Hearot
HaDaf HaJomi
Een wekelijkse Internetbrief voor lerners van de Daf HaJomi
Een uitgave van Zwi Goldberg – P.O.B. 3220 – Netanya - Israël – E-mail: zwigold@netvision.net.il

 7 Tisjri 5767

Traktaat Soeka 23-28 Nr. 119

Daf 23

De soeka in een boom

De Misjna die onderaan de vorige daf begint en doorgaat op onze daf, leert dat het is toegestaan om een soeka te maken boven op een wagen of op een schip. Een dergelijke soeka is mobiel en dus zeker geen permanente woning. Men mag op Jom Tov de wagen beklimmen en de soeka ingaan. Maar wanneer iemand zijn soeka bovenin een boom of op de rug van een dier bouwt, dan is de soeka weliswaar geldig, maar men mag er op Jom Tov niet in, want het is verboden om op Jom Tov (of Sjabbat) in een boom te klimmen, of gebruik te maken van een dier. Maar wanneer drie wanden van de soeka door mensenhanden gemaakt zijn en de boom vormt alleen de vierde soekawand, dan mag men er zelfs met Jom Tov ingaan. [In de tekening rechts steunt de soeka slechts op één handgemaakte wand en de rest van de soeka steunt op de boom. Wanneer de soeka echter op drie hand­gemaakte wanden steunt, heeft hij de boom niet nodig als steun. Dan mag men dus wel in de soeka op Jom Tov, mits men daarbij niet in de boom klimt.]

Een soeka op een schip

Het gebeurde eens dat Rabbi Akiwa en Rabban Gamliël op een schip voeren en Rabbi Akiwa bouwde zijn soeka bovenop het schip. De volgende dag blies de wind de soeka weg. Rabban Gamliël riep uit: „Akiwa, waar is nu je soeka?” Hieruit blijkt dat Rabban Gamliël meende dat een soeka die een gewone zeewind niet kan weerstaan, geen geldige soeka is, maar Rabbi Akiwa was van mening dat alleen wanneer een soeka geen gewone landwind kan weerstaan, het geen geldige soeka is, maar hij hoeft geen gewone zeewind te weerstaan [en zo paskent de Sjoelchan Aroech O.Ch. 628:2].

Een dier als wand van een soeka

Rabbi Meïr staat het toe dat men een dier gebruikt als zijwand van een soeka, maar Rabbi Jehoeda verbiedt het.  De reden van Rabbi Meïr is volgens Abbajjé, dat hij bang is dat het dier op Jom Tov zal sterven en zal omvallen, zodat de soeka één van zijn minimaal drie vereiste muren zal missen, waardoor de soeka ongeldig wordt. Rabbi Zera zegt dat R. Meïr bang is dat het dier zal weglopen. Dus wanneer men een olifant vastbindt aan de soeka, zodat hij niet kan weglopen, is er geen probleem, want zelfs al valt hij dood om, dan is zijn lijk nog hoog genoeg (tien tefachiem) om als soekawand te dienen. [Hoe voorkomt men dat de olifant wegloopt? (Zwi)]

Men moet echter wel de lege plek tussen de poten van het dier opvullen met takken e.d. en men moet het dier steunen, zodat het niet in elkaar zakt en lager wordt dan tien tefachiem.

Daf 24

Een soeka tussen de bomen

De Misjna op deze daf zegt dat wie zijn soeka tussen de bomen bouwt, met de bomen als soekawanden, een geldige soeka heeft. Hier, in tegenstelling tot het geval op de vorige daf, rust de soeka op de grond.

De Gemara werpt tegen, dat een wand, die door de wind heen en weer bewogen wordt, geen soekawand kan zijn. En bomen wuiven heen en weer in de wind!

Het probleem wordt opgelost, wanneer we alleen de dikke stam van een stevige boom gebruiken, die niet heen en weer beweegt in de wind.

Deze uitspraak van de Misjna, dat men zijn soeka tussen de bomen mag bouwen, kan ook homiletisch worden opgevat. Een soeka symboliseert de fragiliteit van de mens, en de bomen zijn de rechtvaardigen, die vergeleken worden met bomen (Tehilliem 1). Toen de verspieders terugkeerden uit het land Kena’an met hun ontmoedigend ver­slag van hun reis, reageerde Calev daarop met: „Hun bescherming is van hen geweken; Hasjem staat aan onze kant. Vreest niet.” De Midrasj vertelt dat dit Ijov (Job) was, een rechtvaardige mens, die gestorven was (zie Rasji). Dus we zien dat de tsaddikiem – rechtvaardigen – met de ‘beschermers’ worden aangeduid en dat de rechtvaardigen het volk beschermen, net zoals een soeka schaduw biedt voor wie daar in verblijft. Wanneer we in een soeka zitten, zijn we daar niet alleen, want de Oesjpizien, de zielen van de zeven rechtvaardige aartsvaderen en leiders van ons volk uit het verleden, zijn ook daar bij ons in de soeka.

Daf 25

Door Rabbi Mendel Weinbach, decaan Ohr Somayach

Het mysterie van hen die erbuiten gelaten werden

Een van de meest intrigerende mysteries, waar de Talmoed zich mee bezig­houdt, draait om de identificatie van de Joden die klaagden dat zij buitenge­sloten werden van deelname aan het Korban Pesach-offer in de woestijn.

„Zij brachten het Pesach-offer in de eerste maand… in de woestijn Sinai. Maar er waren mannen die door het lijk van een mens onrein waren en het Pesach-offer niet konden brengen op die dag.” (Bamidbar 9:5-6)

Wie waren die mannen en hoe waren zij ritueel onrein geworden? Er worden drie verschillende meningen gegeven.

Rabbi Jossi HaGalili zei dat dit de mannen waren die de kist met de stoffelijke resten van Joséf uit Egypte hadden meegedragen, om in Erets Israël te worden begraven.

Rabbi Akwia identificeert hen als Misjaël en Eltsafan, de neven van Nadav en Awihoe, de zonen van Aharon, die stierven toen zij een „vreemd vuur” op het altaar brachten op de dag dat het Misjkan werd ingewijd. Zij hadden van Mosjé instructies gekregen: „Komt dichterbij, en draagt uw broeders weg van voor het Heiligdom, tot buiten de legerplaats” (Leviticus 10:4).

Rabbi Jitschak verwerpt beide verklaringen. Wanneer zij de dragers van de kist van Joséf waren, dan hadden zij tien maanden de tijd gehad, sedert de uittocht uit Egypte, om zich te kunnen reinigen. Misjaël en Eltsafan waren onrein geworden op de eerste dag van Nisan van het tweede jaar van de Uittocht, toen het Misjkan werd ingewijd (Exodus 40:17). Ook zij hadden dus genoeg tijd om zich te reinigen, want wie verontreinigd is door aanraking met een dode, wordt op de derde en zevende dag besprenkeld met het mei chataat (het water, waarin de as van de Rode Koe vermengd is) en gaat daarna in het mikwe en is rein als de nacht invalt. Dit was de achtste dag van de inwijding (zie Leviticus 9:1) en op die dag werd de wet van de Rode Koe gegeven en Elazar, de Kohen, de zoon van Aharon had die ochtend het mei chataat bereid, zodat ieder zich voor het korban Pesach tijdig kon reinigen (Gittin 60b, Jeroesjalmi Megilla 3:5).

Rabbi Jitschak concludeert dat het simpele, ongeïdentificeerde Joden waren, die zich de afgelopen week hadden bezig gehouden met de begrafenis van een meet mitswa [een gestorven naast familielid, voor wie iemand de verplichting heeft om voor zijn begrafenis te zorgen]. En zij waren het, die hun zeven dagen durende reini­ging niet op tijd die dag vóór Pesach konden voltooien.

Wij leren hiervan dat het was toegestaan om gedurende de zeven dagen vóór Pesach de doden te begraven, ondanks dat dit betekende dat zij dan niet konden deelnemen aan de mitswa van het korban Pesach. Dit betekent dat iemand die zich bezig houdt met een mitswa, is vrijgesteld van een andere mitswa, die hij op dat moment zou moeten doen, zelfs als die andere mitswa belangrijkere is dan de eerste mitswa.

 Soeka 26

Uit Meorot HaDaf HaYomi, Vol. 383 van Kollel Chassidei Sochatov, Bnei Brak

Een soeka onder vuur

Een Baraita in onze Gemara zegt, dat degenen die de stad overdag bewaken, overdag zijn vrijgesteld van de mitswa om in een soeka te wonen, maar dat zij ’s nachts daar niet van zijn vrijgesteld en dat omgekeerd, wie de stad ’s nachts bewaakt, ’s nachts is vrijgesteld maar overdag in een soeka moet wonen. En verder dat iemand die een veld of boomgaard bewaakt, zowel overdag als ’s nachts daarvan is vrijgesteld, want zo verklaart Abbajjé, Tora zegt: „Je zult in hutten wonen,” hetgeen betekent, dat je op Soekot in een soeka moet wonen zoals je in je huis woont. En daar iemand in zijn huis woont met al zijn accessoires en comfort om zich heen, en hij een hut buiten in het veld niet op diezelfde manier kan inrichten, is hij volledig vrijgesteld van de mitswa.

Verderop verklaart de Gemara, dat wie zich ongelukkig voelt in zijn soeka, vrijgesteld is van de mitswa. Zo paskent  ook de Sjoelchan Aroech O.Ch 640:4, en geeft daar als voorbeeld dat iemand, die niet in zijn soeka kan slapen, omdat hij last heeft van de wind, vliegen, stank of iets dergelijks, vrijgesteld is van de mitswa. Maar men mag zijn soeka niet neerzetten op een plaats waar de kans op wind of vliegen of stank groot is, en dan zeggen: „Ik kan daar niet slapen, dus ik ben vrijgesteld.”

Tijdens de Jom Tov  van Soekot 5771 (2001) lag de Jeruzalemse wijk Gilo onder vuur van terroristen uit het naburige Arabische dorp Beit Jala. Uit veiligheidsoverwegingen werden de bewoners van Gilo gewaarschuwd om ’s avonds niet hun uit huis te gaan, opdat zij niet bloot zouden staan aan de kogels van Beit Jala. Het was dus geen sprake van of men ’s nachts in de soeka mocht slapen. De dunne soeka-wanden boden geen enkele bescherming tegen de kogels. De vraag was nu of die soekot dan helemaal passoel waren en nu zelfs overdag onbruikbaar waren?

De Rama schrijft (id.) dat als iemand ’s nachts niet in zijn soeka durft te slapen uit angst voor rovers, die hem wellicht zullen overvallen als hij slaapt, dat dan zelfs overdag zijn soeka ongeldig is en hij er niet in kan eten. Zeker, overdag is er geen gevaar voor rovers. Niettemin leert de Gemara ons dat wij in een soeka moeten wonen, zoals wij in ons huis wonen. Een soeka waar men niet als in een normaal huis comfortabel kan slapen en eten, is geen kosjere soeka. Hetzelfde zou dus theoretisch gezien, gelden voor de soekot in Gilo. Daar zij niet geschikt waren om er ’s nachts in te slapen, waren zij nu ook overdag passoel?

Een soeka in een koud klimaat – Aan de andere kant vinden we een schijnbaar tegenstrijdige halacha, ook door de Rama aangehaald. Hij schrijft dat in streken waar het te koud is om ’s nachts in een soeka te slapen, men in zijn huis mag slapen. Niettemin blijft de soeka kosjer om er overdag in te eten. Wat is het verschil tussen de angst voor koude en de angst voor rovers?

R. Zalman Nechemia Goldberg[1] sjlita suggereert een verklaring, gebaseerd op de Prie Megadiem [aangehaald in de Misjna Beroera 640:18]. Een soeka kan passoel verklaard worden als hij op een ongeschikte plaats gebouwd is. Bijvoorbeeld midden in een gevaarlijk bos is het niet geschikt  om in een soeka te wonen en dan is de soeka passoel. Die soeka had men in een beschermde, ommuurde tuin of binnenplaats kunnen bouwen, of op het dak of balkon van zijn huis, waar het veilig en kosjer zou zijn.

Een soeka kan echter niet passoel worden verklaard door ongeschiktheid die ontstaat door de fragiliteit van de soeka. Een soeka is bedoeld als een tijdelijke structuur. Hij hoeft niet kogelvrij te zijn, noch hoeft hij tegen de kou te isoleren. Dit zijn moeilijkheden die men bij iedere kosjere soeka kan verwachten, waar die ook gebouwd is. Om die reden waren de soekot dat jaar in Gilo kosjer. De gevaren van het geweervuur zouden aanwezig blijven, ongeacht waar men de soeka [bij zijn huis in Gilo] zou bouwen, ten gevolge van de kwetsbare aard van de soeka-constructie.

Daf 27

Een nieuw huis of reparatie?

Het gebeurde eens dat twee vrienden samen een stuk grond kochten, waarop reeds twee huizen stonden, één groot en één klein huis. Zij kwamen contractueel met elkaar overeen dat de een in het grote en de ander in het kleine huis zou wonen, maar dat, wanneer de bewoner van het grote huis, zijn huis zou afbreken en opnieuw opbouwen, hij een kleiner huis moest bouwen, zodat hij slechts de helft van het stuk grond zou in beslag nemen.

De overeenkomst was voor beiden acceptabel en zij leefden verscheiden jaren in vrede naast elkaar. Op een dag echter, ontdekte de eigenaar van het grote huis, dat de balken die zijn huis overeind hielden, begonnen te rotten. Om zijn huis te sparen, moest hij die rotte balken verwijderen en vervangen door stevige nieuwe balken. Toen zijn buurman de constructiewerkzaamheden zag, die eruit zagen alsof het hele huis uit elkaar genomen en opnieuw gebouwd werd, klaagde hij dat dit beschouwd moest worden als de bouw van een nieuw huis en dat het contract vermeldde dat in een dergelijk geval het huis kleiner gemaakt moest worden.

Sommige rabbijnen wilden een bewijs van onze soegia brengen dat reparaties aan een huis, ongeacht hoe intensief ook, niet beschouwd kunnen worden alsof het huis herbouwd wordt. Zij merkten op dat volgens Rabbi Eliëzer een soeka alleen kosjer is, wanneer die voor de totale duur van Soekot staat. Daarom is een soeka die tijdens Chol Hamo’eed [de tussendagen van Soekot] gebouwd is, passoel. Niettemin stemt R. Eliëzer ermee in dat als een soeka vóór Soekot gebouwd is en tijdens Chol Hamo’eed instort, hij opnieuw opgebouwd mag worden en dat hij dan perfect kosjer is. Dit lijkt een duidelijk bewijs dat een gerepareerde structuur niet beschouwd moet worden als een nieuw bouwwerk.

Echter R. Naftali Zwi Berlin (Meisjiv Dawar III:1) besliste dat de herbouw van een huis met nieuwe steunbalken beschouwd moet worden als het bouwen van een nieuw huis. Daarom moest de eigenaar van het grote huis voldoen aan de voorwaarde van het contract en een kleiner huis maken. Hij verwierp het bewijs van onze Gemara door te verklaren dat het enige bezwaar van R. Eliëzer was dat een soeka niet gebouwd mag worden voor alleen een deel van het Soekot-feest. Het moet gebouwd worden om voor het hele feest te kunnen worden gebruikt. Wanneer iemand aan deze voorwaarde voldoet en zijn soeka bouwt met de bedoeling daar het hele feest in te wonen, maar dan stort het plotseling in elkaar, dan mag hij het van hetzelfde materiaal opnieuw opbouwen en het gebruiken om erin te wonen. Hoewel de herbouwde soeka een nieuw bouwsel is, kan het beschouwd worden als een continuering van de vorige soeka. En daarom heeft het niet de ongeldige status van een soeka die alleen maar voor een deel van het feest is opgezet. R. Eliëzer zou alleen een volkomen nieuwe soeka verbieden, die geen verband had met de oude soeka.

Dit huis, dat afgebroken moest worden, om te worden hersteld met nieuwe steunbalken, daarvan zou zelfs R. Eliëzer gezegd hebben dat het een nieuw bouwsel is. En volgens de voorwaarden van het contract, mocht het huis alleen gebouwd worden op niet meer dan de helft van het oppervlak van het gezamelijke terrein.

Daf 28

De Belgische soeka

We hebben vorige week (Hearot HaDaf HaJomi 118, Soeka daf 22a) al geleerd dat Rabbeinoe Tam op grond van de Misjna op onze daf leert, dat als het schach zo dik is, dat de regen er niet doorheen kan komen, de soeka niet kosjer is. Zijn bewijs dat hij van de Misjna op onze daf brengt, is dat daar staat dat iemand zijn soeka mag verlaten als er zoveel regen in valt dat zijn soep erdoor bederft. Wanneer men het schach dik genoeg kan maken, zodat het de regen buiten houdt, waarom is men dan niet verplicht het schach zo dik te maken dat de soeka waterdicht is, zodat hij in de soeka kan blijven zitten als het regent, in plaats van dat hij dan wordt vrijgesteld van de mitswa om in de soeka te zitten?

Een tweede bewijs is van de Misjna in traktaat Ta’aniet (2a), waar staat dat regen op Soekot een slecht teken is, omdat het de volvoering van de mitswa verhindert. Wanneer een soeka waterdicht gemaakt kan worden, hoeft de regen geen slecht teken te zijn. Dit allees leidt hem tot de conclusie dat een soeka niet waterdicht mag worden gemaakt. De Taz (635:2) schrijft dat zelfs Rabbeinoe Tam het ermee eens is dat dit alleen een Rabbijns verbod is, maar dat het volgens Tora is toegestaan.

Het advies van R. Chaim – Oost Europa staat bekend om zijn frequente en stormachtige regenbuien, speciaal in het Soekot-seizoen. Er is een gerucht dat zegt dat R. Chaim van Volozhin eens voorstelde om soekot te maken  met zoveel schach, dat zij waterdicht zouden zijn, maar er een gat in open te laten in een klein hoekje, waar de regen doorheen kon vallen, om zo te voldoen aan de mening van Rabbeinoe Tam (Pe’er Ets Chaim 29; zie Mo’adiem OeZemaniem I:96 en appendix 8).

De Belgische soeka – Onlangs werd in Antwerpen een nieuw model ontwikkeld, die zowel waterdicht als kosjer lijkt te zijn, zelfs volgens Rabbeinoe Tam. Hij is gemaakt van dunne planken, van elkaar gescheiden door smalle reten, waar de regen doorheen kan vallen. Onder iedere reet ligt, op een korte afstand, een andere dunne plank, waarin een holte is uitgespaard, dat als een goot dient om het water op te vangen en het buiten de soeka leidt (zie tekening).

Dus de soeka heeft openingen, waardoor de sterren te zien zijn; het regenwater kan vrijelijk binnenkomen; en toch stoort de regen niemand in de soeka; omdat het onmiddellijk weer uit de soeka geleid wordt. De meeste Poskiem hebben de soeka perfect kosjer verklaard. Echter sommigen zeggen dat men lechatchila zo’n soeka niet moet gebruiken, terwijl anderen menen dat de soeka zelfs bedi’awad passoel is (zie Sefer HaSoeka p. 295, waar de meningen van R. Eliasjiv sjlita, R. Wosner sjlita en Rav Weiss zt”l worden geciteerd).

1] Geen familie


N.B. Halachische discussies die hier gepresenteerd worden, zijn uitsluiten bedoeld om de

gedachten en het leren te stimuleren en om achtergrondinformatie te verstrekken en zij

moeten niet beschouwd worden als psak halacha. Halachot moet men leren

 onderleiding van een bevoegde Rav, dat is een Rabbijn die ook bevoegd

is om een psak halacha te geven.