Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 21 Ijar 5766

Traktaat Pesachiem 82-100 Nr.  104

Uit: The Weekly Daf

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Pesachiem 82a

Ter vermijding van verlegenheid

Als er iets van het vlees van het Pesach-offer op de avond van Pesach is overgebleven, moet het verbrand worden op de eerste van Chol Hamo’eed [de tussendagen] van Pesach (tenzij dat een Sjabbat is, in welk geval het tot de volgende dag wordt uitgesteld. Dit verbranden mag zowel in het Beit HaMikdasj als in iemands privé-tuin gebeuren.

Het soort hout dat als brandstof voor deze verbranding gebruikt wordt, is afhankelijk van de plaats waar de verbranding gebeurt. Wanneer men het vlees in zijn eigen tuin verbrandt, moet men zijn eigen hout gebruiken, maar als men het verbrandt in het Beit HaMikdasj, dan moet men het hout gebruiken dat gewijd is voor gebruik voor het altaarvuur.

Er is een duidelijke reden waarom het hout van het Beit HaMikdasj niet gebruikt mag worden voor een vuur thuis. Er bestaat altijd het gevaar dat er wat van dit hout overblijft en dan vervolgens gebruikt wordt voor privé-doeleinden, hetgeen een overtreding zou zijn van het verbod op heiligschennis van voorwerpen en materiaal van het Beit HaMikdasj. Maar waarom zou men niet zijn eigen hout mogen gebruiken bij de verbranding op het terrein van het Beit HaMikdasj?

De Geleerde Rawa verklaart de reden: Wij zijn bezorgd dat als iemand zijn eigen hout meebrengt naar het Beit HaMikdasj en vervolgens het overgebleven hout mee terug naar huis neemt, dan zou het er ten onrecht op kunnen lijken alsof hij hout van het Beit HaMikdasj had meegenomen.

Volgens deze benadering mag men wel die soorten hout mee naar het Beit HaMikdasj brengen, die nooit op het altaar gestookt worden (omdat zij niet in staat zijn een vuur lang genoeg brandend te houden), want dan zal niemand hem ervan verdenken dat hij hout van het Beit HaMikdasj gebruikt heeft.

Rabbi Joseef beweert echter, dat het verbod op privé-hout voor iedere houtsoort geldt, omdat de reden is, dat arme Joden niet beschaamd zullen worden als zij zich hun eigen hout niet kunnen permitteren, maar gedwongen zijn gebruik te maken van het hout van het Beit HaMikdasj. Een soortgelijk idee is te vinden in de voorschriften van het feest van de Joodse maagden op de Vijftiende Av, dat in Traktaat Ta’aniet (31b) beschreven wordt, waar rijk en arm kleren van anderen lenen voordat zij naar het feest gaan, ten einde diegenen die geen indrukwekkende kleding hebben, niet te beschamen.

Pesachiem 84a

Van slavernij tot aristocratie

Wanneer een Jood een bot breekt van het Pesach-offer dat hij eet, dan is hij schuldig aan overtre-ding van het Tora-verbod (Sjemot 12:46) dat dit ver­biedt, en als hij dat met opzet toch doet, nadat hij gewaarschuwd is voor de consequenties, wordt hij gestraft met geseling.

Wanneer het een mitswa is voor een Jood om het vlees van het Pesach-offer te eten, wat is er dan zo verkeerd aan als hij er een been van breekt, om zo bij het merg te komen en dat ook op te eten?

Het Sefer Hachinoech geeft een verklaring voor dit verbod, dat ook geldt voor drie andere verbo-den die in verband staan met de manier waarop het offervlees gegeten moet worden.

Het eerste Pesach-offer werd geslacht, geroosterd en gegeten op de drempel van de exodus uit de Egyptische slavernij. Maar de Joden waren niet zomaar een willekeurig volk van slaven dat be-vrijd werd uit hun slavernij. Zij waren door G-d voorbestemd om de Tora in ontvangst te nemen en om een volk van  konink­lijke aristocratie te worden. Om dit aan Zijn uitverkoren volk duidelijk te maken, gebood G-d hen om zich ook te gedragen als aristocraten, ook in hun eetgewoonten. Eén van de manieren om dit te doen, was om te vermijden dat zij zich als honden zouden gedragen, die hun botten breken om bij het beenmerg te komen, want dat is alles wat tot hun beschikking staat.

Deze verklaring werpt twee vragen op:

Wanneer dezelfde les ook gegeven werd voor de drie andere verboden, waarom was het dan nodig om zoveel geboden te hebben om hetzelfde doel te bereiken? En wanneer deze les nodig was voor het volk dat op het punt stond om te worden bevrijd uit slavernij, wat is dan de betekenis hiervan voor toekomstige generaties?

„De mens is wat hij doet,” is de fameuze regel voor het menselijk gedrag, die bij herhaling wordt toegepast door het Sefer Hachinoech, bij de verklaring van mitswot. Hoe meer iemand de geboden van Tora nakomt, des te meer ontwikkelt hij zijn spirituele persoonlijkheid. Om het maximale gevoel van aristocratie te bereiken en de verantwoordelijkheid die daarmee gepaard gaat, was er behoefte aan zoveel richtlijnen voor de wijze waarop het Pesach-offer gegeten moest worden.

Met betrekking tot de relevantie van de les voor toekomstige generaties, moeten wij in herinnering brengen wat wij zeggen in onze Haggada op Pesach over de verplichting dat iedere Jood zichzelf op deze feestdag moet beschouwen alsof hijzelf uit Egypte is getrokken. Daar Pesach een herbe-levenis is van de Uittocht, is het nodig dat Joden de ervaring van ogenblikkelijk te worden omge-vormd van slavernij tot aristocratie, herbeleven en hun speciale plaats in de wereld appriciëren.

Pesachiem 85a

Houd het binnen de familie

„In één huis moet het gegeten worden; je zult niets van het vlees buiten het huis brengen,” (Sjemot 12:46).

De Tora verbiedt het om het vlees van het Pesach-offer buiten het gezel­schap te brengen, dat ervoor heeft ingeschreven. Wie dat opzettelijk toch doet, wordt gestraft met geseling.

De woorden „naar buiten brengen” die Tora hier gebruikt, toont ons twee interessante aspecten die ogen­schijnlijk geen verband hebben met de Pesach-wetten.

De eerste is de wet, door Rabbi Ami uitgesproken, over de manier waarop dit naar buiten brengen een overtreding is, die met geseling bestraft wordt. Daar hier de woorden naar buiten brengen worden gebruikt, wordt er hier een parallel gelegd met de Sjabbat-wet, die verbiedt om iets van privé-terrein over te brengen naar publiek terrein en omgekeerd. Zoals dat op Sjabbat alleen een Tora-verbod is, wanneer men het voorwerp opneemt van de plaats waar het rustte in het ene gebied en neerlegt in het andere gebied, zo ook is iemand die Pesach-vlees naar buiten brengt alleen schuldig wanneer hij het vlees bij een ander gezelschap neerlegt.

Het andere aspect is het resultaat van het woord naar buiten, dat associaties oproept met andere offers die opzettelijk of onopzettelijk verwijderd werden van de hen door Tora aangewezen plaats. Dergelijk offer­vlees, zoals de zeer heilige soorten die het terrein van het Beit HaMikdasj niet mogen verlaten, of de iets minder heilige soorten die binnen de muren van Jeruzalem moeten blijven, worden jotsé [uitgegaan] genoemd, wanneer zij het hun toegewezen gebied verlaten hebben en mogen dan niet meer worden gegeten.

In het geval van het Pesach-offer is het door Tora voorgeschreven gebied waarbinnen het gegeten mag worden, het gezelschap, dat zich voor het Pesach-offer heeft ingeschreven. Wanneer dit Pesach-vlees uit dat gezelschap verwijderd is geweest, wordt het als jotsé beschouwd en wie dat eet heeft het verbod op het eten van jotsé overtreden en wordt gestraft met geseling.

Pesachiem 88a

Berg, Veld en Huis

Het Beit HaMikdasj van de toekomst, zegt de Profeet Jesjajahoe (2:3) zal het „Huis van de G-d van Ja’akov” genoemd worden. Waarom de G-d van Ja’akov en niet van Awraham en Jitschak?

Rabbi Elazar legt uit dat Awraham de plaats van het Beit HaMikdasj „een berg” noemde (Bereisjiet 22:14) en Jitschak noemde het een „veld” (ib. 24:63). Alleen Ja’akov noemde het „een huis” (ib. 28:19), en deze aanduiding vond gunst in de ogen van Hasjem voor het Beit HaMikdasj, waar alle volken in de toekomst naar toe zullen komen.

De Maharsja legt deze Gemara uit tegen de achtergrond van een midrasj over een koning, die een paleis wilde bouwen en die daartoe drie goede vrienden naar de bouwplaats bracht. De eerste zei dat hij zich herinnerde dat daar voorheen een berg stond en de tweede zei dat hij zich herinnerde dat daar vroeger een veld was. Maar toen de derde zei dat hij zich herinnerde dat daar vroeger een paleis had gestaan, verklaarde de koning dat hij het paleis dat hij ging bouwen, zou vernoemen naar die laatste vriend.

De patriarchen vormen de blauwdruk van de geschiedenis van hun nakomelingen. Awraham had het over het eerste Beit HaMikdasj, die de volledige bescherming genoot van de G-ddelijke Aanwe-zigheid, zoals een wachtpost op een berg veiligheid biedt. Een veiligheid die niet blijvend was, maar die eindigde in verwoesting. Jitschak had het over de Tweede Tempel, welke iets van de heiligheid van de Eerste Tempel miste en dat daardoor minder beschermd was, zoals een veld.

Ja’akov had het echter over het Beit HaMikdasj dat al bestond voordat de wereld geschapen werd (Pesachiem54a). Dit is het model voor de Derde Tempel, de G-ddelijke Woonplaats van de toe-komst, die zowel maximale G-ddelijke bescherming zal bieden, als de duurzaamheid van een huis.

Pesachiem 89b

Gevaarlijk gezelschap

Een groep mensen heeft zich verzameld voor het Pesach-offer, en dan ontdekken zij dat een van hen een vlugge eter is, met bovendien een grote eetlust, die dreigt de porties van zijn collega’s op te eten. Hebben zij het recht om tegen hem te zeggen dat hij zijn deel van het Pesach-vlees kan nemen om dat ergens anders op te eten? Kunnen zij beweren dat zij hem alleen maar in het gezelschap hebben opgenomen, om er zeker van te zijn dat het Pesach-offer volledig zou worden opgegeten, zoals bij wet vereist is, maar dat zij verondersteld hadden dat hij de normale hoeveelheid zou eten? Of kan hij erop staan dat hij het recht heeft om te blijven als betalend lid van het gezelschap en dat hem daarbij het recht gegeven is om te eten zoveel als hij kan?

De Geleerden probeerden dit probleem op te lossen met een referentie naar de Misjna, die zegt dat wanneer een van de ingeschreven leden van het gezelschap gasten meebrengt voor het Pesach-offer, zonder de toe­stemming van de andere leden, zij dan het recht hebben om te eisen dat hij de portie die hem toekomt, meeneemt en die apart van de overige deelnemers, samen met zijn gasten opeet. Het lijkt erop dat de reden, dat zij op deze scheiding kunnen aandringen, is dat de nieuwkomers dreigen de hoeveelheid vlees die voor de leden beschikbaar is, te verminderen. In een dergelijk geval zou een gulzige schrokop ook in aanmerking komen voor uitsluiting uit het gezelschap, om dezelfde redenen.

Dit bewijs wordt echter verworpen. Zelfs als er geen economische redenen zouden zijn, bijvoor-beeld als de gasten samen met hun gastheer evenveel zouden eten als hun gastheer anders alleen zou hebben gegeten, dan nog zou het gezelschap het recht hebben om bezwaar te maken om samen met hen te eten, om sociale redenen. De Misjna keurt daarom scheiding van groepen goed, op basis van de gevoeligheid van mensen, met betrekking met wie zij aan tafel willen zitten, maar dat is niet toegestaan voor iemand die zij al als lid van het gezelschap geaccepteerd hebben. Het feit dat zij niet van te voren zijn eetlust gecontroleerd hebben, kan worden geïnterpreteerd als instemming, dat hij zoveel mag eten als hij wil.

De conclusie van de Gemara, gebaseerd op een Baraita, is dat het gezelschap het recht heeft om de schrokop te verwijderen. Dat geldt zelfs voor maaltijden gedurende de rest van het jaar, wanneer er geen claim te maken is, dat zij om godsdienstige reden bij elkaar zijn, in plaats van om sociale redenen.

Scheiding om economische redenen echter, kan soms een averechtste uitwerking hebben. De Gemara vertelt het verhaal van een man die met iemand anders een maaltijd deelde. Toen hij ontdekte dat zijn collega viermaal zoveel at als hij, citeerde hij bovenstaande regeling en ging weg. Hij sloot vervolgens een overeenkomst om met iemand anders samen te eten, maar die bleek achtmaal zoveel te eten als hij. „Liever honderd van de eerste partner,” riep hij gefrustreerd uit, „dan één zoals deze!”

Pesachiem 91a

Wat doet een Jood in de gevangenis?

Gevangenschap is geen straf die door Tora opgelegd wordt bij overtreding van de wet. Geseling of de doodstraf zijn de enige straffen voor de zwaardere misdaden, die dienen tot verzoening voor de zondaar en als afschrikmiddel voor anderen. Het is daarom verbazingwekkend om in onze Gemara te lezen over een Jood die zich vlak voor Pesach in een Joodse gevangenis bevindt.

De Misjna zegt dat als een Jood beloofd werd om op tijd voor Pesach uit de gevangenis te worden ontslagen, wij hem mogen opnemen als lid van een gezelschap voor een Pesach-offer dat geslacht moet worden. Maar we mogen niet alleen voor hem slachten, want misschien wordt de belofte niet gehouden en dan zou het offer gediskwalificeerd worden, omdat er geen eters voor zijn.

Rabbi Jochanan maakt hierbij onderscheid tussen een Joodse en een niet-Joodse gevangenis. Wanneer het Joden waren die de belofte gedaan hadden, mogen we voor de gevangene alleen slachten, want we kunnen er absoluut op vertrouwen dat zij hun belofte nakomen, in de geest van wat de Profeet (Tsefanja 3:13) schrijft, dat „het restant van Israël geen onrecht zal doen, noch leugens zal spreken.”

Maar wat doet een Jood eigenlijk in een Joodse gevangenis?

Rasji geeft in zijn commentaar drie mogelijke suggesties:

1. Het Beit Din  heeft een man bevolen te scheiden van de vrouw met wie hij tegen de wet getrouwd is en hij wordt gevangen gezet, om hem zo te dwingen gevolg te geven aan hun bevel.

2. Het Beit Din heeft hem opgedragen een financiële verplichting na te komen en heeft hem in de gevangenis gegooid om hem zo te dwingen gevolg te geven aan hun bevel.

3.  Wanneer een Jood iemand tijdens een gevecht ernstig verwondt, zoals beschreven in Sjemot 21:18-19, dan wordt hij in de gevangenis vast gehouden, totdat is vastgesteld dat het slachtoffer niet zal sterven aan zijn verwondingen.

Hoewel gevangenschap niet expliciet vermeld wordt in Tora, hebben onze Geleerden dit van de hierboven genoemde verzen afgeleid (Ketoebot 33b).

Pesachiem 96a

De mysterieuze apostaat

Iemand die onbesneden is, zegt de Tora, mag niet van het Korban Pesach eten en hetzelfde geldt voor iemand wiens handelingen ervan getuigen dat hij zich van Onze Vader in de Hemel heeft gedistantiëerd.

„Iemand die onbesneden is,” legt Rasji uit, slaat niet op een Jood die het gebod van de besnijdenis verwerpt, maar het betreft iemand die terecht bang is voor de besnijdenis, omdat zijn broers daar-aan gestorven zijn. Hoewel zijn bezorgdheid terecht is, sluit Tora hem toch uit van deelname aan het Pesach-offer en reserveert het dat voor hen die het verbond met Hasjem in hun vlees hebben gegrift.

Maar hoe moeten wij de uitsluiting van de apostaat opvatten? Als Jood heeft hij immers de ver-plichting als iedere andere Jood om van het Korban Pesach te eten? Wanneer wij zijn uitsluiting niet kunnen uitleggen als een vrijstelling van deze verplichting, hoe moeten wij dan het verbod van Tora dat voor hem geldt, ver­klaren?

Tosafot (op Pesachiem 120a) geeft een fascinerende oplossing voor dit probleem. Zijn commentaar betreft iemand die een apostaat was op het tijdstip van de sjechita [het slachten] van het Korban Pesach en die daarom weigerde zich in te schrijven bij een gezelschap voor een Pesach-offer. Maar voordat het nacht werd, kreeg hij berouw van zijn weigering en wilde hij alsnog mee-eten van het offer. Hoewel hij nu een gehoorzame Jood is, die de mitswot wil in achtnemen, wordt hem de gelegenheid om van het offer te eten, geweigerd, omdat hij zich niet tijdig heeft ingeschreven bij een gezelschap voor een offerdier.

Beide Joden die worden buitengesloten van het eten van het Korban Pesach, moeten echter wel de matsa en de maror eten met een gezelschap. De Tora vindt het nodig om hen beiden apart te ver-melden, om aan te duiden dat zij beide inbegrepen zijn bij deze mitswot. Wanneer alleen een onbesnede was genoemd bij de mitswa van eten van matsa en maror, dan hadden we kunnen denken dat dit zo was, omdat hij zich altijd aan de mitswot gehouden had, hetgeen niet geldt voor de apos-taat. Aan de andere kant, wanneer alleen de berouwvolle apostaat was genoemd bij de mitswa  van het eten van matsa en maror, dan hadden we kunnen denken dat de reden hiervoor was, dat er niets aan zijn lichaam ontbreekt, hetgeen niet het geval is bij de onbesnedene, wiens fysieke toestand als een gebrek beschouwd wordt. De Tora vertelt ons daarom dat hoewel geen van beide van het Korban Pesach mag eten, zij wel matsa en maror moeten eten.

 

Pesachiem 99a

Gezegende Stilte?

Stilte is goed voor de wijze, zeggen onze Geleerden, en zoveel te meer voor de dwazen, zoals Koning Salomo opmerkt in Misjlei (17:28): „Zelfs een dwaas die zich stil houdt, lijkt op een wijze.”

Dit eerbetoon aan de stilte schijnt de woorden van Rabbi Sjim’on ben Gamliël te bevestigen, die verklaarde: „Ik ben mijn hele leven opgegroeid tussen de wijzen en ik heb niets zo weldadig voor iemand gevonden dan stilte” (Awot 1:17).

Maar wat voor stilte wordt er hier bedoeld?

Het geval dat in onze Gemara genoemd wordt, betreft de vermijding van overvloedige uitspraken, die pro­blemen kunnen veroorzaken, zoals bijvoorbeeld de verklaringen van de leden van een gezelschap, waarvan het dier dat tot Pesach-offer bestemd was, is zoekgeraakt. Rabbi Sjim’on aan de andere kant heeft het over de stilte die door iemand in acht genomen wordt, en die niet reageert op de beledigingen die hem naar het hoofd geslingerd worden.

Deze positieve kant van de stilte is in overeenstemming met de traditionele tekst van de Misjna in Awot, zoals die geciteerd wordt door Rabbi Ovadia van Bartenoera. DeTiferet Jisrael citeert een andere tekst, die hij interpreteert als een veroordeling van stilte: „Ik heb in stilte niets gevonden dat ten gunste van iemand is.” Stilte, legt hij uit, heeft hier betrekking op de Tora-student die het nalaat zijn mond open te doen als hij voor zijn leermeester zit. Niet alleen zal zijn stilte de indruk wekken dat hij te stom is om iets te zeggen, of te arrogant om zich de moeite te nemen om commentaar te geven, maar het zal ook een negatief effect hebben op zijn leren. Want alleen door zijn vragen en de antwoorden van zijn leraar kan het onderwerp dat geleerd wordt, behoorlijk verklaard worden. Hardop leren is ook een hulpmiddel om het geleerde beter te onthouden. De Gemara (Eroevien 54a) wijst erop, dat wanneer men Tora in stilte studeert, men het gevaar loopt om het geleerde snel weer te vergeten.

Pesachiem 99b

Wat zouden we kunnen eten?

Men moet niet op de dag voor Pesach vlak voor de avond eten, zegt de Misjna aan het begin van het laatste hoofdstuk van Traktaat Pesachiem. De reden die de Gemara geeft is dat het belangrijk is voor een Jood om zijn eetlust te bewaren voor de matsa die hij van Tora verplicht is om die avond te eten.

Maar wat zouden wij kunnen eten?

Dit is de vraag die Tosafot stelt. Het is ons verboden om chameets te eten na het eerste derde deel van de dag, zoals wij reeds eerder in dit traktaat geleerd hebben, dus is het niet nodig om nogmaals te vermelden dat het verboden is een broodmaaltijd te eten gedurende het laatste gedeelte van de dag. En wat betreft het eten van matsot, vinden we in de Talmoed Jeroesjalmi een verbod op het eten van matsa gedurende de hele dag voor Pesach, omdat de tijd voor de mitswa nog niet is aangebroken. De Misjna kan het ook niet hebben over voedsel dat noch chameets noch matsa is, want zulk voedsel is expliciet gepermitteerd (Pesachiem 107b) tot de avond.

De wat zouden wij kunnen eten op dit late uur, als onze Misjna het ons niet had verboden?

Twee oplossingen voor dit probleem worden geboden:

Tosafot suggereert dat wij gedurende het laatste kwart van de dag matsa asjira [lett.: rijke matsa] kunnen eten, welke gebakken wordt van meel met een andere vloeistof dan water (wat wij tegen-woordig een ei-matsa noemen). Daar geen water gebruikt wordt, vindt geen gisting plaats en daarom wordt dat niet als chameets beschouwd. Een dergelijke matsa kan niet dienst doen voor de mitswa om op de Seder-avond matsa te eten, want matsa wordt in Tora gedefiniëerd als lechem oni – brood van de armoede – hetgeen een „rijke matsa” uitsluit. Daar een dergelijke matsa niet ge-schikt is om er de mitswa mee te doen, geldt het hierboven vermelde verbod dat in de Jeroesjalmi genoemd wordt, niet. Het is daarom dit soort matsa dat men waarschijnlijk zou eten op de dag voor Pesach tot aan het late uur dat in onze Misjna vermeld wordt.

(Hoewel dit het probleem oplost, moet worden opgemerkt dat het de Aasjkenazische gewoonte is om geen matsa te eten die met andere vloeistoffen gebakken zijn dan met water, want we respec-teren de regeling van sommige autoriteiten dat zelfs dergelijke vloeistoffen chameets kunnen maken, met name wanneer er een druppel water bij het mengsel gevoegd is. Zie de Sjoelchan Aroech Orech Chaim 462:4, waar de Rama schrijft dat het de gewoonte is om dergelijke matsa te gebruiken voor diegenen die te ziek of te oud zijn om gewone matsa te eten.)

Een andere benadering komt voort uit het commentaar van de Rambam op onze Misjna. Hoewel het op de dag voor Pesach is toegestaan om voedsel te eten dat noch chameets, noch matsa is, moet men toch zorgvuldig vermijden daar grote hoeveelheden van te eten op een gevorderd uur van de dag, ten einde zijn eetlust te bewaren voor de matsa tijdens de Seder.