Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 27 Ijar 57665766

Traktaat Pesachiem 101-121 Nr.  105

Uit: The Weekly Daf

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Havdala een beetje anders

Daf 102b

Wanneer een Jom Tov [feestdag] begint op motasaei Sjabbat [zaterdag avond], is er een klein verschil in de gewone Havdala over wijn, waarmee de heilige dag wordt afgesloten. Er wordt iets aan toegevoegd en iets uit weggelaten.

De toevoeging is de Kiddoesj – inwijding – die de heiligheid uitspreekt van de komende Jom Tov. Er is een verschil van mening onder de Geleerden over de vraag wat eerst komt: Kiddoesj of Havdala. Wij volgen de mening dat Kiddoesj eerst komt. De commentatoren geven hier twee redenen voor.

De eerste reden is dat het belangrijker is om de volgende feestdag heilig te verklaren (hetgeen gebeurt door middel van de Kiddoesj), dan om het onderscheid (havdala) te benadrukken tussen tussen Sjabbat en alle andere dagen. Daarom verdient Kiddoesj voorrang.

Een andere reden die genoemd wordt, waarom havdala naar de tweede plaats geschoven wordt, is dat als men dat eerst zou uitspreken, dat een indruk zou wekken dat men blij is om de last van de Sjabbat van zich af te kunnen werpen en dat men daarom zo snel mogelijk de havdala wil uitspreken.

Wat aan de vooravond van een Jom Tov uit de havdala voor de afsluiting van Sjabbat wordt weggelaten is de beracha over de besamiem [geurige kruiden], die normaliter gezegd wordt. Hiervoor worden twee redenen gegeven door de commentatoren, beide gebaseerd op de overweging dat er geen noodzaak is voor de besamiem. De reden dat wij aan de kruiden ruiken bij de het einde van een gewone Sjabbat, is om onze ziel te troosten voor het trauma dat veroorzaakt wordt door het vertrek van de nesjama jetera (de extra ziel), die ons de gehele Sjabbat vergezeld heeft. Daar deze nesjama jetera ons ook op Jom Tov begeleidt, hebben wij niet zoveel last van het trauma en hebben wij de troost met behulp van de besamiem niet nodig.

Tosafot vindt deze verklaring echter moeilijk, want het werpt de vraag op waarom wij dan niet aan de besamiem snuffelen bij het einde van de Jom Tov om ons te troosten als dan de nesjama jetera ons verlaat. Hij geeft daarom een andere verklaring, namelijk dat de vreugde van de Jom Tov en de overvloed van heerlijk voedsel en drinken de troostende werking van de besamiem vervangen en daarom zijn die nu over­bodig geworden. [En Tosafot meen dat op Jom Tov wij geen nesjama jetera hebben.]

Het grote verschil

Daf 104a

Havdala, die speciale lof voor G-d die Joden zeggen in hun avondgebed bij het uitgaan van de Sjabbat en die zij nog eens herhalen over een beker wijn, is gebaseerd op de interpretatie door onze Geleerden van de woorden van Tora: „Gedenk de Sjabbat om die te heiligen,” dat de heiligheid van die dag aan het begin met Kiddoesj moet worden uitgespoken en met havdala aan het eind.

De essentie van deze lofuiting is een verklaring van de scheiding die G-d gemaakt heeft tussen Sjabbat en de werkdagen, en wij doen dit door drie klassieke scheidingen te noemen. Eerst en vooral is daar de „scheiding tussen heilig en niet-heilig,” die herhaald wordt aan het einde van de beracha in de woorden „tussen de zevende dag en de zes werkdagen.” Zij richten de aandacht op het verschil tussen Sjabbat en de werkdagen. De andere twee scheidingen die genoemd worden zijn die tussen ‘licht en duisternis’ en tussen ‘Israel en de volken.’

Sommige Talmoed-Geleerden breidden het aantal scheidingen uit tot zeven. Zij voegden daaraan toe ‘tussen rein en onrein,’ ‘tussen de wateren boven en de wateren onder’ [ten tijde van de Schepping], ‘tussen Kohaniem en Levieten’ en ‘tussen Levieten en Israëlieten.’

Betreffende de afsluitende tekst was er een minderheid die meende dat G-d geprezen moest worden als de „Heiligmaker van Israël.” Dit werd verworpen, en daarvoor in de plaats werd ingevoegd: „Die het heilige van het profane scheidt,” hetgeen een bevestiging is van de eerder genoemde scheiding, dat dit de essentie is van de verklaring.

De Grote Kiddoesj

Daf 106b

Toen hij in een hem onbekende gemeenschap was, werd Rav Asji geëerd doordat hij voor de gemeente Kiddoesj mocht maken over wijn op Sjabbat-ochtend.

„Wilt U altsublieft Kiddoesj Rabba voor ons zeggen,” vroegen zij hem.

Kiddoesj Rabba? vroeg Rav Asji zich verwonderd af. Hij had die uitdrukking nimmer eerder gehoord en hij vroeg zich af wat dat voor een Kiddoesj was die in deze gemeente tradioneel gezegd werd. Hij besloot het volgende:

Ieder Kiddoesj begint met de zegen over wijn – „Borei Perie HaGafen.” Dus daarmee begon hij, en vervolgens pauseerde hij even. Wanneer niemand van de aanwezigen van hun beker wijn zou drinken, dan zou hij aannemen dat het de traditie van deze gemeente was om de langere Kiddoesj van vrijdag avond op Sjabbat-ochtend te herhalen, en dan zou hij daarmee verder gaan. Toen hij zag dat een van de oudere leden van de gemeente zich over zijn wijn boog, om daarvan te drinken, begreep hij dat hun minhag [traditie] niet afweek van de zijne en dat hun Kiddoesj uit niet meer dan die ene beracha bestond. Hierop bedacht Rav Asji dat het volgende vers op hemzelf van toepassing was: „Een wijs man heeft zijn ogen in zijn hoofd” (Prediker 2:14) [d.w.z. een wijs man heeft een vooruitziende blik].

Maar waarom wordt deze Kiddoesj, die alleen bestaat uit een enkele beracha, Kiddoesj Rabba – de Grote Kiddoesj genoemd (de verzen uit Tora en de Profeten die traditioneel ook gezegd worden bij de ochtend-kiddoesj zijn geen essentiëel onderdeel van de Kiddoesj)?

De Tora gebiedt ons om de Sjabbat te gedenken en te heiligen, hetgeen ons verplicht de heiligeheid van de Sjabbat verbaal uit te spreken. Onze Geleerden hebben ons geleerd om dit gebod uit te voeren door deze verklaring op te nemen in de Kiddoesj die wij bij het begin van de Sjabbat uitspreken en daarvoor hebben zij een speciale tekst ontworpen, die eindigt met de lof voor Hasjem als „Hij die de Sjabbat heiligt.” Daar de Sjabbat-maaltijd die overdag gegeten wordt, meer eer geeft aan de heiligheid van de dag dan de avond­maaltijd, heben onze geleerden ingesteld om ook overdag een symbolische Kiddoesj te maken. Maar om onderscheid te maken tussen de Kiddoesj voor de avond, die door Tora geboden is, en de Kiddoesj voor de Sjabbat-ochtend, die door de Rabbanan ingesteld is, beperkten zij de tekst tot een enkele beracha over wijn.

Rasjbam legt uit dat deze Kiddoesj van een enkele beracha deze grootse naam heeft gekregen omdat het de algemene opening is van de Kiddoesj voor iedere Sjabbat en Jom Tov.

De Ran neemt een bijna tegenovergesteld standpunt in, door te suggereren dat deze titel een eufemisme is om de beknoptheid van de Kiddoesj te verbloemen, op dezelfde manier als dat wij over een blinde spreken als over „iemand met veel licht.”

Wie vast er op Erev Pesach?

Daf 108a

Op Erev Pesach [de dag voor Pesach] is in iedere synagoge over de hele wereld hetzelfde beeld te zien: een groep mannen die zich daar verzameld heeft om deel te nemen aan een si’oem (beëindiging) van een traktaat van de Talmoed, hetgeen gevolgd wordt door iets te eten en te drinken.

De achtergrond van deze traditie  is de gewoonte dat de eerstgeboren zonen op deze dag moeten vasten. Dit vasten, waarvan de bron te vinden is in traktaat Sofriem 21:3, is ter nagedachtenis aan de Joodse eerst­gebo­renen  die gespaard werden toen G-d alle Egyptische eerstgeborenen doodde op de dag voor de Uittocht. Daar het alleen maar een gewoonte is om te vasten, is deelname aan een se’oedat mitswa – een maaltijd die gegeten wordt wegens een mitswa – zoals die welke men gebruikt ter viering van een si’oem, een gelegenheid om de eerstgeborene te ontslaan van het vasten.

In onze Gemara refereert Tosefot aan de gewoonte om te vasten, in zijn commentaar op het vasten van Rav Sjesjet de hele Erev Pesach. Aanvankelijk werd verondersteld dat het doel van zijn vasten verbonden was aan een bezorgdheid, dat het misschien verplicht was te vasten in de tijd van het Beit HaMikdasj. Er is een mening die zegt, dat hoewel het Pesach-offer in de namiddag geslacht hoort te worden, men zijn mitswa gedaan heeft, wanneer het ’s ochtends geslacht is. Iemand die zeer strikt was in de naleving van de mitswot, zou dan vasten vanaf het begin van de dag, ten einde niet te vergeten dat hij zijn offer nog moest brengen.

Deze benadering wordt verworpen ten gunste van de veel eenvoudigere verklaring, namelijk dat Rav Sjesjet zo weinig trek had, dat wanneer hij ’s ochtends at, hij ’s avonds geen trek meer zou hebben in de matsa.

Gesuggereerd wordt, dat dit de basis is voor het standpunt van de Rambam, hetwelk in ons artikel over daf 99b genoemd werd, dat alle mensen, zelfs diegenen met een normale honger, zich moeten onthouden van te veel te eten gedurende het laatste kwart van de dag voor Pesach.

Het is best mogelijk, zegt Tosefot, dat Rav Sjesjet niet werkelik vastte, maar zich alleen maar de hele dag onthield van te veel eten, zoals wij dat doen op het eind van de dag. Het is echter mogelijk dan hij een formele vasten op zich nam, ten einde er zeker van te zijn dat hij niet zichzelf zou vergeten en zijn eetlust voor de matsa zou verknoeien.

Gelijkheid voor vrouwen

Daf 108b

Vrouwen zijn in het algemeen vrijgesteld van positieve geboden die tijdge­bonden zijn, zoals het luisteren naar de sjofar, het zitten in de soeka, en het schudden van de loelav. Er zijn op die regel echter een paar uitzonderingen. Eén daarvan is de verplichting om vier bekers wijn te drinken op de Seder-avond van Pesach.

De verklaring die Rabbi Jehosjoea ben Levi hiervoor geeft, is dezelfde als die welke gegeven wordt voor hun verplichting om te luisteren naar het voorlezen van de Megillat Ester op Poeriem en voor hun verplichting om lichtjes aan te steken op Chanoeka: „Ook zij waren betrokken bij het wonder.”

Wat betekent het dat „zij ook betrokken waren bij het wonder”?

De Rasjbam geeft het volgende antwoord: De vrouwen waren in feite de katalysator van deze wonderen. Ester was de heldin van Poeriem, Jehoedith de heldin van Chanoeka en „dankzij de verdiensten van de rechtvaardige vrouwen van die generatie,” zeggen onze Geleerden, „werden onze voorouders verlost uit Egypte.” (Sota 11b).

Tosafot valt deze benadering aan, omdat de woorden „ook zij” suggereren dat zij niet de hoofdpersonen waren in het drama. Een alternatieve verklaring is dat zij bedreigd werden door de gevaren die aan die wonderen voorafgingen.

Maar waarom, vraagt Tosafot, zijn vrouwen niet verplicht om in de soeka te zitten? Voor het antwoord van de Rasjbam is dat geen probleem, want wij vinden geen heldin die een rol gespeeld heeft, welk een belangrijke bijdrage geleverd heeft voor de bewerkstelliging van het wonder de G-ddelijke bescherming van onze voorouders tegen het harde klimaat van de woestijn. Maar het vormt wel een probleem voor de verklaring van Tosafot, want vrouwen hadden net zoveel te lijden van het klimaat van de woestijn en genoten op dezelfde manier van de G-ddelijke bescherming als de mannen.

Tosafot legt uit, dat met betrekking tot een Tora-gebod dat tijdgebonden is, vrouwen daarvan zijn vrijgesteld, zelfs als zij geprofiteerd hebben van het wonder dat daarmee verbonden is. Alleen met betrekking tot rabbijnse geboden – zoals de megilla, Chanoeka en de vier bekers wijn – hebben de Geleerden de vrouwen verplicht omdat „ook zij” gered werden door het wonder.

Een bewaakte nacht

Daf 109b

Leil sjimoeriem – een nacht van bewaring” is de manier waarop Tora (Sjemot 12:42) de avond van Pesach beschrijft [volgens de vertaling van Opperrabbijn Onderwijzer, „een nacht van waken” vertaalt Dr. Dasberg].

In zijn commentaar op de Choemasj legt Rasji uit dat het een „gewaakte nacht voor Hasjem” genoemd wordt, omdat Hij lang gewaakt en gewacht had tot de tijd zou komen om Zijn belofte te vervullen om de nakomelingen van Awraham te verlossen uit de Egyptische slavernij.

Maar Rabbi Nachman past de uitdrukking in onze Gemara op een andere manier toe – het is een nacht waarop wij bewaakt worden door Hasjem en wij niet de mysterieuze krachten die ons anders bedreigen, hoeven te vrezen.

De Maharsja verklaart dat het eerste deel van de zin, dat spreekt over een „door Hasjem gewaakte (of bewaakte) nacht” inderdaad slaat op het wachten van Hasjem op het moment van de verlossing. Maar het vers eindigt met de woorden: „een bewaking [Rabbijn Onderwijzer vertaalt met ‘inachtneming’] door alle Israëlieten in al hun generaties.”

Deze bewaking heeft in de eerste plaats betrekking op het bewaken door Hasjem van de Joodse huizen, toen Hij de Egyptische eerstgeborenen doodde op de dag voor de Exodus en de Joden verzekerde dat „de plaag jullie zal niet treffen” (Sjemot 12:13). De toevoeging „In al hun generaties” breidt deze garantie van G‑ddelijke bescherming uit tot iedere Pesach in de geschiedenis.

Wij hebben twee bekende gewoontes om ons aan het feit te herinneren dat het een „bewaakte nacht” is. De ene is het openen van de deur tijdens de Seder, om aan te geven dat wij niets te vrezen hebben. De ander is het weglaten van de speciale psalmen die wii gewoonlijk zeggen bij het Sjema voor het naar bedgaan, waarvan het doel is om de boze geesten die ons in onze slaap bedreigen, af te weren.

Het was een „gewaakte nacht” voor Hasjem vóór de Exodus. Het was een „bewaakte nacht” voor onze voorouders tijdens de Exodus. En het blijft een „nacht van bescherming” voor ons, ieder jaar dat wij de Exodus gedenken en vieren.

Het boemerangeffect van de omgeving

Daf 116a

De sociale natuur van de mens maakt hem zeer kwetsbaar voor de invloe­den van zijn omgeving, ten goede, maar ook anders.

Terwijl de gangbare invloed van de omgeving in overeenstemming is met de normen, is er soms het boemerangeffect van iemands omgeving, waardoor hij in de tegenovergestelde rich­ting beland.

Dit zal ons helpen beter te begrijpen waarom onze Misjna ons opdraagt het voorlezen van de Haggada te beginnen met ons onverkwikkelijk verleden, om pas daarna te spreken over onze huidige glorie. De Geleerde Rav legt uit dat we deze opdracht vervullen door te vertellen dat onze „voorouders afgodendienaren waren… Terach, de vader van Awraham en Nachor, en zij aanbaden afgoden.”

Waarom is het nodig om onze afstamming terug te voeren tot de afgodendienende vader van Awraham?

In zijn klassieke ethische werk „Michtav Mé-Eliahoe” suggereert Rabbi Eliahoe Dessler dat wij er daarmee op willen wijzen dat de ontwikkeling van de Patriarch Awraham tot een gigant van geloof en monotheïsme ten zeerste was beïnvloed door zijn immuniteit voor afgoderij als gevolg van zijn blootstelling aan de corruptie van zijn omgeving.

Hetzelfde geldt voor wat de Geleerde Sjmoeël suggereert als een referentie aan onze nederige afkomst: „Wij waren slaven van Farao in Egypte.” Toen G-d Zijn uitverkozen volk voorbereidde op de geheiligde rol van de ontvangst van Zijn Tora, nam G-d hen niet mee naar de heiligste plaatsen, maar naar het land dat het voorbeeld was voor geestelijke corruptie. Het was daar dat de omgeving een boemerangeffect had, door hen te injecteren met een immuniteit tegen een levensteil die tegengesteld was aan de waarden die G-d van de mens verwacht.

Pas nadat wij op deze manier teruggekeken hebben op ons begin als volk, zijn wij in staat om datgene wat zich daaruit ontwikkeld heeft, te appreciëren. Van voorouders, die afgoden dienden, werden wij tot een volk „dat de Alomtegenwoordige tot Zijn dienst gebracht heeft,” en als slaven in een corrupt land „nam G-d ons daaruit met sterke hand en uitgestrekte arm.”

Door te beginnen met een beschamend verleden, wordt misschien deze belangrijke les gegeven in het boe­merang­effect van de omgeving. Maar het voornaamste doel is om ons te leren hoeveel wij G-d schuldig zijn voor de happy ending om vrij te zijn en te Tora te mogen ontvangen.

Het snelle bakken

Daf 116b

„Waarom eten wij deze matsa?” Dit is de rethorische vraag die wij iedere Sederavond stellen, als wij de Haggada lezen.

Wij antwoorden dat de reden het haastige vertrek  van onze voorouders uit Egypte is : „En zij bakten het deeg, dat zij meegevoerd hadden uit Egypte, tot matsa-koeken, want het was niet gezuurd, want zij waren verdreven uit Egypte en zij konden niet dralen” (Sjemot 12:39).

Wat zouden onze voorouders gedaan hebben als hun meer tijd was gegeven?

Er zijn twee volkomen verschillende benaderingen van deze vraag.

De Ran schrijft in zijn commentaar op onze Gemara dat zij het zouden hebben toegestaan chameets te worden en zij zouden er brood van gemaakt hebben. Hoewel het ons in de Sinai verboden was om chameets te eten of zelfs maar in bezit te hebben gedurende de hele zeven dagen van Pesach, vond deze eerste Pesach plaats voordat wij de Tora hadden ontvangen en daarvoor golden andere regels. Het verbod op het eten van chameets gold alleen voor de eerste dag, en er bestond zelfs die eerste dag geen verbod op het in bezit hebben van chameets. Wanneer zij voldoende de tijd hadden gehad, dan hadden zij hun deeg tot broden gebakken, die zij de dag na de uittocht hadden kunnen eten. Aldus de Ran.

Ramban, in zijn commentaar op de Choemasj, verwerpt deze benadering, omdat hij beweert dat zelfs op de eerste Pesach het de Joden verboden was chameets in bezit te hebben. Wanneer zij meer tijd zouden hebben gehad, is zijn conclusie, dan hadden zij matse’s gebakken in de comfortabele omgeving van hun huizen en dan hadden zij de kant en klare producten meegenomen, in plaats van het deeg dat zij nu moesten meedragen en dat zij allen maar op een improvisorische manier op hun eerste stopplaats konden bakken.

Deze benadering werpt de vraag op hoe zij het konden vermijden dat het deeg automatisch chameets zou worden wanneer het zolang bewaard moest worden. Natuurlijke en bovennatuurlijke verklaringen hiervoor zijn te vinden in de Midrasj, Targum Jonatan ben Uziël en in de commentaren van de Or HaChaïm en de Malbim.

Een beloning voor de beloning

Daf 118a

Hodoe leHasjem kie tov, kie le’olam chasdo – Dank Hasjem, want Hij is goed, want Zijn liefde is eeuwig”

(Tehilliem 136:1).

Dit is waarschijnlijk het meest populaire vers van Hallel, dat wij zeggen tijdens de Seder en gedurende de hele Pesach-week en op andere feestdagen. Rabbi Chisda biedt een fascinerend perspectief voor Hasjems buitengewone barmhartigheid, gebaseerd op dit vers.

Wanneer een Jood trouw is aan Hasjem, wordt hem G-ddelijke bescherming van zijn bezittingen beloofd. Zoals Tora zegt (Sjemot 34:24): „Niemand zal je land begeren, wanneer je zult optrekken om te verschijnen voor de Eeuwige je G-d, drie maal per jaar” (Sjemot 34:24). De Geleerde Issi ben Jehoeda verklaart  (Pesachiem 8b) dat dit betekent dat zelfs al is iemand niet thuis, zijn koe veilig zal kunnen grazen, zonder dat een wild beest het aanvalt en de kippen zullen rondscharrelen, op zoek naar hun voedsel, zonder dat zij door katten bedreigd worden.

Maar wanneer een Jood zijn verantwoordelijkheid voor de naleving van Tora verwaarloost, en hij aan zijn verplichtingen herinnerd moet worden, dan zal Hasjem niet onmiddelijk zijn lichaam of leven treffen. Hij stuurt eerst een waarschuwing in de vorm van een terugtrekking van die materiële zegeningen die Hij gegarandeerd heeft. De rijke zal zijn os verliezen en de arme zijn schaap, de wees zijn ei en de weduwe haar kip. Het is met het goede dat Hij de mens gegeven heeft, dat Hij hen in staat stelt verzoening te verkrijgen voor hun zonden en dit is inderdaad een uitdrukking van liefdevolle goedgunstigheid.

Daar het duidelijk is dat het Hasjems voorkeur heeft om de mensen te zegenen met bezittingen, kunnen wij inzicht verkrijgen, zoals Tifferet Jisrael suggereert, in de verklaring van de Geleerde Sjim’on ben Azzai, dat: „De beloning voor een mitswa is een mitswa” (Awot4:2). Daar het de G-ddelijke wil is om het succes van de mens te vergroten  als beloning voor gehoorzaamheid, krijgt degene die een mitswa doet niet alleen een beloning voor gehoorzaamheid maar ook voor het veroorzaken van voorspoed en succes. Het tegenoverge­stel­de geldt voor de zondaar. „De straf voor een zonde is een zonde.” Dat betekent dat de zondaar verantwoordelijk gehouden wordt voor de vernietiging van bezittingen. In deze zin worden zonders „vernietigers van de wereld” genoemd, terwijl de rechtvaardigen „de bewakers van de wereld” genoemd worden (Awot 5:1).