichauf­feur op te sporen waren vruchte­loos geweest en hij had al lang geleden de hoop op gege­ven die gemara terug te krijgen.

Toen, op de vijfentwintigste Nisan, de dag voordat Daf Jomi Sjabbat zou beginnen, kreeg hij een tele-foontje van iemand die zijn Gemara zojuist gevonden had in de Zupnik sjoel in Givat Sjaoel. De vinder had de Gemara nooit eerder gezien, en merkt hem op toen hij Sjacharit daw­wen­de. Er stond een naam en telefoon­num­mer in en zo vervul­de hij de mits­wa van het terug-bren-gen van een gevonden voor­werp, waarvan de sentimen­tele waarde groter was dan de nomi­na­le waar-de ervan.

De inzender van deze brief was de zoon van de Daf Jomi student in dit verhaal. Hij concludeerde zijn brief met de opmerking: „Ik bedoel met dit verhaal niet te sug­gereren dat dit een wonder­baarlijke gebeurtenis was of een teken van de Hemel. I wilde al­leen maar aantonen hoe groot de liefde  en gehechtheid is tussen diegenen die Gemara leren en hun geliefde seforiem.”

De onderbroken sji’oer

Iedere avond van 20.00-20.45 vindt een Daf Jomi sji’oer plaats in de Avo Weisecha sjoel in Bajit Wegan, een woonwijk in Jeroe­sjalajim. Op een avond maakte de sjoel voorberei-dingen voor een aantal sprekers die zouden komen om een eulogie te geven ter gelegenheid van de sjelosjiem van een van buurtbewo-ners. De ceremonie was voor 21.00 aan­ge­kondigd. Eén van de spre-kers die was uitgenodigd, was Dr. Meir Isaacson, voorheen de admini-strateur van de kinderaf­deling van het Sja’arei Tsedek zieken­huis. Hij kwam vroeg, in het mid­den van de Daf Jomi-sji’oer, waar­naar hij met grote aan-dacht luisterde, met een duidelijk merk-bare blijk van verwon-dering op zijn gezicht.

Toen de ceremonie begon en Dr. Isaacson gevraagd werd te spre-ken, began hij zijn toespraak met een ver-bazingwekkend hul­de-betoon aan de Daf Jomi. „Ik weet zeker dat R. Meir Sjapira, de grond-legger van de Daf Jomi, veel vreug-de ondervindt in de Hemel, van-avond,” begon hij. Ver-volgens ver-klaarde hij dat hij een regel-matige deelnemer was van de Daf Jomi sji’oer in de Sockotchov sjoel aan de andere kant van Bajit Wegan. Die avond was hij gedwongen ge-weest om vroeg te vertrekken om een eulogie te geven. Hij had zijn eigen sji’oer verla-ten, alleen om binnen te komen bij een andere sji’oer, die, met verbazing-wek-kende hasjgacha pratiet, verder ging op dezelfde regel als waar hij gestopt was.

de karpaf ook gemeten worden vanaf die rechthoek. Of wordt de grens van de stad gedefinieëerd overeenkomstig de feitelijke locatie van de huizen, en is de riboe’a ha’ier niet meer dan een soepelheid die onze geleerden alleen toepasten om de techoem Sjabbat te meten, maar geldt die niet voor de overlapping van de karpafs?

Rav A. Bockwold (Kiriat Ariël, hfd. 5) bespreekt deze kwestie uitgebreid en komt tot de conclusie dat volgens de meeste Risjoniem de riboe’a ha’ier niet geldt voor de karpaf rondom de stad. Dus zeventig ammot die elkaar kunnen overlappen, moeten gemeten worden van de werkelijke (halachische) stadsgrenzen, en niet van de rechthoek daar omheen.

Op verzoek van de huidige Kozhnitzer Rebbe werd deze vraag voorgelegd aan R. Elyashiv sjlita. De Kozhnitzer Beit Midrasj ligt in Noord Tel Aviv. Daar de Ayalon-autoweg Tel Aviv in tweeën deelt, is het de vraag of men van Bnei Brak naar Noord-Tel Aviv mag lopen op Sjabbat. Wanneer we de principes van de riboe’a ha’ier zouden toepassen, zouden de karpafs van de twee delen van Tel Aviv elkaar overlappen, en men zou van de ene kant naar de andere kant mogen lopen. Echter, Rav Eliyashiv besliste dat de riboe’a ha’ïer hier niet van toepassing is voor de overlapping van de karpafs. Wanneer iemand van Bnei Brak naar de Kozhnitzer Beit Midrasj in Tel Aviv wil lopen, moet hij eerst een eroev techoemiem plaatsen  (Kowets Beit Aharon WeJisraël 101:118).

 ãó ðå/à åàéï áéï ú÷åôä ìú÷åôä àìà úùòéí åàçã éåí ùáò ùòåú åîçöä

Daf 56a: Tussen twee tekoefot kunnen nooit meer dan 91 dagen en 7½ uur liggen

De vier jaargetijden

Chazal waren gewoon om het jaar in vier seizoenen – tekoefot – van elk drie maanden, in te delen: Tekoefa Nisan, Tekoefa Tamoez, Tekoefa Tisjri en Tekoefa Tèwet. De langste dag van het jaar is de eerste dag van Tekoefa Tamoez en de kortste dag van het jaar is de eerste dag van Tekoefa Tèwet. De middelmatig lange dagen vallen in de Tekoefot Nisan  en Tisjri. Deze tekoefot vallen dus niet samen met de maanden met dezelfde namen, noch beginnen zij op de Rosj Chodesj  van die maanden

De tekoefot worden vastgesteld aan de hand van het zonnejaar, dat volgens Sjmoeël precies 365¼ dagen [= 365 dagen en zes uur] telt, en in overeenstemming daarmee berekent de Gemara precies het begin van ieder seizoen. Ieder seizoen is dus 365¼ º 4 = 91 dagen en 7½ uur. Dus als Tekoefa Nisan op de vierde dag van de week begint [de hemellichamen werden op de vierde dag van de schepping geschapen], dat is woensdag, ’s avonds om 18.00 uur [de Joodse dag begint altijd ’s avonds], dan begint het volgende seizoen, Tamoez, 91 dagen en 7½ uur later, dat wil zeggen op de vijfde dag van de week [donderdag] om 01.30 ’s ochtends. Het volgende seizoen begint ook 13 weken en 7½ uur later, dat wil zeggen op donder­dag om 09.00 ’s ochtends (drie uur na zonsopkomst). Het vierde seizoen begint weer 91 dagen en 7½ uur later, dat is op donderdag om 16.30 uur en het volgende seizoen, het eerst van de nieuwe cyclus start 7½ uur later, dat is te middernacht van de zesde dag van de week [de nacht van donderdag op vrijdag]. Dit alles gerekend volgens het jaar van Sjmoeël. Rav Ada had een andere berekening, volgens welke het jaar 365 dagen, 5 uur, 55 minuten  en 25,44 seconde duurde. In overeenstemming daarmee wordt onze kalender vastgesteld [zie Rambam Hilchot Kiddoesj HaChodesj 10:1].

Op grond van bovenstaande berekeningen komt Sjmoeël tot de conclusie dat de Tekoefa Nisan altijd begint op één van de vier „breekpunten” van de dag, dat wil zeggen of om 18.00 uur [het invallen van de nacht] of 4 ª 7½ = 30 uur later, dat is 24.00 uur [middernacht], of nog eens 30 uur later, om 06.00 uur ’s ochtends, bij het aanbreken van de dag, of nog eens 30 uur later, om 12.00 uur ’s middags, en dat er nimmer meer dan 91 dagen en 7½ uur ligt tussen twee opeenvolgende tekoefot.