Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   17Eloel 5766

Traktaat Soeka 2-6 Nr.116 

 Soeka Daf 2

De hoogte van een soeka

Er is een debat in de Misjna betreffende een soeka die hoger is dan twinter ammot [el]. De Chachamiem beweren dat dit ongeldig is en Rabbi Jehoeda beweert dat hij wel geldig is. Een soeka die kleiner is dan tien tefachiem [handbreedtes] of die niet minstens drie wanden heeft, of waar meer zon dan schaduw is, is ongeldig.

De hoogte van een korach

De Gemara haalt een Misjna in Eroevien aan, waar een debat vermeld wordt betreffende een mavoi [steegje] waarvan de korach [dwarsbalk ter afsluiting van het steegje] hoger ligt dan twintig ammot. De Geleerden beweren dat de afsluiting niet geldig is [en dat men dus in het steegje op Sjabbat niet mag dragen en vervoeren], maar dat men de korach moet verlagen tot onder de twintig ammot. Rabbi Jehoeda meent daar dat men de korach niet hoeft te verlagen. De Gemara geeft twee verklaringen waarom de Misjna in Eroevien een remedie geeft maar in onze Misjna dat niet geeft.

Waarom een hoge soeka ongeldig is

De Gemara geeft verschillende verklaringen waarom een soeka die hoger is dan twintig ammot ongeldig is. Een reden die genoemd wordt is, dat als iemand in de soeka zit, waarvan het schach [de bedekking] hoger is dan twintig ammot, hij het schach niet opmerkt en zo niet in de gaten heeft dat hij in een soeka zit. Een tweede reden is dat men bij een zo hoge soeka niet in de schaduw van het schach zit, maar in de schaduw van de wanden. Een derde reden is dat een soeka een tijdelijke woning moet zijn en om een soeka te bouwen met een dak dat hoger is dan twintig ammot, moet men een zwaardere constructie van de wanden maken, die permanent is. En een permanente woning is ongeldig als soeka.

Rabbi Josjioa heeft gezegd, dat als de wanden van de soeka tot aan het schach reiken, zelfs de Geleerden ermee instemmen dat de soeka geldig is, want als men dan naar de wanden van de soeka kijkt, gaan de ogen vanzelf omhoog en ziet men het schach.

Het grondoppervlak van de soeka

Rav Hoena heeft gezegd in naam van Rav dat een soeka die een groot vloeroppervlak heeft van vier bij vier ammot ook volgens de Geleerden een geldige soeka is, ook al is hij hoog, want omdat het oppervlak nu groot genoeg is, kan men toch in de schaduw van het schach zitten.

Rav Chanan heeft gezegd dat als de soeka groot genoeg is dat iemand daar met zijn hoofd en het grootste deel van zijn lichaam en zijn tafel in kan zitten, ook de Chachamiem ermee instemmen dat de soeka geldig is.

De soeka van Koningin Helena

Rabbi Jehoeda brengt een bewijs voor zijn stelling dat een soeka van hoger dan twintig ammot geldig is, van een gebeurtenis met Koningin Helena. De koningin zat eens in een soeka die hoger was dan twintig ammot, toen zij bezoek kreeg van de Geleerden van het Sanhedrin, en die zeiden haar niet dat haar soeka ongeldig was. De Geleerden brengen hier tegenin dat dit niets bewijst, want een vrouw heeft geen verplichting om in een soeka te zitten en daarom zeiden de Geleerden waarschijnlijk niets.

Rabbi Jehoeda verdedigde zich echter met de opmerking dat Koningin Helena zeven zonen had, en dat op zijn minst één daarvan wel de op leeftijd moet hebben gehad dat hij de verplichting heeft om in een soeka te zit­ten. En verder was Koningin Helena erg precies in de naleving van alles wat de Geleerden tegen haar zeiden. Hieruit blijkt dat haar soeka geldig moet zijn geweest.

Soeka Daf 3

De soeka van Koningin Helena (vervolg)

De Gemara concludeert dat de soeka van Koningin Helena uit verschillende afdelingen bestond. De koningin zat in een kleine kamer om redenen van fatsoen en daar vrouwen zijn vrijgesteld van de mitswa om in een soeka te wonen, kon het de koningin niet schelen dat de soeka hoger was dan twintig aammot, en dat haar soeka dus niet kosjer was. Het debat tussen de Geleerden en Rabbi Jehoeda betrof de afdeling waar de kinderen zaten. Rabbi Jehoeda meende dat de kinderen bij hun moeder zaten en dan is het inderdaad een bewijs dat een soeka die hoger is dan twintig ammot, kosjer is. De Geleerden echter meenden dat de koningin en de kinderen in aparte vertrekken zaten en dat de kinderen in een kamer zaten waar het schach lager lag dan twintig ammot was, en daarom was dit geen bewijs dat een soeka die hoger is dan twintig ammot, kosjer is.

Het meningsverschil tussen Beit Sjammai en Beit Hillel

De Gemara concludeert dat Beit Sjammai en Beit Hillel in twee gevallen van mening verschilden over de minimum afmeting voor een soeka. Beit Sjammai meent dat de soeka groot genoeg moet zijn opdat iemands hoofd, het grootste deel van zijn lichaam en zijn tafel erin passen. Beit Hillel meent dat het zelfs al voldoende is zonder tafel. Beit Sjammai en Beit Hillel verschillen ook van mening over de afmetingen van een soeka die aan een huis grenst, als de tafel in het huis staat. Volgens Beit Sjammai kan iemand zijn verplichting niet op deze manier doen, omdat we bang zijn dat hij door de tafel in het huis wordt „getrokken”, maar Beit Hillel is het daar niet mee eens.

Een „huis” van vier bij vier ammot

Rebbi meent dat een soeka minstens vier bij vier ammot moet meten, om een geldige soeka te zijn. Een Baraita noemt een heleboel regels waaraan een huis, dat kleiner is dan vier bij vier ammot, niet hoeft te voldoen. Zo’n huis is vrijgesteld van de verplichting om een mezoeza aan de deurpost te bevestigen. Men hoeft op het dak van zo’n huis ook geen borstwering te maken, om te voorkomen dat iemand daar af zou vallen. De reden voor deze regelingen is dat de Tora deze voorschriften geeft voor een bajit – een huis, en een huis dat zo klein is, is geen huis.

Een huis van dergelijke afmeting hoeft ook niet bij te dragen in een eroev chatserot[1] met de andere huizen in de chatseer[2]. Verder kan de eroev van de binnenplaats niet in zo’n huis geplaatst worden. De reden hiervoor is dat een huis van dergelijke afmetingen niet geschikt is om in te wonen.

Het verschil tussen een eroev en een sjitoef

Hoewel de eroev voor de binnenplaats niet in een huis van vier bij vier ammot geplaatst kan worden, kan een sjitoef[3], die het mogelijk maakt om tussen een binnenplaats en een aangrenzende mavoi[4] te dragen, wel in dit huis geplaatst worden. De reden voor dit onderscheid tussen een eroev en een sjitoef is, dat het doel van een eroev is dat alle bewoners aan de binnenplaats beschouwd kunnen worden alsof zij de bewoners van één huis zijn, n.l. het huis waar de eroev ligt, en dat huis moet dus geschikt zijn voor bewoning. Een sjitoef voor een mavoi functioneert echter als een samensmelting van de binnenplaatsen aan de mavoi, maar niet als woning. Zolang de sjitoef in een beschermde plaats ligt binnen de nu gemeenschappelijke binnenplaats, is het geldig en dat mag zijn op een plaats die kleiner is dan vier bij vier ammot.

De verdeling van een binneplaats over de verschillende huizen

Als twee broers een binnenplaats erven, waaraan een groot huis en drie kleine huizen gelegen zijn, en de broers verdelen de binnenplaats en de huizen: één broer krijgt het grote huis en de andere de drie kleine huizen. Hoe verdelen zij de binnenplaats?

Rav Hoena zegt: de broer die de drie (kleine) huizen kreeg, heeft recht op driekwart van de binnenplaats en de eigenaar van het grote huis krijgt de rest. Volgens hem fungeert de binnenplaats voornamelijk als doorgang tussen de huizen en de straat en als een plaats waar paketten goederen kunnen worden geleverd en worden uitgeladen. Dus de hoeveelheid binnenplaats is gerelaterd aan het aantal huizen dat men bezit aan die binnenplaats.

Rav Chisda meent echter dat iedere broer vier ammot krijgt voor iedere huisingang, en de rest verdelen de broers gelijk onder elkaar. Een huis van minder dan vier bij vier ammot heeft geen aandeel in de binnenplaats, want alleen een huis dat permanent is heeft daar recht op, maar een huis dat kleiner is dan vier bij vier ammot, zal niet blijven bestaan maar worden afgebroken op den duur. Het huis is dus ongeschikt voor permanente bewoning en heeft geen deel van de binnenplaats nodig.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Soeka Daf 4

Omhoog en opzij

Een soeka moet op zijn minst drie wanden hebben. Bepaalde voorschriften waren aan Mosjé door Hasjem op Sinai gegeven, hoewel die niet werden opgeschreven in Tora. Deze voor­schriften veroorloven ons de definitie van een ‘wand’ uit te rekken. Hiertoe hoort het begrip goed asiek, dat ons in staat stelt om een wand denkbeeldig als verder naar boven doorgetrokken te zien.

Twee voorbeelden hiervan worden genoemd:

1) Een soeka heeft het vereiste aantal wanden, maar zij bereiken niet het schach [de dakbedekking van de soeka], dat dus niet op die wanden rust maar op vier verticale palen. Dan passen wij goed asiek toe en beschouwen de wanden, alsof zij tot aan het schach doorlopen. (zie diagram 1)

2) Op de vier hoeken van het dak van een huis staan vier palen, waarop het schach rust. Dan kunnen we (volgens één mening) de wanden van het huis beschouwen alsof die doorlopen tot boven het dak, tot aan het schach, zodat zij de nodige wanden van de soeka vormen. (zie diagram 2)

Beide situaties worden genoemd in de Sjoelchan Aroech. Betrefende de eerste situatie wijzen de halachische autoriteiten erop dat goed asiek van toepassing is, zelfs als is er opzij een opening tussen de (denkbeeldige) naar boven doorgedachte zijwand en het schach, mits deze opening minder dan drie tefachiem is. Dit is mogelijk door een van de andere hiervoorgenoemde mondelinge overleveringen toe te passen, de wet van de lawoed. Die beschouwt iedere opening van minder dan drie tefachiem alsof die niet bestaat (Sj.A, Or.Ch. 630:9).

In het tweede geval geldt de goed asiek alleen als de palen op de uiterste hoekpunten van het dak staan. Wanneer zij niet op precies de rand staan, zelfs al is dat op een afstand van minder dan drie tefachiem van de rand, dan helpt het begrip lawoed hier niet en de soeka is ongeldig (zie Misjna Beroera 630:31).

Wat is het verschil?

Misschjien ligt het antwoord in de discussie tussen de Geleerden Abbajjé en Rawa over het platform dat wordt opgericht in het midden van een soeka, waarvan het schach hoger is dan de toegestane maximale hoogte van twintig ammot. Dit platform heeft een lengte en breedt die vereist is voor een soeka en het schach boven het platform is minder hoog dan twintig ammot. Dit platform heeft geen wanden van zichzelf. Abbajjé zegt dat we hier goed asiek mogen toepassen en de wanden van de platvorm als naar boven doorlopend mogen beschouwen. (zie diagram 3)

Rawa antwoordt dat de soeka herkenbare wanden moet hebben om doorgetrokken te kunnen worden, maar de zijkanten van dit platform bestaan helemaal niet en kunen dus ook niet worden doorgetrokken.

Dit principe kan ons helpen onderscheid te maken tussen de beide hierboven genoemde gevallen. In het eerste geval zijn er herkenbare zijwanden, die men alleen maar hoeft door te trekken naar boven. In het tweede geval is er helemaal geen verband tussen de muren van het huis en de ruimte bovenop het dak.

 Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 380 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Soeka Daf 5

De inscriptie op de Tsiets Hazahav

Text Box: äùí
÷ãù ì
Text Box: äùí
÷ãù ì
Eén van de acht kledingstukken van de Kohen Gadol was de tsiets hazahav, een gouden plaat die de Kohen Gadol op zijn voorhoofd droeg. De tsiets strekte zich uit van oor tot oor en werd op zijn plaats gehouden door koorden van techelet, die achter het hoofd waren samengebonden. In onze Gemara vinden we, dat de woorden „Kodesj L’Hasjem – Heilig voor Hasjem” in de tsiets gegraveerd waren, met het woord ‘Hasjem’ bovenaan en ‘Kodesj L’ onderaan. De Risjoniem opperen verschillende beschrijvingen van hoe die woorden precies geschreven waren. Volgens Rasji waren de woorden recht boven elkaar geschreven (zie diagram rechts). Deze mening wordt gesteund door de Jeroesjalmi, waar staat dat Hasjems Naam op de woorden Kodesj L’ zat, zoals een koning op zijn troon zit. Volgens deze mening waren de woorden niet geschreven op de manier waarop zij gelezen worden. Zij waren in omgekeerde volgorde geschreven, op bevel van Hasjem (Zie Ritva op Sjabbat 63b).

Rabbeinoe Tam (id.) en andere Risjoniem beweren dat de woorden Kodesj L’ aan het begin van de tweede regel geschreven waren, en de Naam van Hasjem was geschreven aan het eind van de eerste regel (zie diagram rechts).

Text Box: ÷ãù ì
äùí
Zo kunnen de woorden toch gelezen worden van rechts naar links in hun juiste volgorde en de Naam van Hasjem staat niet­temin bovenaan.

Rasjba stelt een derde idee voor, namelijk dat de voorden Kodesj L’  aan het eind van de eerste regel waren ge­schreven en Hasjem was aan het begin van de tweede regel geschreven. (zie diagram rechts).

De Gemara zegt dat Hasjem bovenaan stond en Kodesj L’ onderaan, maar de Rasjba interpreteert, dat dit betekent dat Hasjem boven aan de tweede lijn, d.w.z. aan het begin van de tweede lijn stond geschreven, en Kodesj L stond onderaan de eerste lijn, d.w.z.aan het eind van de eerste lijn. De Rasjba en Ritwa beweren dat dit de optimale interpratie is van de Gemara, want nu kunnen de woorden correct van rechts naar links en van boven naar beneden gelezen worden [zoals we normaal Hebreeuws lezen] en de eer van Hasjems Naam is gewaarborgd, want er is niet boven geschreven.

Het getuigenis van Rabbi Eliëzer bar Jossi. In onze Gemara vinden we een getuigenis van R. Eliëzer bar Jossi, die een bezoek aan Roma bracht voor een of andere belangrijke opdracht voor het Joodse volk. Terwijl hij daar was, bracht hij een bezoek aan het keizerlijk paleis en hem werd daar de Tsiets van de Kohen Gadol getoond, met de woorden „Kodesj L’Hasjem” geschreven op één regel. Hoe konden de Chachamiem R. Eliëzers ooggetuigenis tegenspreken, en beweren dat de woorden op twee regels geschreven waren?

De Meïrie verklaart dat de traditie van de Mondelinge Leer zo goed bewaard was, dat de Geleerden vertrouwden op de traditie die zij van hun rebbes hadden gekregen, zelfs al werd die tegengesproken door empirisch verkregen bewijs, hetgeen soms gebrekkig kan zijn. In dit geval was het mogelijk dat de Tsiets die R. Eliëzer te zien had gekregen een onjuiste namaak was.

Gebaseerd op de Rambam (Hilchot Klei Mikdasj 9:1) kunnen we een andere verklaring geven. De Rambam meent dat zelfs de Chachamiem ermee instemmen dat een Tsiets met Kodesj L’Hasjem op één lijn geschreven, kosjer is. Zij beslisten echter dat het lechatchila  beter was om de woorden op twee lijnen te schrijven. De Rambam concludeert: „Soms was het op één regel geschreven.” Daarom was het niet zo’n grote verrassing voor de Geleerden om te horen dat R. Eliëzer een Tsiets gezien had waar de woorden op één regel geschreven waren, want zij wisten dat zo’n Tsiets kosjer was en ook wel gemaakt was.


 

[1] Eroev chatserot – Een juridische handeling waarmee huizen van verschillende eigenaars aan een gemeenschappelijke binnenplaats tot één gemeenschappelijk eigendom samensmelten, doordat de bewoner van ieder huis voedsel brengt in een van de huizen aan de binnenplaats. Deze procedure geeft de bewoners het recht om voorwerpen vanuit hun huis naar de binnenplaats te mogen vervoeren en vice versa en daar te mogen dragen.

[2] Chatseer – binnenplaats.

[3] Sjitoef mavoi – een voorziening zoals de eroev chatserot, die verschillende binnenplaatsen aan een steegje samenvoegt tot een gemeenschappelijk eigendom, hetgeen het mogelijk maakt om voorwerpen te vervoeren van de ene binnenplaats naar de andere via de mavoi en te dragen in de mavoi.

[4] Mavoi – steegje.