Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 29 Eloel 5766

Traktaat Soeka 14-22 Nr. 118

Soeka 14a

Planken van drie of vier tefachiem breed

Er is een discussie in de Misjna tussen Rabbi Jehoeda en Rabbi Meïr over het gebruik van planken als schach voor een soeka. Rav zegt dat het meningsverschil gaat over planken van vier tefachiem [handbreedten] breed of meer. Gewone huizen werden in de tijd van de Misjna doorgaans bedekt met planken van vier tefachiem breed. Rabbi Meïr meent dat planken van die breedte op normale dakbedekking lijken en daarom keurt hij die af. Rabbi Jehoeda vindt dat geen probleem. Maar als de planken minder breed zijn dan vier tefachiem, zijn zij het er allebei overeens dat de planken als schach gebruikt mogen worden.

Sjmoeël zegt dat R. Jehoeda en R. Meïr het erover eens zijn dat planken van vier tefachiem of meer onge­schikt zijn. Hun meningsverschil betreft planken van meer dan drie, maar minder dan vier tefachiem breed [planken van drie tefachiem zijn volgens beiden geschikt, want dat zijn maar stokken].

 Daf 14b

Rabbi Jehoeda noemt een bewijs voor zijn stelling dat planken van vier tefachiem geschikt zijn: het gebeurde eens in een tijd van gevaar, toen de vreemde regering soekot verboden, dat de mensen hun portiek of veranda afdekten met planken van vier tefachiem en daar onder zaten als soeka [de vreemde heersers realiseerden zich niet dat dit werd gebruikt als soeka (Rasji)]. Dus kennelijk zijn planken van vier tefachiem geschikt!?

Maar de andere Tanna’iem verwierpen dit argument, want men kan geen bewijs voeren van een tijd van gevaar, waar uitzonderingsregels gelden

Rabbi Meïr geeft toe dan planken, zelfs van vier tefachiem breed als schach kunnen dienen, wanneer er tussen de planken evenveel ruimte is als de breedte van de planken en men daar schach op legt dat wel geschikt is. [Sj.A.O.Ch. 629:18 verbiedt planken van vier tefachiem of meer. Als de planken minder dan vier tefachiem breed zijn, is het toegestaan, maar het is de gewoonte om geen planken als schach te gebruiken.]

Als men de planken op hun kant zet

Er is een discussie in de Gemara over planken die vier tefachiem of meer breed maar minder dan drie tefachiem dik zijn, of men die, als zij op hun zijkant gezet worden, kosjer voor schach zijn (zie tekening rechts). Rav Hoena meent dat dit ondeugdelijk schach is, want dit lijkt op metalen balken en metaal is ongeschikt als schach. [Sj.A. O.Ch. 629:18].

Als een brede plank maar gedeeltelijk op de soeka rust

Een Baraita leert dat zelfs een plank van vier tefachiem breed, die maar drie tefachiem op de soeka rust, de soeka ongeldig maakt. De Gemara legt uit dat het hier gaat om een plank die op de rand van de soeka ligt, drie tefachiem van de plank rust op de soeka en de rest steekt eruit. Ook datmaakt de soeka ongeldig, want een plank van vier tefachiem of breder die op een soeka ligt, maakt de hele soeka ongeldig. (Zie tekening links)

Soeka 15a

Ta’asè welo min ha’asoei

Er is een algemene regel die zegt dat men schach moet maken en niet moet gebruiken wat al gemaakt is – ta’asè welo min ha’asoei. Op grond hiervan zegt Beit Sjammai in de Misjna op onze daf, dat wanneer men een huis gebouwd heeft en het dak al met planken belegd heeft, maar die nog niet wit gekalt heeft, dan moet men, als men de planken als schach wil gebruiken, alle planken eerst losmaken, dat wil zeggen, de spijkers eruit halen, [en men verschuift ze allemaal een beetjes (Rasji)] en verwijdert iedere plank tussen twee andere planken en men vult de lege ruimte met geldig schach. Beit Hillel zegt echter dat men of alle planken los­maakt, of één plank tussen iedere twee planken verwijdert [en de lege ruimte opvult met geldig schach]. [Beit Hillel heeft geen probleem met planken van vier tefachiem breed.] De Gemara verklaart dat Beit Sjammai meent dat men geen planken die ook voor dakbedekking van een huis gebruikt worden, als schach kan gebruiken. Beit Hillel heeft alleen het probleem dat de planken oorspronkelijk niet als schach gelegd waren, maar als dakbedekking van een huis, dan moet men ze opnemen en nogmaals neerleggen, maar nu speciaal als schach voor de soek. [De Sj.A. O.Ch. 631:9 paskent als Beit Hillel en vermeldt erbij dat dit geldt, zelfs als de planken vier tefachiem breed zijn, maar dat sommige poskiem het hier niet mee eens zijn en eisen dat de planken minder dan vier tefachiem breed zijn.]

Metalen pennen als schach

De Misjna zegt: als men de soeka bedekt met metalen pennen of met de zijkant van een bed [materiaal dat ongeschikt is voor schach], en men zorgt dat er ruimte tussen de pennen is, net zo breed als de pennen zelf, en men vult die ruimte op met geldig schach, dan is de soeka kosjer.

Paroets ke’omeed

De Gemara brengt een discussie betreffende een wand waarin een opening [partoets] zit die even groot is als het gesloten gedeelte [‘omeed] van de wand [paroets ke’oemeed – lett.: het opengebrokene is als het staande]. Rav Pappa zegt dat een ruimte die omsloten is met een dergelijke muur, beschouwd mag worden als resjoet hajachied en dat men daarbinnen mag dragen en vervoeren. Rav Hoena ben R. Jehosjoea echter meent dat het gesloten gedeelte langer moet zijn dat het open gedeelte en dat men daar dus niet mag dragen en vervoe­ren. Hij beschouwt een wand, waarvan niet het merendeel gesloten is, niet als een wand. Onze Misjna (zie hierboven) zegt echter dat zelfs als slechts de helft van het schach van geldig materiaal is, het schach kosjer is. Dat is toch strijdig met elkaar?

De Gemara antwoordt dat de Misjna het heeft over een geval waar de open ruimte tussen de pennen iets meer is dan de ruimte die door de pennen in beslag genomen worden en die open ruimte wordt opgevuld met geldig schach, zodat er meer geldig dan ongeldig schach is.

Een andere verklaring: het schach ligt rechthoekig op de metalen pennen, zodat het merendeel van het schach kosjer is.

De Sjoelchan Aroech Orach Chaim 631:8 zegt dat de soeka ongeldig is als de tussenruimte tussen de metalen pennen even groot is als de breedte van de metalen pennen, maar als men de tussenruimte iets groter maakt, dan is het in orde. En ook is het in orde als men de kosjere schach dwars op de pennen legt.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Soeka 17a

De gebogen wand

De „schuine wand” is een van die speciale wetten voor een soeka, die Mosjé ontving op Sinaï, maar die hij niet in de Tora opschreef. Wij werden tot dit begrip eerder geïntroduceert in dit traktaat (4a), maar hier verschijnt het in een Misjna en dit is een klassiek voorbeeld:

Het dak van een één-kamerwoning is in het midden ingestort, zodat nu nog maar een deel daarvan aan de muren vastzit. De eigenaar wil dit huis nu ombouwen tot een soeka, door schach te leggen op het open gedeelte van het dak. Het enige probleem is dat dit schach niet tot aan de wand(en) van de soeka reikt, hetgeen noodzakelijk is voor een soeka. Het gedeelte van het dak dat nog aan de muur vast zit, en dat tussen het schach en de muur ligt, is geen kosjer schach, want het was daar oorspronkelijk neergelegd als dak voor een huis en niet als schach voor een soeka.

Wanneer deze rest van het dak minder is dan vier ammot, geme­ten vanaf de muur van de soeka tot de opening in het dak, dan passen we hier het principe van dofen amoeka [gebogen wand] toe, om de soeka kosjer te verklaren. Dit principe veroorlooft ons de restanten van het dak te beschouwen als een voortzetting van de muren. Zo wordt de kosjere schach niet meer door niet-kosje­re schach van de zijwand gescheiden. (zie tekening rechts)

Dit principe vereist echter nadere toelichting, in het licht van het eerste deel van de Misjna. Daar wordt ons verteld over iemand die schach op een gewone soeka gelegd heeft, maar die wat ruimte heeft open­gelaten tussen het schach en de muur. De Misjna vertelt dat wanneer de open ruimte minder dan drie tefachiem [handbreedten] is, de soeka kosjer is. Ook dit is geba­seerd op een van die ongeschreven wetten die Mosjé op Sinai gekregen heeft. Dit principe wordt lawoed genoemd, en dit staat ons toe een tussen ruimte van minder dan drie tefachiem te beschouw­en alsof die niet bestaat (zie tekening linksonder).

We zien nu een scherp onderscheid tussen de verwijdering van een obstakel van niet-kosjere schach als afscheiding tussen kosjere schach en de soekawand enerzijds, in welk geval we tot vier ammot toestaan, en de verwijdering van een lege ruimte-obstakel anderzijds, waar slechts drie tefachiem is toegestaan [één amma = 6 tefachiem]. Waarom passen we het principe van dofen akoema van tot vier amma niet ook toe op een open ruimte, door de wand te beschouwen alsof die schuin naar binnen gebogen is, totdat hij het schach bereikt?

De Rosj legt uit dat dofen akoema ons niet toestaat om een wand te beschouwen alsof hij gebogen is, zodat hij het schach raakt, want dan zou dat ook voor lege ruimte gelden. Het enige wat is toegestaan om een deel van het dak als een voortzetting van de wand te beschouwen, alsof die wand gebogen is. Maar lege ruimte kan nimmer beschouwd worden als een deel van een muur. Daar geldt hier alleen het principe van lawoed, met zijn kleinere afmetingen.

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 382 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Daf 19a

Schach van een begraafplaats

Het gebeurde in het jaar 5681 (1921) dat de Joodse gemeenschap in het plaatsje Sambor (Galicië) geconfronteerd werd met een ernstig te kort aan schach. In de voorafgaande jaren hadden de landeigenaren uit de naburige dorpen schach naar Sambor gebracht, ruim vóór Soekot, zodat de Joden dat van hen konden kopen. Dat jaar hadden de landeigenaren besloten samen te spannen en de prijzen scherp op te drijven tot astronomische hoogten. En opdat er vraag naar hun dure schach zou zijn, leverden zij slechts een zeer kleine hoeveelheid schach, en bovendien pas vlak voor het Soekot-feest.

Het is te begrijpen dat de Joden in een wanhopig moeilijke situatie zaten. Waar konden zij schach vandaan halen voor hun soekot? Zij legden de vraag voor aan de rav van hun stad, Rav Aharon Levin (Avnei Chefetz 95): mochten zij takken van de nabijgelegen begraafplaats gebruiken? Uit de datum van zijn responsum, de 13e Tisjri, is makkelijk in te zien dat de hele gemeente met ingehouden adem het antwoord afwachtte.

Alles wat voor verbranding bestemd is” – Het is verboden om dingen te plukken van een begraafplaats, want dat wordt beschouwd als oneerbiedig tegenover de doden. Wanneer iemand toch iets wegneemt van een begraaf­plaats, mag hij het niet gebruiken, maar het moet verbrand worden (Sjoelchan Aroech j.d. 368:1). Daarom zijn er behalve het verbod om lechatchila takken voor schach te plukken van een begraafplaats, nog twee redenen waarom de schach ook bedi’èved pasoel is.

Ten eerste, wanneer men in de soeka zit, onder dit schach, kan men dat beschouwen als gebruik maken van dat schach. Ten tweede vinden we in de Gemara een principe, dat „alles wat bestemd is om verbrand te worden, beschouwd wordt alsof het al verbrand is.” Dit principe vindt toepassing bij loelaviem, die geplukt zijn van bomen die voor avoda zara gebruikt zijn. Daar die loelaviem verbrand moeten worden, worden ze beschouwd alsof zij al verbrand zijn en dus niet meer de minimum vereiste lengte hebben (Sjoelchan Aroech O.Ch. 649:3). Zo ook moet schach dat van een begraafplaats geplukt is, verbrand worden en heeft dan niet meer de minimum afmeting die nodig is voor schach.

De overledenen zien af van hun eer – R. Levin gaf verschillende redenen om toe te staan dat men het schach van de begraafplaats zou plukken. Voor wat betreft het verbod om lechatchila iets te plukken van een begtaafplaats wegens oneerbiedigheid, schrijft hij dat in dit geval, omdat het voor een belangrijke mitswa was, de doden naar alle waarschijnlijkheid zouden afzien van hun eer. Hij citeert daarvoor verschillende bewijzen. En zelfs al zou dit niet waar zijn, is het verbod om dingen te plukken van een begraafplaats wegens oneerbeidigheid tegenover de doden, slechts een verbod van de Rabbijnen, terwijl het zitten in een soeka op het Loofhuttenfeest een gebod van Tora is. Het is zeer waarschijnlijk dat de Geleerden, die het verbod hebben ingesteld destijds, dat niet van toepassing zouden verklaren onder de huidige buitengewone omstandigheden (zie ook Tosafot, Beitsa 36b).

Wat betreft het verbod op het gebruik maken van dingen die op een begraafplaats groeien, zelfs bedi’avad, ant­woordt hij dat „mitswot niet voor ons fysiek genot gegeven werden” (Rosj Hasjana28a). Daarom geldt dit verbod nu niet. (Er is een discussie tussen de Acheroniem of het principe dat „de mitswot niet gegeven werden om er fysiek gebruik van te maken” op de soeka van toepassing is. Zie Noda BeJehoeda II, 133; Avnei Miloeïem 28:60; Oneg Jom Tov 50).

Voor wat betreft het principe dat „alles bestemd is om te worden verbrand,” legt hij uit dat dit hier niet van toepassing is. Het is duidelijk dat een loelav, of een sjofar of schach dat bestemd is om te worden verbrand, nog bestaat, zolang het niet verbrand is. Maar dit principe informeert ons, dat aangezien het verbrand wordt, het zijn halachische betekenis verloren heeft. Een loelav moet een minimum lengte hebben van vier tefachiem. Wanneer hij verbrand moet worden, beschouwt de halacha het alsof hij niet meer de vereiste afmetingen heeft. Schach daarentegen, heeft niet per se een minimum afmeting. Het moet de soeka kunnen bedekken en meer schaduw dan zon geven. Dat is de vereiste, maar dat is geen vereiste voor een minimum afmeting, maar een vereiste voor zijn functie. Zelfs schach dat bestemd is om te worden verbrand, kan aan die functie voldoen, en is daarom kosjer (zie Chidoesjei Rav Chaim HaLevi op Rambam, Sjabbat 17:12).

Schach van boven een graf is bateel b’rov Een ander punt dat hij naar voren brengt is dat niet alle takken van een begraafplaats verboden zijn. Alleen die welke boven de graven hangen zijn verboden. De grote meerderheid van de takken hangen echter niet boven de graven en daarom zijn de verboden takken bateel b’rov [ze zijn te verwaarlozen in de meerderheid] van de takken die zijn toegestaan.

Op grond van dit alles en de dringende behoefte aan schach, mag worden aangenomen dat vele soekot dat jaar in Sambor bedekt werden met schach van de begraafplaats.

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Soeka 21b

Bladeren die niet verwelken

„Zelfs de terloopse opmerkingen van Tora-geleerden zijn de moeite waard om te bestuderen.” Deze raad van de Geleerde Rav is gebaseerd op David HaMelech’s vergelijking van de Tora-geleerde met een „boom die aan een beek geplant werd, die vruchten produceert in zijn seizoen en waarvan de bladeren niet verwelken” (Tehilliem 1:1). Zelfs het minst substantiële deel van de boom – de bladeren, die de terloopse opmerkingen van de Tora-geleerde symbolizeren – gaat niet verloren.

Rasji geeft hier en elders twee verklaringen, van wat geleerd kan worden van de conversatie van Tora-geleerden. In onze Gemara wordt bovenstaand advies aangehaald  in verband met een uitspraak van Rabbi Sjim’on over zijn ervaring met de soeka van Rabban Gamliël. De niet-Joodse slaaf van Rabban Gamliël, Tevi, sliep onder het bed in die soeka. Rabban Gamliël vroeg hier aandacht voor bij zijn collega’s door uit te roepen: „Hebben jullie gezien wat voor een Tora-geleerde mijn slaaf Tevi is? Hij weet dat slaven zijn vrijgesteld van de mitswa van de soeka en daarom slaapt hij onder het bed.”

Rabbi Sjim’on concludeert zijn rapportage van deze gebeurtenis met de opmerking: „Van deze terloopse opmerking van Rabban Gamliël kunnen we twee dingen leren: slaven hebben geen verplichting van de mitswa van soeka en iemand die onder een bed slaapt in de soeka, vervult niet de mitswa van slapen in de soeka [want bed is dan als een barrière tussen hem en de soeka].”

Rabbi Sjim’on gebruikte met opzet de uitdrukking „terloopse opmerking” in plaats van „woorden”, om aan te tonen dat hoewel Rabban Gamliël niet doelbewust een Tora-les gaf en alleen maar trots iets over zijn slaaf vertelde, er desondanks veel te leren viel van deze terloopse opmerking.

In Traktaat Awoda Zara (19b) geeft Rasji een andere verklaring op het advies van Rav: namelijk dat men zelfs de terloopse opmerkingen van Tora-geleerden moet men bestuderen, om te leren hoe men zich moet uitdrukken, want hun stijl en spraak is puur, rijk en leerzaam.

De twee verklaringen zijn niet met elkaar in tegenspraak maar vullen elkaar aan. Wanneer men zelfs zorgvuldig naar de terloopse opmerkingen van een Tora-geleerde luistert, kan men daarvan iets leren, wat men daarvoor nog niet wist en men zal daarbij tevens leren hoe men zich zorgvuldig moet uitdrukken.

 Soeka 22a

Een waterdichte soeka

Het schach dat de soeka bedekt, mag niet te schaars maar ook niet te dik zijn. De Misjna leert ons dat de afgedekte delen van de dakopening samen meer moeten zijn dat de open delen tussen het schach in, zodat er meer schaduw dan zon in de soeka is. Dit wat betreft de minimum dakbedekking. De Misjna lijkt geen maximum voor het schach vast te stellen, want er staat: „Als het dik is bedekt, zoals een huis, zelfs al zijn de sterren niet te zien, dan is het kosjer.”

In de Jeruzalemse Talmoed echter, wordt uit de Misjna de gevolgtrekking gemaakt dat een soeka, waarin de sterren niet door het schach zichtbaar zijn, inderdaad weliswaar kosjer is, maar dat dit niet de preferente manier is om een soeka te maken. Dat is de reden, waarom de Sjoelchan Aroech (Orach Chaim 631:3) schrijft: „Het is de gewoonte dat het schach dun genoeg is, zodat men de sterren er doorheen kan zien, maar als het zo dik is als [het dak van] een huis en de sterren zijn er niet doorheen te zien, dan is het toch kosjer.”

Rabbeinoe Tam introduceert echter een andere beperking. Als het schach zo dik is dat de regen er niet doorheen kan dringen, dan is het niet kosjer. Hij brengt twee bewijzen voor zijn stelling. Eén is van een latere Misjna (28b), waar staat dat iemand zijn soeka mag verlaten als er zoveel regen in valt dat zijn soep erdoor bederft. Wanneer men het schach dik genoeg kan maken, zodat het de regen buiten houdt, waarom is men dan niet verplicht het schach zo dik te maken dat de soeka waterdicht is, zodat hij in de soeka kan blijven zitten als het regent, in plaats van dat hij dan wordt vrijgesteld van de mitswa om in de soeka te zitten?

Een tweede bewijs is van de Misjna in traktaat Ta’aniet (2a), waar staat dat regen op Soekot een slecht teken is, omdat het de volvoering van de mitswa verhindert. Wanneer een soeka waterdicht gemaakt kan worden, hoeft de regen geen slecht teken te zijn.

Tosafot (op Soeka 2a) noemt een soortgelijke benadering, als hij de uitspraak van Rabbi Zera verklaart. Rabbi Zera baseert daar de diskwalificatie van schach dat op meer dan twintig ammot hoog ligt, op een vers in Jesjajahoe 4:6) dat de functie van de soeka als volgt beschrijft: „En een soeka zal dienen voor schaduw overdag tegen de hitte en als een schuilplaats en dekking tegen storm en regen.” [Hij zegt daar dat als het schach hoger dan twintig ammot ligt, het geen schaduw meer geeft, maar dat men dan in de schaduw van de wanden zit.] Hij vereist echter niet dat het schach regen-dicht is, terwijl datzelfde vers wel zegt dat dit een van de functies ervan is, om bescherming te bieden tegen storm en regen. Zijn conclusie is dat aangezien een soeka een tijdelijk bouwsel moet zijn, in plaats van een permanente structuur, het onjuist zou zijn wanneer de soeka regen-dicht zou zijn.

Hoewel de Sjoelchan Aroech Rabbeinoe Tams mening niet aanhaalt, citeert de Misjna Beroera (631:6) latere autoriteiten, die beslissen dat als de regen niet in de soeka kan komen, het te veel op een gewoon huis lijkt en de soeka daarom niet kosjer is. Maar wanneer het mogelijk is om iets van het schach te verwijderen, zodat de soeka gevoelig is voor regen, dan mag men op de soepelere meningen vertrouwen, dat het kosjer is.

 &