Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Talmoed
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

   22 Eloel 5766

Traktaat Sekot 7-13 Nr.117 

 Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Soeka 9a

De gestolen soeka

De Tora (Deuteronomium 16:13) gebiedt ons: „Een Loofhuttenfeest zul je voor jezelf maken.” Deze woorden lenen zich voor verschillende interpretaties. Beit Sjammai ziet hierin een vereiste dat er een speciale soeka moet worden gebouwd met het doel om de mitswa van het wonen in een soeka te vervullen. Daarom is volgens Beit Sjammai een soeka, die meer dan dertig dagen vóór het feest gebouwd werd, ongeldig, wanneer die niet speciaal voor het feest gebouw werd. Beit Sjammai leest het vers namelijk alsof er staat: „Je zult loofhutten maken [speciaal] voor het feest.” Ook in de woorden „voor jezelf” lezen zij een vereiste dat de soeka gebouwd moet worden „om de mitswa te vervullen.”

Beit Hillel daarentegen meent dat de woorden „voor jezelf” „van jezelf” betekenen, waarbij een gestolen soeka ongeldig is.

Tosafot werpt hier een interessante vraag op. De Gemara (Soeka 30a) verklaart dat een gestolen loelav [de plantenbundel waarmee op het Soekot-feest gezwaaid wordt] ongeldig is en dat men daar de mitswa niet mee kan doen. Waarom? Omdat, zo legt de Gemara uit, je geen mitswa kunt doen door een overtreding te begaan. Als dat zo is, vraagt Tosafot, waarom was het dan noodzakelijk voor Tora om een speciaal vers in te lassen dat een gestolen soeka ongeldig verklaart. Wij zouden toch wel geweten hebben dat je met een gestolen soeka geen mitswa kunt doen.

Tosafot concludeert daarom dat de diskwalificatie van een mitswa in het algemeen, die gedaan werd door een overtreding te begaan, een diskwalificatie door de Rabbijnen is, maar dat het wonen in een gestolen soeka zelfs door Tora verboden is en dat dit gebaseerd is op de woorden „van jezelf.”

Een andere benadering van Tosafot wordt voorgesteld door de negentiende eeuwse auteur van Minchat Chinoech (mitswa 325). Zelfs als de diskwalificatie van een mitswa die in zonde begaan is, van Tora-oorsprong is, betekent dat alleen maar dat men met het voorwerp dat tegen Hasjems wil verkregen is, Zijn wil niet kan doen. Het hoeft nog niet te betekenen dat de soeka zelf ongeldig is.

Dit onderscheid is subtiel, maar het heeft de volgende consequenties: er zijn twee categorieën van verplich­tingen betreffende het eten in een soeka. Voor de eerste avond (of buiten Israël op de eerste twee avonden) is er een positief gebod om een maaltijd te eten in een soeka, zoals er een positief gebod is om op de eerste avond van Pesach [of eerste twee avonden buiten Israël] matsa te eten. Daarna bestaat er alleen de verplichting dat maal­tijden die gegeten worden tijdens het Loofhuttenfeest, niet buiten de soeka gegeten mogen worden. Als Tora niet „van jezelf” geschreven had, dan zouden we de mitswa van het eten op de eerste avond niet in de gestolen soeka kunnen vervullen, maar als we de overige dagen in de gestolen soeka zouden eten, zouden we in een geldige soeka eten en dus niet het verbod om „buiten een soeka te eten” overtreden. Maar nu dat Tora ons leert dat een gestolen soeka geen geldige soeka is, is iemand die daarin zijn maaltijd eet, schuldig aan het eten buiten een soeka.

Soeka 10b

Tot hoe laag mag je gaan?

Iemand kan zich in een soeka bevinden waar minder dan stahoogte is, en toch zijn mitswa vervullen, terwijl iemand anders in een vergelijkbare situatie niet zijn plicht gedaan heeft.

De minimum hoogte van een soeka is tien tefachiem [handbreedtes]. In een eerdere Gemara (4a) diskwalificeerde de Geleerde Rawa een soeka, waarvan het schach [de dakbedekking van de soeka] hoger was dan tien tefachiem, wanneer de uiteinden van het schach  tot onder tien tefachiem bungelen. In onze Gemara treffen wij echter een geval aan van een soeka met de minimum hoogte, waarvan het schach versierd is met voorwerpen die onder de minimum hoogte hangen. De regel is dat de soeka toch beschouwd kan worden als voldoende hoog.

De verklaring die Tosafot biedt, is dat Rawa de soeka met het schach, waarvan de uiteinden te laag hangen, diskwalifi­ceerde, omdat zo’n soeka beschouwd wordt als een „miserabele woning” ten gevolge van zijn gebrek aan ruimte. Dit geldt niet voor een soeka, die de minimum hoogte heeft, en waarvan de verminderde ruimte het resultaat is van de versiering van de soeka.

Het onderscheid dient als basis van de wet, zoals die staat opgeschreven in de Sjoelchan Aroech Orach Chaim 633:9: „Als de soeka een hoogte heeft van tien handbreedtes, maar er zijn twijgen die lager hangen dan de dakbe­dek­king, tot minder dan tien handbreedtes van de vloer, … dan is de soeka ongeldig. Echter, wanneer de decoratie onder de tien handbreedtes van de vloer hangt, maakt dat de soeka niet ongeldig.”

Soeka 11b

De soeka in de woestijn

In wat voor soeka leefden onze voorouders in de woestijn? Rabbi Eliëzer zegt dat het geen door mensen gemaakte hutten waren, maar wonderbaarlijke wolkzuilen – „wolken der heerlijkheid” – die de Israëlieten tegen de ongast­vrije woestijn beschermden. Volgens Rabbi Akika waren het hutten die door de mensen gebouwd waren om in de schaduw daarvan te kamperen tijdens hun reis door de woestijn.

Hoewel de commentatoren algemeen de opvatting van Rabbi Eliëzer steunen (zie Targoem Onkelos op Wajjikra 23:42), is het interessant  om de achtergrond van deze twee benaderingen nader te bekijken.

Er bestaat een fascinerende relatie van wederzijdse liefde tussen Hasjem en Zijn uitverkoren volk. Daarbij tracht iedere partner de andere partij aan te vullen en de prijzen, zoals bij iedere soortgelijke relatie. Wij noemen het feest, dat de Uittocht uit Egypte viert, „Pesach”, hetgeen vertelt dat Hasjem over de Joodse huizen heen ging toen Hij de Egyptische eerstgeborenen doodde. Maar Hasjem noemt het in Tora „het feest van de matsot,” ter ere van onze voorouders die, op Zijn gebod, Egypte verlieten en de woestijn introkken met niets anders aan voedsel bij zich dan een paar matses, volledig vertrouwend op Hasjem.

Rabbi Akiwa vat het vers [Wajjikra 23:43]: „Opdat jullie nageslachten zullen weten dat Ik jullie in soekot heb laten wonen, toen Ik jullie uit Egypte heb gevoerd” op als een herinnering, niet alleen aan Hasjems goedheid, dat Hij ons bevrijd heeft, maar ook aan het vertrouwen dat onze voorouders hadden in Hasjem, dat Hij hen zou beschermen tegen de ongastvrije woestijn en waar zij hutjes moesten bouwen om zich tegen de elementen te beschermen. Rabbi Eliëzer echter ziet in de soeka de primaire uitdrukking van al de goedheid die Hasjem ons betoond heeft bij Zijn bescherming van ons, toen Hij ons van het manna uit de hemel voorzag, ons water te drinken gaf dat op wonderbaarlijke wijze uit een stenen bron te voorschijn kwam en alle andere noden die Hij bevredigde tijdens onze reis door de woestijn.

Soeka 13a

Mararita d’agma bitterkruid uit het meer

Kan men mararita d’agma – bitterkruid uit het meer – gebruiken als bitter­kruid voor de mitswa van Pesach, zoals Tora dat vereist, ondanks dat het een andere naam heeft?

Ja, beslist Rav Chisda in naam van de Geleerde Rawina bar Sjela.

Zij beslissing werd aangevochten door een Misjna, waar staat dat de ezov [hysop] die Tora noemt als ingrediënt voor de verkrijging van reinheid, alleen voor dit doel geschikt is wanneer er geen andere naam (zoals Grieks, Romeins, Woestijn of iets dergelijks) mee verbonden is. Een van de voorgestelde oplossingen is die van de Geleerde Rawa, die erop wijst dat in het geval van de ezov de familienaam erop wijst dat het van een andere soort is dan de hysop die Tora bedoelt, maar dat d’agma alleen maar een geografische aanduiding is van de plaats waar de door Tora aangewezen bitterkruid te vinden is.

Rasji meent dat de mararita de chazèret is, die algemeen op Pesach gebruikt wordt en die in Israël bekend staatonder de naam chassa of Romeinse sla [andijvie in het Nederlands]. Tosafot verwerpt deze definitie, op basis van wat de Geleerde Rawina gezegd heeft tegen een andere Geleerde, toen hij die tegenkwam terwijl die op zoek was naar mararita om de mitswa van maror te vervullen (Pesachiem 39a). Waarom zoek je naar mararita, vroeg hij, wanneer we weten dat chazèret de voorkeur heeft voor deze mitswa?

De conclusie van Tosafot is dat mararita een speciaal soort bitterkruid is dat in meren groeit maar dat geen chazèret is.

¯ ¯ ¯

Drie is een bundel

Hoeveel eenheden maken een bundel? Betreffende het bloed van het korban Pesach, dat de Joden slachtten op de drempel van hun Exodus uit Egypte, gebiedt Tora (Sjemot 12:22): „En jullie zullen een bundel [agoeda] hyzop nemen en in het bloed dopen dat in het bekken is en daarmee de bovendorpel en de beide deurposten  bestrijken met het bloed dat in het bekken is.”

Ezov wordt ook voorgeschreven door Tora voor de besprenkeling met het reinigings water op mensen en voorwerpen die spiritueel onrein zijn geworden door in contact te komen met een dode (Bemidbar 19:18). Daar gebruikt Tora niet het woord „bundel”. Niettemin leiden onze Geleerden van de Tora af dat ook daar een bundel vereist is (Sifri, parasjat Choekat).

Wat is de definitie van een bundel? Deze vraag is ook relevant voor een soeka, aangezien er een rabbijns decreet is dat een bos schach-stokken diskwalificeert, wanneer die tot een bundel zijn samengebonden (uit vrees dat iemand zo’n bundel vers, nog vochtig hout van het veld meeneemt en dat op zijn soeka te drogen legt, omdat dan vervolgens daar te laten liggen als schach. Dat maakt de soeka ongeldig, want het schach moet speciaal op de soeka gelegd zijn om voor schaduw te zorgen, niet om te drogen).

In al deze gevallen stelt Rav Chisda vast dat drie een „bundel” vormt. Dit leidt Tosafot ertoe om te vragen hoe we deze definitie van een bundel in overeenstemming kunenn brengen met de definitie van een bundel in traktaat Awot (3:6). De Misjna daar vertelt ons dat wanneer vijf mensen Tora studeren, de G-ddelijke Aanwezigheid bij hen is. De bron hiervoor is het vers in Amos 9:6: „Zijn groepering [agoeda] was het fundament van de aarde.” Dit lijkt erop te wijzen dat het minimum voor een groep (bundel) vijf is. Hoe kan Rav Chisda dan zeggen dat het drie is?

Tosafots antwoord is dat in weliswaar bij alle andere aangelegenheden drie genoeg is om een groep of bundel te vormen, maar dat de Misjna in Awot begreep dat de groep in het vers over de Schepping van de aarde het over vijf had. Waarom? Omdat in een ander vers (Jesjaja 48:13) Hasjem zegt: „Mijn handen hebben de fundering van de aarde gelegd.” We moeten daarom concluderen dat de woorden groep en hand die in deze contekst gebruikt worden, elkaar definiëren. Een hand bevat vijf vingers en dat aantal vormt dus een groep.

Tiferet Jisraël ziet in het nummer vijf een aanwijzing voor de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet, de letter Hee, waarmee Hasjem de aarde geschapen heeft (Menachot 29b). De combinatie van vijf mensen die gezamelijk Tora leren, iets waarvoor de wereld geschapen werd, brengt die wereld in nauwer contact met zijn Schepper.