Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 10 Adar 5766

Traktaat Pesachiem 36-46 Nr. 103 

The Weekly Daf

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Te rijk voor matsa, te arm voor chameets

Daf 36a

Wij zijn gewend te denken, dat meel, waarvan deeg is gemaakt, hetzij matsa, hetzij chameets wordt, afhankelijk van de manier waarop het gebak­ken wordt. Het komt daarom als een verrassing wanneer Rabbi Sjim’on ben Lakisj paskent dat men niet met kareet [uitroeiing door de Hemel] gestraft wordt, wanneer men op Pesach matsot bakt met wijn, olie of honing, in plaats van met water. Een dergelijke matsa wordt een lechem asjira – rijk brood – genoemd en dat kan niet als matsa fungeren, dat bekend staat als lechem ‘oni – brood der ellende/armoede (Dewariem 16:3), zelfs niet wanneer het overigens op de juiste manier gebakken is.

Deze uitspraak plaatst dit product in een aparte categorie, noch chameets, noch matsa!

Rav Papa deed een poging om te verklaren waarom dit product niet als chameets beschouwd wordt. Het feit dat in het hierboven genoemde vers zowel matsa als chameets genoemd worden, kan worden opgevat als instructie, dat alleen datgene matsa kan worden, als het ook chameets kan worden. [D.w.z., deeg kan alleen tot matsa gebakken worden, als het, wanneer men het anders behandelt, tot chameets wordt en iets wat nooit chameets kan worden, kan ook nimmer als matsa dienen.] En daar matsa asjira geen lechem ‘oni is, [want alleen rijke mensen gebruiken de bovengenoemde dranken om brood te bakken, in plaats van water], kan het ook geen matsa worden.

Deze benadering wordt echter uitgedaagd door de wet, die zegt dat men de mitswa om matsa te eten, niet kan vervullen met fijn gekruimelde matsa, opgelost in water, maar wie fijn gekruimeld chameets, opgelost in water, drinkt op Pesach, die heeft gezondigd. Dit bewijst, dat er geen verband bestaat tussen matsa en chameets. Het was Rav Idid bar Avin die de juiste verklaring gaf, voor de vraag waarom meel met drank in plaats van water vermengd, niet als chameets beschouwd kan worden: alle andere vloeistoffen dan water zijn chemisch niet in staat om het meel te laten gisten. Een dergelijk product is daarom te rijk voor matsa en te „arm” voor chameets.

Zoet en Bitter

Daf 36b

Men kan de mitswa van het eten van bitterkruid – maror – op de Seder-avond [de avond van Pesach] niet doen met bikoeriem – de eerstelingen van de oogst.

De reden hiervoor lijkt eenvoudig genoeg: Maror moet bitter zijn en geen van de zeven soorten waarvoor Israël geprezen is in de Tora, en die jaarlijks als ‘eersteling’ naar het Beit Hamikdasj gebracht worden als geschenk voor de Kohaniem, zijn bitter.

Maar hoe zit dat dan met olijven, vraagt Tosafot. Onze Geleerden vertellen ons (Eroevien 18a) dat de duif, die Noach uit de Ark zond, om te controleren of het water van de vloed al voldoende gezakt was, terug kwam met een olijftak in zijn snavel, als om tot Hasjem te bidden: „Moge mijn voedsel liever zo bitter zijn als een olijf, maar rechtstreeks uit Uw hand, dan zoet, maar afhankelijk van een mens van vlees en bloed, zoals Noach.”

Tosafot antwoordt: het is niet de vrucht van de olijfboom, die bitter is, maar het is de boom zelf. En inderdaad, het was een tak van de olijfboom, waarmee de duif terugkeerde, en niet met de vrucht. Tosafot haalt verder nog een midrasj aan, als bewijs, dat het de olijfboom is die bitter is: na de splitsing van de Jam Soef – Rietzee – kwam het Joodse volk bij een plaats aan, Mara geheten, waar het water ondrinkbaar was, ten gevolge van zijn bitterheid. In antwoord op de gebeden van Mosjé, zei Hasjem hem dat hij een stuk hout in het bittere water moest gooien en daarop werd het drinkbaar (Sjemot 15:25).

Dit was een olijfboom, zegt de Midrasj (Mechilta), want zijn hout is het bitterste van alle bomen en Hasjem wilde een extra wonder doen door bitter water drinkbaar te maken met behulp van extreem bitter hout.

Een kwestie van smaak

Daf 39a

De Misjna noemt vijf soorten bitterkruid en groenten, waarmee men de mitswa van het eten van maror op de Seder-avond van Pesach kan vervul­len.

In een eerdere Misjna (35a) worden vijf soorten graan genoemd, waarmee men de mitswa van het eten van matsa op de Seder-avond kan vervullen. Er is één interessant verschil  tussen beide Misjnajot. In het geval van de maror wordt ons verteld dat we verschillende soorten kruiden en groenten samen mogen combineren om aan de minimaal vereiste hoeveelheid van een kezajit [olijfgrootte] te kunnen voloen. Maar hoewel men ook de verschillende graansoorten mag combineren tot de minimaal vereiste hoeveelheid matsa van een kezajit, wordt dat toch niet vermeld in de Misjna.

Ran biedt hiervoor een verklaring, gebaseerd op de uitspraak van Rawa verderop in ons traktaat (115a): Wanneer men matsa doorslikt, zonder die te kouwen en te proeven, dan heeft men de mitswa van het eten van matsa op Pesach vervuld, maar wanneer men maror op deze manier doorslikt, heeft men niet zijn plicht gedaan. Rasjbam legt uit dat Tora er de nadruk op legt dat we de bittere smaak van het maror zullen proeven, ter herinnering aan de bitterheid en het lijden van onze voorouders in Egypte. De technische handeling die voldoende is om matsa te eten, is niet geschikt voor het eten van maror, want die moet men proeven (hoewel het de voorkeur heeft dat men ook de matsa proeft).

Daar matsa niet per se geproefd hoeft te worden, zo legt de Ran uit, is er ook geen reden om aan te nemen dat wij de verschillende graansoorten niet zouden mogen combineren. Daarom noemt de Misjna die moge­lijk­heid niet. Maar bij maror zouden wij kunnen denken dat het vanwege de bitterheid, die wij proeven moeten, niet geoorloofd is om verschillende bitterkruiden en groenten te combineren, omdat zij allen wat anders smaken en elkaars smaak wellicht neutraliseren. Daarom informeert de Misjna ons, dat men het wel met elkaar mag combineren, en dat men met de gemeenschappelijke smaak van alles tezamen het gewenste doel van een bittere smaak wel bereikt.

Wanneer wijn azijn wordt

Daf 42b

Toen er nog een Beit HaMikdasj was en wijn van de provincie Jehoeda naar de Tempel gebracht werd om daar op het altaar als plengoffer te worden uitgestort, werd de wijn in Erets Jisraël nimmer zuur, tenzij men er gerst aan toevoegde, om er azijn van te maken. Men noemde dat dan „azijn” zonder verdere nadere aanduiding.

Na de verwoesting van het Beit HaMikdasj is het de Edomitische (= Romeinse) wijn die niet zuur wordt, tenzij men er gerst bijvoegt, en die wijn wordt nu „Edomitische azijn” genoemd.

Deze opmerking van Rav Nachman wordt aangehaald als een uitdrukking van het historische conflict tussen de Joodse natie van Ja’akov en de Edomitische natie van zijn broer Esav. Toen hun moeder hun prenatale gevecht voelde in haar baarmoeder, werd zij profetisch op de hoogte gebracht  dat „het ene volk zou heersen over het andere” (Bereisjiet 25:23). Deze strijd met afwisselend resultaat werd gekarakteriseerd door de Profeet Jechezkel, waar Tyrus tegen het verwoeste Jeruzalem opschepte: „Ik zal gevuld worden met wat verwoest is”

Maharsja verklaart het verband tussen de plengoffers in het Beit HaMikdasj en de kwaliteit van de wijn op basis van de zegeningen die Jitschak aan zijn zonen gaf. Ja’akovs nakomelingen zouden de zegen krijgen van de macht en de voorspoed, zolang als zij naar behoren Hasjem zouden dienen. Wanneer zij zouden zondigen, zou hun macht en voorspoed overgaan op hun tegenstanders, de nakomelingen van Esav [zie Rasji op Bereisjiet 27:40]. Zolang als de Joden wijn op het altaar van het Beit HaMikdasj brachten, werd hun wijn gezegend door de Bron van alle zegeningen, net zoals de regens van het jaar werden gezegend door het plegen van de wateroffers op het altaar tijdens het Soekkot-feest. Nadat hun zonden de verwoesting en ballingschap teweeggebracht had, ging deze zegen over op de Edomieten en hun wijn.

Op tijd voorbereiden

Daf 46b

Hoewel koken en bakken op Sjabbat verboden is, is dat toegestaan op Jom Tov, met het doel om de maaltijden van die dag te bereiden. Het is echter niet toegestaan om maaltijden voor de volgende dag te bereiden. (Dit geldt zelfs buiten Israël, waar de tweede dag volgens Rabbijnse wet ook een feestdag is.)

Wat gebeurt er als Jom Tov op vrijdag valt en je wilt voor Sjabbat koken en bakken? Dan mag je dat alleen doen als je vóór Jom Tov een eroev tavsjilien gemaakt hebt. Dat wordt gedaan door twee soorten voedsel opzij te zetten, één die vóór Jom Tov gebakken werd en één die vóór Jom Tov gekookt werd, en die werden aangewezen als het begin van de Sjabbat-voorbereidingen, die dan op Jom Tov mogen worden afgemaakt. (De woorden eroev tavsjilien betekenen  letterlijk „het vermengen van het koken”, hetgeen bereikt wordt door het kook- (of bakproces op de ene dag te beginnen en op de volgende dag te voltooien.)

Eroev tavsjilien is een rabbijnse uitvinding, om op deze manier te verzekeren dat iemand die op Jom Tov voor Sjabbat kookt, dit recht niet ten onrechte uitbreidt tot het koken op Jom Tov voor een werkdag. Maar hoe zit dat dan met het Tora-verbod om op Jom Tov voor een andere dag te koken? De Geleerden hebben zeker het Tora-verbod niet gesactioneerd door middel van de eroev tavsjilien.

Onze Gemara geeft twee benaderingen van de vraag waarom het Tora-verbod hier niet van toepassing is. Rabba zegt, dat als men op Jom Tov kookt, men geen Tora-verbod overtreedt, zelfs niet als men niet de bedoeling heeft om die dag van het voedsel te eten, omdat er altijd de mogelijkheid bestaat dat er onverwachte gasten komen, die van dit voedsel op die zelfde Jom Tov zullen genieten. Er is echter een Rabbijns verbod op het koken in een dergelijk geval, omdat het er mensen kan toe brengen om voor de volgende dag te koken, zelfs wanneer er geen enkele kans bestaat dat er gasten zullen komen en het is dit verbod dat is opgeheven door middel van de eroev tavsjilien, dat een onderscheid maakt tussen wat verboden en wat toegestaan is.

Rav Chisda is het niet eens met Rabba. Rav Chisda stemt ermee in dat iemand die op Jom Tov kookt voor een werkdag, een Tora-verbod heeft overtreden. Maar wanneer de volgende dag Sjabbat is, dan staat (volgens hem) Tora het koken op Jom Tov voor de Sjabbat toe, want beide dagen worden beschouwd als één lange Sjabbat. Hij is het er ook mee eens, dat er een Rabbijns verbod op bestaat, wegens de vrees dat dit tot onjuiste handelingen zou kunnen leiden en eroev tavsjilien is nodig om het onderscheid te maken.

Het beslissende verschil  tussen beide benaderingen wordt aangestipt door Tosafot, waarop in de commentaren op de Sjoelchan Aroech verder wordt ingegaan: volgens de benadering van Rav Chisda voldoen wij aan de Tora-wet, zelfs wanneer wij op het laatste eind van Jom Tov koken voor Sjabbat. Maar volgens de benadering van Rabba moet het voedsel op tijd bereid worden, opdat er nog onverwachte gasten van kunnen eten op die zelfde feestdag.

De Mageen Awraham (OrachChaïm 527:1) spoort aan tot een tijdige bereiding van het voedsel in een dergelijke situatie, om te kunnen voldoen aan de vereisten van Rabba. Maar de Misjna Beroera (527:3) schrijft dat als men vergeten is om het voedsel vroegtijdig voor te bereiden of als men daartoe niet in staat was, dat men dan mag vertrouwen op de mening van Rav Chisda en dat men dan ook op het allerlaatste moment nog het eten op vrijdag voor Sjabbat mag bereiden als dat een Jom Tov is.